Home

Hij was geen liefhebber van mugjes, maar met vijftien vliegen in zijn kamer, is Peter Buwalda op andere gedachten gebracht

Muggen, daar was ik klaar voor. Het werden vliegen. Van de ene op de andere dag is de woonstee ervan vergeven, traag en snel rondzoemende vliegen in verscheidene formaten. Geen mug gezien nog.

En, bevalt het?

Matig. Had je me een jaar geleden gevraagd wat ik verkoos, vliegen of muggen, dan had ik onmiddellijk vliegen geantwoord, sneller nog dan de Duitser aan wie ooit in een televisiequiz gevraagd werd met wie hij liever de nacht doorbracht:
a. met zijn vr–

Beeeeee, brulde hij luid en laag.

Edoch, ben voorzichtig, zoals ze in Engeland zeggen, met wat je wenst. (Zeggen wij zelf ook, maar dan in het Engels.) Sinds die vliegen hier de godganse dag rondzoemen, begin ik muggen wel te waarderen, eigenlijk. Het zijn medeschepseltjes, besef ik inmiddels, ook maar geboren met een puntneus. In eerdere columns kon ik me nog wel eens kritisch over ze uitlaten.

Eens even zien, in 2017 noemde ik ze nog ‘scheppingsfouten’ en bekende ik tot diep in de nacht ‘Egyptische kunst’ van ze te maken, heel onaardig, ook naar hiëroglyfenschilders, maar waarvan ik schrik is dat ik ze ‘kankerlijers’ noemde en toegaf ze met ‘sadistisch genoegen’ naar hun tweedimensionale wereld te helpen, ‘baf, splut’ staat er ronduit, en dat ze zich, zo plat als een bloederig dubbeltje, niet moesten aanstellen omdat het ‘óns bloed’ was.

Deze uitspraken, en misschien zelfs die hele column, zet ik in de ijskast, en kijk naar voren.

Vliegen, zie ik daar, zwarte en groene. Maar vooral hoor ik ze, maar misschien hoef ik het gekmakende geluid van pak hem beet vijftien vliegen niet te beschrijven. Ik heb het subtiele, bijna muzikale gezoem van mugjes wel eens vergeleken met het werktuig van de duivel (tandartsboor), maar ook dat spijt mij. Ik kijk een mug recht aan, en zeg dat ze voor mij een mens is.

Wat mugjes zo vertederend maakt, is hun traagheid. Zodra ze plaatsnemen op het plafond, heb je alle tijd om rustig een mooi boek uit te kiezen, op bed te klimmen, en de slaperige diertjes als een kogelstoter kennis te laten maken met de schone letteren.

Gaat bij een vlieg niet lukken natuurlijk. Niets is vergeefser dan een vlieg te achtervolgen met een boek. Je verplettert eerder een puber met een boek, dan een vlieg. (Dit als hart onder de riem van leraren Nederlands.)

Op een website voor vliegenspreekbeurten lees ik dat vliegen permanent 360 graden om zich heen kijken, en hersens bezitten die tien keer zoveel beeldjes per seconde verwerken als die van ons.

(‘Wil jij alles over vliegen weten, bijvoorbeeld omdat je een spreekbeurt wil houden of omdat je onderzoek naar vliegen doet? Dan zit je hier goed, want wij hebben al heel wat voorwerk voor je gedaan!’ Alles bestaat, vrienden, alles komt voor.)

Komt bij dat wij een 6 meter hoge kamer bewonen, plafondloos voor een vlieg. Wat ik nog wel eens doe, is zo’n groene de slaapkamer inlokken. Dan zie je hem eerst zestien keer met zijn metalen kop tegen het totaal onverwachte plafond knallen, haha, sukkel.

Krachttermen brullend probeer ik het snerpende beest met een kleine, wendbare handdoek zwiepend te raken. Even geen literatuur. Ondertussen maak ik hem uit voor strontvlieg, toch nog literatuur, terwijl het naar alle waarschijnlijkheid een bromvlieg is. Vinden ze niet leuk.

Nadeel van deze tactiek is dat die groene taai zijn, en altijd buikschuivers maken tot onder bedden en kastjes. Vaak blijken ze alleen versuft, en komen midden in de nacht bij zinnen. Dan gaan ze meteen aan, schaterlachend.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next