Home

Coen-films zijn een bonte mix van stijlen en tóch meteen herkenbaar: hoe doen de broers dat?

De regisseurs Joel en Ethan Coen hebben in hun veelgeprezen films een zwak voor de vergeten man, de krabbelaar, ook nog vaak in een uithoek van de VS. Nu de broers weer samenwerken (ze waren even uit elkaar) ontleedt de Volkskrant hun unieke aanpak.

Ze schelen weliswaar drie jaar, maar al sinds de jaren tachtig staan Joel (69) en Ethan (66) Coen bekend als de ‘dolle tweeling’ van de Amerikaanse cinema. Hun films – 18 samen, 2 soloprojecten – pik je er zo uit, ondanks een amalgaam aan stijlen. Of nee, juist die eclectische mix is hun voornaamste handelsmerk: anything goes… niets is te gek. Dit is hun methode.

Stap 1 Doorgaans begint elk project met het kiezen van een locatie. Je zou bijna denken dat ze op hun New Yorkse kantoor een kaart van de VS hebben hangen en met een dartpijltje het volgende vertrekpunt bepalen. Na die keuze verdiepen ze zich in de lokale cultuur. Het dialect, de regionale tradities: neem dat curieuze accent van de hoogzwangere agent Marge Gunderson (Frances McDormand) in Fargo. Zo zijn de broers de kampioenen van de vergeten uithoeken van Amerika.

De misdaadfilms Blood Simple (1984) en No Country for Old Men (2007) brengen ons naar Texas. De vrolijke comedy Raising Arizona (1987) speelt zich (inderdaad) af in Arizona. Met de duistere komedie Fargo (1996) belanden we op de sneeuwvlakten van North Dakota. Het platteland van Mississippi vormt het decor voor O Brother, Where Art Thou? (2000). De neo-noir The Man Who Wasn’t There (2001) begint in het Californische slaapstadje Santa Rosa. En A Serious Man (2009) speelt dan weer in Minnesota, de staat waar Joel en Ethan zelf zijn opgegroeid.

Stap 2 Wat volgt, is het bepalen van het genre. Als tieners waren Joel en Ethan al aan het klooien met een Vivitar Super 8mm-cameraatje, en eigenlijk is dat altijd zo gebleven. Dan speelden ze scènes na van tv-series, en alle buurtkinderen mochten meedoen. Je hoort dat vaker over grote regisseurs: het zat er al vroeg in. Steven Spielberg toonde het recentelijk in zijn nostalgische familieportret The Fabelmans (2022).

Bij de Coens werkt het zo. Pak een genre, sleutel alle onderdelen los en zet ze met een flinke vleug absurdisme naar eigen inzicht weer in elkaar. Dan toont zo’n Ikea-bouwpakket net even anders. Deftig gezegd: postmoderne deconstructie. Quentin Tarantino doet dat ook, maar hij begon er met Reservoir Dogs (1992) pas een jaar of acht later mee.

Bij de Coens ging alles – de betere B-films, popmuziek, westerns – van acquit al in de blender. Maar wat steeds terugkeert, is hun passie voor de keiharde misdaadromans van noir-auteurs als Raymond Chandler en James M. Cain. Je kunt hun The Man Who Wasn’t There (2001) moeiteloos leggen over de Cain-verfilming Double Indemnity van Billy Wilder uit 1944. En The Big Lebowski (1998) is niets minder dan een postmoderne deconstructie van Raymond Chandlers The Little Sister (1949).

De Coens zijn weer bij elkaar

Hoe wonderlijk is de relatie tussen de broers Joel en Ethan Coen – de filmmakers die niet zonder elkaar lijken te kunnen?

Typisch de gebroeders Coen: vaak grissen ze iets uit de werkelijkheid en geven ze er een zwengel aan. Hier halen ze hun personages vandaan.

Je denkt aan de film en hóórt de muziek: de Coen-soundtracks van Joseph ‘T Bone’ Burnett en Carter Burwell zijn hun eigen leven gaan leiden.

Soms klinkt in de (Amerikaanse) filmpers dat het allemaal net iets te jolig, te ironisch, te goofy is. Inmiddels is The Big Lebowski een cultklassieker, maar aanvankelijk werd gemopperd dat ‘het maar moeilijk voorstelbaar is dat hier hetzelfde team aan het werk is dat vorig jaar een Oscar won voor het scenario van Fargo’.

Precies de bedoeling, natuurlijk. Ze waken ervoor zichzelf te herhalen en zoeken binnen iedere nieuwe genrestudie de grenzen op. Voor de duur van het project duiken ze daar volledig in, al denken ze er een jaar later soms heel anders over. Op het Filmfestival van Cannes in 2013 beweerden ze stellig: ‘We proberen ons te ontwikkelen. Zo komt er geen vervolg op welke film van ons dan ook.’

Stap 3 Toch valt er binnen hun zo uiteenlopende oeuvre – naast de spitse dialogen en de vaak flamboyante vormgeving – één constante aan te wijzen: sympathie voor de ‘kleine man’, de krabbelaar, de underdog.

Als zelfverklaarde liefhebbers van ‘oude films’ lijken ze deze figuurtjes – Barton Fink, de toneelschrijver die wordt vermalen in de cynische gehaktmolen van Hollywood; de naïeve Norville Barnes uit The Hudsucker Proxy – te hebben geleend bij Amerikaanse sociaal-idealistische filmers als Frank Capra (1897-1991) en Preston Sturges (1898-1959), en dat is ook zo. Joel Coen, in 2018 in de Volkskrant: ‘We zijn enthousiast over de oudere genres, maar we roeren er zelf dingen doorheen.’

Bovenal lijkt die underdog-insteek een erfenis van de Joodse humor waarmee ze thuis zijn opgegroeid, vol liefde voor de eeuwige schlemiel, het Jiddische archetype van de pechvogel. De Coens presenteren ons een hele stoet aan losers om van te houden, met Jeffrey – ‘The Dude, His Dudeness, El Duderino… whatever…’ – Lebowski als voornaamste exemplaar. Locatie, experimenteren met genrewetten, en de kleine man – de beknopte manier om de methode-Coen te definiëren.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next