Shelley Duvall (1949-2024) zal altijd worden herinnerd om die ene, bijna onmenselijk zware rol in The Shining. Dat is niet onterecht. Maar haar filmleven telde zo veel meer memorabele rollen.
Het is onvermijdelijk. Shelley Duvall, op 75-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van diabetes, zal voor altijd worden herinnerd als Wendy Torrance in The Shining (1980). 127 keer moest ze achterwaarts en hevig snikkend de trap oplopen van dat labyrintische spookhotel uit Stanley Kubricks horrorklassieker. Intussen met een honkbalknuppel zwaaiend naar haar krankzinnige echtgenoot, Jack Nicholson met zijn diabolische grimas.
Kubrick nam drie hele weken de tijd voor die ene scène. Deze betrof níét die fameuze vermelding in het Guinness Book of Records. Dat waren de 148 benodigde takes voor een andere scène uit de verfilming van het boek van Stephen King – zonder Duvall. Maar niemand van de cast had het zwaarder dan zij.
Nooit meer wilde ze zo veel geven voor een filmrol, verklaarde Duvall een jaar later in gesprek met het tijdschrift People. Wekenlang had ze twaalf uur per dag gehuild voor de camera. ‘Als je pijn als kunst wilt verkopen: ga je gang. Maar niet meer met mij.’
Over de auteur
Bor Beekman is filmredacteur van de Volkskrant.
De rol leverde haar, naast faam, ook hoon en spot op: de nominatie voor een Razzie, de beschimpend bedoelde prijs voor slechtste actrice. (In 2022 werd deze bekroning officieel teruggetrokken door de Razzie-organisatie, omdat Kubricks ‘repressieve regie’ de oorzaak zou zijn van haar destijds als ‘slecht’ beoordeelde spel.)
Malligheid was het. Duvall schitterde in The Shining, ook en juist als ze hyperventilerend door dat hotel vlucht. Al kijkt het met de wetenschap dat haar radeloosheid en uitputting slechts deels geacteerd zijn, wel iets anders.
Shelley Alexis Duvall – geen familie van acteur Robert Duvall – werd geboren in Fort Worth, in 1949. Vader werd strafrechtadvocaat, na eerder op een veeveiling te hebben gewerkt. Moeder kende succes als makelaar. Toen ze 5 was verhuisde het gezin – drie jongere broers – naar Houston, waar Shelley opgroeide. Bijna 20 was ze toen ze op een feestje een filmcrew ontmoette, die er werkte met regisseur Robert Altman.
Ze was een verschijning, met joekels van schotelogen, geprononceerd gebit, fragiel gestel en die lichte, bijna stripachtige stem. Eenmaal voorgesteld aan de regisseur, wilde die haar meteen inlijven in zijn ensemble. Duvall hield even af, maar ging snel overstag.
Ze maakte haar debuut in Altmans komedie Brewster McCloud (1970), als reisgids, om vlot uit te groeien tot een vaste waarde in het vaak met ensemble-cast opgetuigde oeuvre van Altman. Ze blonk uit in komisch verdwaasde rollen, maar kon ook begenadigd spelen zonder opsmuk, altijd ietwat ongrijpbaar.
Ze was de postorderbruid in Altmans tegendraadse western McCabe and Mrs. Miller (1971), een tiener-groupie in zijn muzieksatire Nashville (1975) en won de prijs voor beste actrice voor haar rol in 3 Women (1977), als de extraverte medewerker van een kuuroord in een stoffig woestijnstadje.
‘Ik hou van hem’, zei ze in 1977 in The New York Times over Altman, die haar steeds weer andere rollen gaf, haar nooit ‘beperkingen’ oplegde, of ‘intimideerde’.
Onder zijn hoede groeide ze uit tot een van de sterren van de jaren zeventig, de periode dat de regisseurs die tot wasdom waren gekomen tijdens de tegencultuur, kortstondig de dienst uitmaakten in Hollywood.
Tegelijk kreeg Duvall maar weinig aanbiedingen van andere bekende regisseurs. Woody Allen schonk haar een grappig rolletje als Rolling Stone-reporter in Annie Hall (1977), Monty Python-lid Terry Gilliam dan weer als hofdame in Time Bandits (1981), maar buiten Altman zwaaide enkel Kubrick met een grote rol.
Pal voor ze naar de Londense set van The Shining vloog, per Concorde, verbrak haar toenmalige vriend en muzikant Paul Simon hun relatie; hij ging er vandoor met haar vriendin Carrie Fisher. Troost was er toen Altman opbelde, tijdens die ruim een jaar lange draaiperiode: ‘Dag Shelley, ik heb de rol waarvoor je geboren bent, raad maar.’ Dat was Olijfje, in zijn musical Popeye (1980), met Robin Williams als de spinazie-etende zeeman.
Voor de meer doordeweekse Hollywood-producties werd Duvall toch als te afwijkend beschouwd; goed voor een bijrol in een romantische komedie als Roxanne. Wel was ze decennia lang een bepalende stem binnen de Amerikaanse kindertelevisie, als actrice, verteller, producent en showrunner avant la lettre van wonderlijke sprookjesachtige televisieshows (o.a. Faerie Tale Theatre), die werden gewaardeerd met prijzen en waarvoor ze allerlei beroemde acteurs, muzikanten en gastregisseurs wist te strikken, van Mick Jagger en Francis Ford Coppola tot Tim Burton (ze is ook te zien in Burtons memorabele korte film Frankenweenie).
In de jaren negentig namen de rollen af, al speelde ze nog wel in films van Steven Soderbergh (The Underneath) en Jane Campion (The Portrait of a Lady).
Nadat ze langdurig uit beeld was geweest dook de actrice in 2016 plots op in een geruchtmakend en pijnlijk interview bij televisiedokter Dr. Phil, waar ze een verwarde indruk maakte. ‘Ik ben ziek’, zei ze. ‘Ik heb hulp nodig.’ Er was veel kritiek op de uitzending met de duidelijk geestelijk wankele Duvall, die meende dat haar overleden tegenspeler Robin Williams nog leefde en haar in andere gedaanten opzocht.
Weer wat jaren later, in 2021, zocht The Hollywood Reporter haar op in Texas, waar ze als excentrieke, halve kluizenaar leefde met haar partner Dan Gilroy. Het ging beter met Duvall, al zat ze financieel aan de grond. Ze sprak mild over Kubrick, die toch ook ‘warm en vriendelijk’ was geweest. Over de trapscène uit The Shining: ‘Het was moeilijk. Maar uiteindelijk wel een van de beste scènes in de film. Ik zou ‘m wel weer eens willen zien. ’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant