Home

Niet Gakpo maar het ‘EK 88-kussen’ van Jurryt bracht Oranje in de halve finale

Elke wedstrijd hetzelfde oranjeshirt, altijd kijken vanuit dezelfde stoel en grasmaaien als Nederland achter staat: voetbalsupporters doen van alles in de hoop dat het geluk brengt. Waarom zijn voetbal en bijgeloof zo met elkaar verbonden? ‘Eén keer heb ik dit shirt gewassen, dat heeft ons het WK gekost.’

Natuurlijk zijn er mensen die beweren dat het allemaal aan Cody Gakpo te danken is dat Nederland vanavond in de halve finale staat. Of aan die ene redding op de doellijn van Micky van de Ven tegen de Turken. Maar sporthistoricus Jurryt van de Vooren weet wel beter. Dat Nederland nog in de race is voor de Europese titel, is volledig te danken aan zijn ‘EK ‘88 kussentje’ − met een ietwat verweerde foto van het elftal.

Voor wie dat ongeloofwaardig vindt klinken, levert Van de Vooren direct het onomstotelijke bewijs. Tot dusver bracht hij alle EK-wedstrijden namelijk zittend op dat kussentje door, behalve die tegen Oostenrijk (Oranje verloor) en die tegen Turkije (hij was op een festival). ‘Gelukkig vond mijn zoon het kussentje tijdens de rust tegen de Turken toen we 1-0 achterstonden en is híj er de tweede helft op gaan zitten’, lacht hij. ‘Dus mijn zoon heeft die wedstrijd gered.’

Over de auteur
Marieke de Ruiter is economieredacteur voor de Volkskrant. Ze schrijft onder meer over de arbeidsmarkt en sociale zekerheid.

Gras maaien

Van de Vooren is beslist niet de enige die er dezer dagen een kijkritueel op nahoudt. Sinds de start van het toernooi zitten huiskamers en kroegen vol met supporters die ervan overtuigd zijn dat hun oranjeshirt, tweedagenbaard of wuppieverzameling de ploeg geluk brengt. Sommige supporters gaan daarin ver: berucht is inmiddels de man uit Nederweert die tijdens het WK van 2014 de helft van de wedstrijden miste omdat hij bij een achterstand het gras moest maaien.

Al dat bijgeloof rond wedstrijden is niet zo gek, zegt sociaal psycholoog Bastiaan Rutjens van de Universiteit van Amsterdam. ‘Want bijgeloof biedt een manier om te kunnen omgaan met onvoorspelbaarheid. Veel supporters ervaren tijdens zo’n toernooi een gebrek aan controle: het enige wat ze kunnen doen is toekijken. Dan geven zichzelf heel graag de illusie van controle door een ritueel uit te voeren.’

Spurieuze correlatie

Zo’n ritueel is vaak het gevolg van wat Rutjens een ‘spurieuze correlatie’ noemt. ‘Stel je kijkt een keer in je eentje voetbal en je favoriete team presteert onverwachts goed, dan trekken mensen al snel een verband: het team speelde goed omdát ik alleen keek. Terwijl die zaken niets met elkaar te maken hebben. Voor je het weet, durf je niet anders omdat je bang bent het lot te tarten.’

Het omgekeerde gebeurt juist minder snel: een verloren wedstrijd helpt een ritueel niet direct om zeep. ‘Mensen zijn sterk gemotiveerd erin te blijven geloven en gaan in zo’n geval op zoek naar verklaringen waarom het niet werkte: wacht eens, de vorige keer zat ik op de bank, nu op de fauteuil.’

Voor Henk Aron staat het vast: het is zijn schuld dat Nederland in 2010 het WK verloor. Dat zit zo: sinds Johan Cruijff aan het begin van dit millennium zijn oranje shirt signeerde, draagt hij het tijdens alle belangrijke wedstrijden. Ongewassen. ‘Eén keer heb ik dat shirt per ongeluk toch gewassen, in 2010’, vertelt hij. ‘En dat heeft ons de wereldtitel gekost. Die teen van Iker Casillas waarmee hij het doelpunt van Arjen Robben voorkwam, dat kwam door mijn shirt.’

Altaartje

Het moge duidelijk zijn dat Aron die fout niet nog eens begaat, en om helemaal niets aan het toeval over te laten heeft de Rotterdammer met zijn vriendengroep ook een altaartje gebouwd. Daarop voeren zij allerhande riten uit om de Nederlandse ploeg te versterken en de tegenstander te verzwakken. Woensdagavond bijvoorbeeld, zal er Engelse drop op liggen – met het zwarte midden eruit gerukt. ‘Om het middenveld te verzwakken.’

Niet alleen supporters ontwikkelen rond belangrijke wedstrijden allerhande rituelen: ook de sporters zélf. Uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam bleek eens dat acht op de tien topsporters aan bijgeloof doet. Zo moest Johan Cruijff voor elke wedstrijd een kauwgompje op de helft van de tegenstander spugen en betreedt Cristiano Ronaldo het veld steevast met zijn linkervoet.

Dat juist in de sport bijgeloof zo welig tiert, komt volgens Rutjens doordat het twee voedingsbodems combineert: een grote mate van onzekerheid en een groot belang. Uit onderzoek blijkt namelijk: hoe belangrijker de situatie en hoe onzekerder de uitkomst, hoe bijgeloviger mensen kunnen worden. Natuurlijk hebben sporters zelf meer invloed op de uitkomst van wedstrijden dan hun supporters, maar ook zij krijgen te maken met een factor die ze maar deels kunnen sturen: de tegenstander.

Twaalfde man

Of zij daarvan winnen is lang niet altijd afhankelijk van of ze beter zijn, maar wordt ook bepaald door geluk – een foute inschatting van hun keeper, een gunstige scheidsrechtersbeslissing. ‘Er is niets rechtvaardig aan sport’, zegt sporthistoricus Van de Vooren, de man van het EK-kussentje. Hij ziet bovendien nog een andere verklaring voor al dat bijgeloof: ‘Sporttoernooien zijn vormgegeven als één groot ritueel: er zijn kleurcodes, openingscerenomies, tenues.’

De vraag is natuurlijk of al die rituelen Oranje woensdagavond ook aan de overwinning gaan helpen. ‘Wel als spelers ze zelf uitvoeren’, weet Rutjens. ‘Omdat ze kunnen fungeren als een selffulfilling prophecy: door het uitvoeren van een ritueel gaan zij mogelijk met meer zelfverzekerdheid de wedstrijd in.’ Maar voor de bijgelovige supporters heeft de onderzoeker een andere boodschap: ‘Die kan doen wat hij wil, het zal het spel niet beïnvloeden.’

Het is een rationaliteit die er bij Rotterdammer Aron niet ingaat. ‘Voetbal is een kansspel’, bezweert hij. ‘Zonder geluk word je nooit kampioen. Het publiek is daarbij als twaalfde man superbelangrijk. We moeten helpen tot waar we kunnen en de rest moet het elftal zelf doen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next