Een Keniaanse politiemissie moet de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince redden uit de gewelddadige greep van criminele bendes. Maar die bendes bestaan grotendeels uit de vergeten jeugd uit de volkswijken. ‘Ze verdienen allemaal te worden afgemaakt.’
De autobrug markeert de grens. Onder de brug zoeken motorrijders en straatverkopers verkoeling in de schaduw, gekleurde graffiti roept op tot ‘rezistans’. Boven hun hoofden liggen vier grijze rijbanen ongebruikt te zinderen in de Caribische hitte. Betonblokken op de brug versperren de doorgang. Voorbij de barricades verandert het levendige Port-au-Prince in een conflictgebied waar nog slechts enkelingen zich wagen.
Verbrande autowrakken liggen ondersteboven op de verlaten straat, kogelgaten vormen grijze sproeten in een witte betonnen kerkgevel. Op straathoeken waar lichamen werden verbrand, is het asfalt nog zwartgeblakerd. Dit is bendeterritorium. Haïti heeft in de 220 jaar sinds het zich vrijvocht van de Franse overheersers veel misère gekend, maar de hoofdstad van grofweg 2,5 miljoen inwoners beleeft momenteel misschien zijn zwaarste tijden ooit.
Over de auteur
Joost de Vries is correspondent Latijns-Amerika voor de Volkskrant. Hij woont in Mexico-Stad.
Sinds de gewelddadige dood van president Jovenel Moïse, deze week drie jaar geleden, hebben straatbendes op brute wijze hun territoria uitgebreid. Grofweg 80 procent van de stad is in criminele handen, inclusief alle toegangswegen. In de overgebleven 20 procent waar de staat nog de macht heeft, is Port-au-Prince (bijna) haar normale luidruchtige, chaotische, kleur- en geurrijke zelf. Geiten knabbelen aan vuilnis, motoren persen zich vloekend tussen vrachtwagens door, groenten en fruit liggen uitgestald onder parasols.
Maar waar het leven stilvalt, in de uitgestrekte grauwe betonnen volkswijken, daar loert het gevaar. Daar heersen mannen als Izo, Vittel’Homme, Lanmo San Jou en Ti Greg. En de bekendste: Jimmy ‘Barbecue’ Cherizier, leider van de machtige bendecoalitie Viv Ansamn (Samenleven). Ieder runnen ze een eigen leger van duizenden voetsoldaten. Met geweld, verkrachting, ontvoering en moord heersen ze over hun koninkrijkjes.
De economische en sociale impact van de criminele belegering van de hoofdstad is in heel het land te voelen. Onlangs concludeerde de pas aangetreden interim-premier Garry Conille: ‘twaalfduizend boeven houden twaalf miljoen mensen gegijzeld.’
Vandaar dat Lines Derosier (40) met haar vijf kinderen in een tent woont tussen de ruïnes van het Rex Théâtre in het centrum van Port-au-Prince. Van de historische art-decogevel is sinds de aardbeving van 2010 weinig meer over. Tussen de resterende muren hebben bijna vierhonderd families een schuilplek gevonden. In de oude hal ligt een zieke graatmagere man onder een deken trillend te wachten op de dood.
Derosier vluchtte zeven maanden geleden uit de wijk Carrefour Feuilles, nog geen 2 kilometer naar het zuiden. ‘Op een zondag overvielen ze ons.’ Bendes bestormden al schietend de buurt. Haar man werd gedood, ze liet hem achter. ‘De bendeleden hebben zijn lichaam verbrand.’
Ze was zwanger toen ze vluchtte. In het Rex Théâtre werd zoontje Mike Evens geboren, een grote stapel kleding diende als kraambed. De baby van inmiddels vijf maanden hangt beteuterd op haar arm.
Hij behoort tot de jongsten onder de 300 duizend kinderen die in geïmproviseerde opvanglocaties schuilen voor het geweld. De minderjarigen vormen volgens de Verenigde Naties ruim de helft van de ontheemde hoofdstedelingen.
Een tent verderop bivakkeert de 43-jarige Yves Joseph, gekleed in korte broek en een onberispelijke blauwe polo van ‘Vacation Village Resorts’. De voormalige lijfwacht hield samen met zijn buren en lokale politieagenten de bendes een tijdje op afstand. Vanuit hun huizen gooiden ze flessen en stenen, de bendeleden reageerden met kogels. Uiteindelijk was ook voor hem vluchten de enige optie.
Wanneer er werk is, werkt hij een beetje, vertelt hij. En verder wacht hij af, zoals alle Haïtianen afwachten. ‘Maanden geleden werd de Keniaanse missie al aangekondigd’, zucht hij. ‘En nu de Kenianen hier zijn, wachten we nog steeds.’ Hij hoopt op een genadeloze afstraffing van de bendes. ‘Ik weet dat God het verbiedt, maar ze verdienen het om allemaal te worden afgemaakt.’
Op 25 juni arriveerden tweehonderd Keniaanse politieagenten in Port-au-Prince. Zij zijn de eerste lichting van de zogeheten Multinationale Ondersteunings- en Veiligheidsmissie (MSS), die uiteindelijk 2,5 duizend agenten moet tellen. Het is de vierde interventiemissie in Haïti sinds de jaren negentig. Dit keer hielden de Verenigde Naties en landen als de VS, Frankrijk en Canada de boot af.
Uiteindelijk bood het Afrikaanse Kenia aan om de Haïtiaanse ‘broeders en zusters’ te helpen. Die geste werd dankbaar aanvaard door de VN en de VS; zorgen over gebruik van excessief geweld door de Keniaanse politie in eigen land werden terzijde geschoven.
In Haïti maakte de komst van de Kenianen tot nu toe weinig indruk. Slechts enkele keren lieten ze zich zien buiten de militaire basis die de Amerikanen (de voornaamste geldschieters van de missie) de afgelopen maanden bouwden.
Zo ook deze zaterdag, wanneer twintig Haïtiaanse en twintig Keniaanse agenten patrouilleren over de stoffige doorgaande weg langs het vliegveld. ‘Wat doen jullie hier?’, roept Geraldine Vertine (34), haar afro verstopt onder een rood mutsje. ‘Ga naar Martissant! Naar Croix-des-Bouquets! Naar Cité Soleil!’ Want niet hier, maar daar in de sloppenwijken zitten de bendes.
Sceptisch kijkt de marktkoopvrouw toe hoe de Kenianen – Kalashnikov-machinegeweren in de hand – een klein uurtje wandelen door een van de veiligste plekken van Port-au-Prince. Eind februari namen de bendes in een gecoördineerde aanval weliswaar luchthaven Toussaint Louverture onder vuur, maar de staat wist het vliegveld en de omgeving al snel weer veilig te stellen.
De Kenianen krijgen vooralsnog geen heldenonthaal. Vooral ook omdat ze niet de eerste buitenlanders in uniform zijn die beloven Haïti te redden. De Afrikaanse agenten marcheren langs een snuisterijenkraam waarin een houten soldaat met blauwe helm doet herinneren aan VN-missie Minustah, die duurde van 2004 tot 2017 en geplaagd werd door een cholera-uitbraak en misbruikschandalen. Nadat de blauwhelmen waren vertrokken, was de Haïtiaanse bevolking even arm en de overheid even zwak als voorheen.
Toch is het ongeduld onder de meeste Haïtianen groter dan de scepsis. ‘Dit is geen leven’, concludeert de ontheemde moeder Derosier. Daarom beleggen de Haïtiaanse politiechef en het hoofd van de Keniaanse missie op maandagochtend een persconferentie op het politiehoofdkwartier. Met daadkrachtige woorden proberen ze de morrende bevolking te sussen.
‘We hebben een job te doen’, zegt de Keniaanse politiebaas Godfrey Otunge gekleed in groen camouflage-uniform. ‘We moeten de vrede herstellen in heel Haïti. Er is geen ruimte voor mislukking.’ Vervolgens laat zijn Haïtiaanse collega Normil Rameau, pas een paar weken in functie, pas echt zijn spierballen rollen. ‘Een dezer dagen wordt u wakker en ziet u dat de bendes zijn uitgeschakeld’, belooft hij. ‘De staat zal weer heersen over elke centimeter van het Haïtiaanse territorium.’
Maar die stoere taal gaat voorbij aan de complexe nuances van Port-au-Prince. De ‘twaalfduizend boeven’ waar premier Conille over sprak, zijn grotendeels twintigers en tieners. De bendes zijn een product van een al decennia afwezige overheid, zegt de Haïtiaanse antropoloog Luis Herns Marcelin, in de VS werkzaam aan de Universiteit van Miami. In de straatarme volkswijken ontbreekt het aan alles: ‘Onderwijs, veiligheid, zorg, werk, een toekomst voor jonge mensen.’
Die jongeren zijn een gemakkelijke prooi voor de georganiseerde criminaliteit, zegt hij. ‘We hebben niet geïnvesteerd in onze jeugd en krijgen nu de rekening gepresenteerd.’ Hij schat dat 80 procent van de bendeleden jonger is dan 25 jaar.
Het diep ongelijke Haïti is volgens hem een ‘sociale apartheidsstaat’ waarin een kleine politieke en economische elite compleet langs de arme massa heen heeft geleefd. Lang dienden de straatbendes als loopjongens van die elite, stelt Marcelin. Politici en zakenlieden sloten een corrupt pact met de bendes en gebruikten de criminele groepen om tegenstanders te intimideren. Zo ook Haïti’s laatste gekozen president Moïse, die uiteindelijk zelf op 7 juli 2021 stierf in een kogelregen.
Onder diens ongekozen opvolger, de zwakke interim-premier Ariel Henry, groeiden de bendes hun broodheren boven het hoofd. Nu vormen de criminelen uit de arme wijken zelf een machtsfactor, zegt de antropoloog. ‘De geest is uit de fles.’ Wanneer straks de staat, geholpen door de Kenianen, de strijd aangaat met de bendes, zullen er slachtoffers vallen, zegt hij – ook tieners die weinig andere keus hadden dan bendelid te worden.
De 19-jarige Smith Hilaire had geluk. Hij wist dankzij het christelijke programma Haiti Teen Challenge te ontsnappen uit de criminaliteit van Carrefour Feuille, waar ook de gevluchte Derosier vandaan kwam. Nu zit hij voorovergebogen op het balkon van zijn opvangtehuis en frutselt wat aan zijn knie. Een warme bries ruist door bloeiende bougainville-struiken. Aan de horizon liggen de bergen groen rondom de stad.
Zachtjes vertelt Hilaire hoe hij geld verdiende voor zijn familie door te werken als motorchauffeur voor criminelen en moordenaars. ‘Mensen zijn gestorven door mijn daden.’
Huisgenoot Jacky François (28), die in het tehuis werk vond als jongerenleider, vreest het ergste voor de jonge bendeleden die ieder moment een reactie van de staat en de Keniaanse versterking kunnen verwachten. ‘Als je eenmaal lid bent van een bende, is er slechts één uitweg.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant