Home

Op de een of andere manier ben ik nu zelf in het water beland, achter de billen van mijn vrouw aan gedoken

Ik ben geen natuurzwemmer. Of het nou de zee is, een riviertje, een plas of een meer: het is me te koud en ik vrees voor wat zich onder het wateroppervlak ophoudt. Beestjes en planten en algen en vissen en andere onzichtbare, mysterieuze zaken die zich niet voor niets onder water verstoppen, anders zouden ze zich wel boven water laten zien.

Natuurzwemmen is meer iets voor anderen, bijvoorbeeld voor mannen met indrukwekkende snorren, die onderwijzen op de universiteit en poëziebundels schrijven en boekenkasten vol hebben staan met Griekse klassieken en hun eigen bouillon trekken – zoals Piet Gerbrandy, die ooit in de Volkskrant vertelde over zijn liefde voor zwemmen in open water.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Dus steeds als mijn vrouw ging zwemmen in het duinmeer bij ons in de buurt , keek ik droog en warm vanaf de kant toe en omhelsde haar met een handdoek als ze het water verliet. Maar op de een of andere manier ben ik nu zelf in het water beland, achter de billen van mijn vrouw aan gedoken.

De eerste meters zijn, oef, zo koud en vol van gedachten die me proberen te overtuigen het water weer uit te gaan. Maar ik dompel me onder en na een paar meter wordt koud fris en na nog meer meters wordt fris... aangenaam? Als ik naast me kijk zie ik het hoofd van mijn vrouw net boven het oppervlak, ze glimlacht en glijdt met soepele schoolslag kalm door het water.

We zijn alleen vandaag. Het is herfstig en het waait en de oevers van het meer zijn verlaten. Een paar dagen geleden, toen de zon iedereen naar buiten dwong, lagen ze vol met stelletjes en families en kinderen en schreeuwende scholieren voor wie geen volzin compleet is zonder ‘kanker’ of ‘bro’ of ‘bitch’.

Nu hebben we het water en alles daaromheen voor ons alleen. De dennen langs de oever die ons beschutten van de wind, de groene heuvels aan de overkant. Het zandstrandje dat bos en meer aan elkaar bindt. De drijvende waterlelies en het wuivende riet. De meerkoeten en hun piepende kuikens. De futen die elkaar iets te eten toestoppen. Het ritselen van de bladeren in de boom die het keerpunt markeert. De stilte.

Het water is zacht en zoet en ruikt naar mos en spoelt bij iedere slag eventjes over mijn kin. Op de terugweg dringt de kou steeds dieper door in onze lijven en als we weer op de oever staan, geeft de wind een ijzige toegift.

Maar we hebben handdoeken en warme truien en joggingbroeken. En hete thee en brood met pindakaas. En daarna lopen we met natte haren en het lijf bedekt met droge en warme kleren terug naar de fiets. Onder mijn blote voeten voel ik het prikken van de dennennaalden en het zachte zand dat het bospad bedekt. Ik ben geen natuurzwemmer. Maar nu wel.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next