In 2017 dreigde Donald Trump met het invoeren van een monsterheffing van 35 procent op Duitse auto’s. De net aangetreden Amerikaanse president wilde daarmee de Amerikaanse auto-industrie beschermen tegen de massa-import van Volkswagens, Mercedessen en BMW’s.
Hij beschuldigde Duitsland van dumping – het verkopen van producten onder de kostprijs – en verweet Berlijn de koers van de euro bewust laag te houden. ‘Het is te gek dat er straks in New York meer Duitse dan Amerikaanse auto’s rijden’, riep Trump. De import van zo veel Duitse auto’s was, zo vond hij, een gevaar voor de nationale veiligheid.
Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Anderhalve maand na zijn inauguratie in januari dat jaar, vloog bondskanselier Angela Merkel om Trump een lesje economie te leren. Duitsland, zei ze, deed niet aan oneerlijke concurrentie. Haar land kende tenminste een minimumloon, zo wreef ze Trump in.
Wel merkte ze op dat veel Duitse autobedrijven in de jaren daarvoor fabrieken hadden geopend in de VS. ‘Duitse fabrikanten hebben liefst 750 duizend banen in de VS gecreëerd’, aldus Merkel. De Amerikaanse industrie zou ook best meer auto’s naar Duitsland mogen exporteren. ‘Maar dan moet u wel betere auto’s gaan bouwen.’
Merkel is weg. Haar opvolger, Olaf Scholz, laat zich nu voor het karretje van Brussel spannen. Dat roept, net als Trump destijds, dat China zich schuldig maakt aan oneigenlijke concurrentie.
Het Bruegel Instituut, de Brusselse denktank, concludeerde onlangs dat ‘zowel Duitsland toen als China nu terecht zeggen dat de export een gevolg is van een gezond concurrentievermogen’. Misschien kan de Chinese president Xi Jinping tegen Scholz in Berlijn of Ursula von der Leyen in Brussel roepen: ‘Misschien moet u betere elektrische auto’s bouwen.’
Opvallend is dat de Duitse autofabrikanten zelf eigenlijk niet zo’n voorstander zijn van heffingen op Chinese auto’s. Daarmee zouden ze zich in de voet schieten, omdat ook zij auto’s in China produceren, of een alliantie hebben met Chinese autofabrikanten.
Autofabrikanten in China kondigen inmiddels aan in Europa te gaan produceren, om Europese autobedrijven daar op eigen terrein te bestrijden. Zo zal BYD auto’s gaan bouwen in Turkije en Hongarije. Vooruitlopend op die stap heeft het zich al gemanifesteerd als hoofdsponsor van het EK voetbal in Duitsland.
Voorlopig moet van Brussel de Chinese dreiging met kunst- en vliegwerk worden afgewend. Daarbij bedient het zich van het baby-argument: industrieën die nog in de luiers liggen, mogen zich enige tijd mag afschermen van de tucht van de internationale markt, om te kunnen groeien en uiteindelijk de concurrentie aan te kunnen.
Maar het is gek dat de honderd jaar oude Europese auto-industrie zich nu in de positie van baby manoeuvreert omdat ze te laat is overgestapt op elektrische auto’s. Want in werkelijkheid is de Chinese auto-industrie diezelfde luiers pas net ontgroeid.
Helemaal mooi wordt het als de oudste auto-industrie ter wereld – die van de VS – een potje gaat zitten grienen vanwege een volle luier. Je zou kunnen zeggen dat nu de baby’s naar school gaan, de luiers worden gegund aan de incontinente ouderen die zo nog even mogen doormodderen.
Het past heel goed bij deze twee presidentskandidaten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns