Sinds de toeslagenaffaire bekend werd, staat het harde fraudebeleid van de overheid ter discussie. Maar de bijstandsgerechtigden merken nog weinig van alle mooie woorden, zegt advocaat Bernard de Leest, die veel burgers heeft bijgestaan.
In het casino vindt een eenzame man van 87 de gezelligheid die hij zoekt. Soms wint hij wat, soms verliest hij. Op zijn bankafschriften is te zien wat hij opneemt en bijstort. Zijn tijdverdrijf komt de man van Servische afkomst op een flinke boete te staan en hij moet ook nog zijn uitkering terugbetalen. Omdat hij pas op latere leeftijd naar Nederland kwam, wordt zijn gedeeltelijke AOW-uitkering aangevuld met bijstand. En voor de bijstand telt elk gewonnen tientje als inkomen, ongeacht het bedrag dat is vergokt.
Het zijn dit soort zaken waarvan advocaat Bernard de Leest (65) diep moet zuchten. ‘Je had de regels van de inlichtingenplicht moeten kennen, krijgt deze man dan te horen van de rechter. Die vindt dat een bijstandsgerechtigde zulke zaken van tevoren had kunnen weten.’
Charlotte Huisman is verslaggever van de Volkskrant en schrijft over jeugdzorg en de nasleep van de toeslagenaffaire.
De Leest zit in zijn functioneel ingerichte werkkamer in zijn advocatenkantoor aan de rand van de Utrechtse binnenstad. Nog steeds treedt de overheid vaak onnodig hard op tegen kwetsbare burgers, ziet de advocaat. En dat terwijl die harde opstelling al ruim drie jaar ter discussie staat, sinds de omvang van de toeslagenaffaire duidelijk werd. ‘Er zijn veel mooie woorden gesproken, nu is het tijd voor daden.’
De afgelopen veertig jaar heeft De Leest heel wat burgers bijgestaan die in aanvaring zijn gekomen met overheidsregels. Daarnaast voert hij het woord namens de vereniging van advocaten die zijn gespecialiseerd in sociale zekerheid.
Afgelopen voorjaar kwamen de conclusies van de parlementaire enquête over het nietsontziende fraudebeleid: de overheid heeft de levens van vele mensen vermorzeld. Rechters concludeerden eerder al dat ze onvoldoende bescherming hadden gegeven aan ten onrechte van fraude beschuldigde burgers. En vorige maand beschreef ook de Staatscommissie rechtsstaat de kloof tussen de overheid en kwetsbare burgers, met moeilijk te doorgronden regelingen en bureaucratische procedures.
Nu ligt er een lange lijst aanbevelingen van hoe dit beter kan. Ook is er een nieuwe bijstandswet in de maak. Maar daarvan merkt de gemiddelde bijstandsgerechtigde nog te weinig, vindt de sociaal advocaat.
Hij heeft het zien gebeuren, hoe de overheid zich sinds de jaren negentig ‘steeds harder en onaangenamer’ ging opstellen tegen burgers die afhankelijk zijn van diezelfde overheid. Er ontstond ‘een repressieve verzorgingsstaat, met beveiligers in de wachtruimten van de sociale dienst’. Het viel hem ook op in het taalgebruik. ‘Een handhaver van de gemeente schreef dat een cliënt ‘in aanraking was gekomen’ met de bijstandswet, alsof hij een crimineel was. Een kleine, onopzettelijke fout wordt meteen bestempeld als fraude. Veel mensen zijn zo valselijk beschuldigd, wat het wantrouwen jegens de overheid heeft vergroot.’
Wel veranderd is de opstelling van de bestuursrechters, sinds ze in de spiegel hebben gekeken na de toeslagenaffaire. Ze wegen nu vaak mee wat het effect is op iemands leven van bijvoorbeeld het stoppen van zijn uitkering of een huisuitzetting, het zogenoemde evenredigheidsbeginsel. ‘Dat deden ze voorheen niet’, zegt De Leest.
Ook zijn rechters vaker kritischer op gemeenten. Zo floot de hoogste bestuursrechter, de Centrale Raad van Beroep, begin dit jaar de gemeente Apeldoorn terug, die een uitkering had stopgezet. De gemeente vond het verdacht dat deze bijstandsgerechtigde nauwelijks geld uitgaf aan eten en drinken. De vrouw zou de inlichtingenplicht hebben geschonden omdat ze de lage uitgaven niet afdoende had verklaard – ze zei dat ze vaak bij haar buurman at. De rechter vond dat de gemeente voor het intrekken van een uitkering had moeten bewijzen dat de vrouw bijvoorbeeld inkomsten had verzwegen.
Vóór de toeslagenaffaire was de rechter waarschijnlijk minder kritisch geweest, vermoedt De Leest – en er zijn meer van zulke uitspraken geweest. Maar daarmee is wat hem betreft de kloof nog niet gedicht. ‘De rechter gaat nog te vaak uit van de ‘triple-A-burger’, die rationeel en alert reageert in contact met de overheid. Iemand die de regels kent, die ingewikkelde juridische teksten kan lezen en begrijpen en die zich assertief durft op te stellen.’
En daarbij gaat het nog steeds vaak over de zogenoemde inlichtingenplicht. Bijstandsgerechtigden moeten bij wijze van spreken elk ontvangen tikkie van een paar euro melden om niet het risico te lopen op hun vingers te worden getikt. De stringente toepassing van deze regel kwam eind 2020 onder vuurt te liggen, toen een bijstandsgerechtigde vrouw de gemeente Wijdemeren duizenden euro’s moest terugbetalen – vanwege boodschappen die ze had gekregen van haar moeder, voor wie ze zorgde. Dat had ze moeten doorgeven, vond de gemeente.
Mede door dit soort kwesties die tot publieke verontwaardiging leiden, heeft de overheid besloten de bijstandsregels te versoepelen. De ministerraad van het vorige kabinet heeft eind juni de vernieuwde Participatiewet in Balans goedgekeurd. Nu moet deze nog door de Tweede en Eerste Kamer, waar naar verwachting een meerderheid vóór zal stemmen. Deze nieuwe wet gaat meer uit van vertrouwen en moet voorkomen dat mensen onevenredig hard worden gestraft voor een kleine fout.
Vooruitlopend daarop zeggen veel gemeenten dat ze meer zullen uitgaan van de menselijke maat. Zo hebben veel gemeenten al de regels voor giften versoepeld – voorheen mochten bijstandsgerechtigden nauwelijks iets ontvangen zonder dat dit consequenties voor ze had.
Maar ook in de nieuwe wet blijft de inlichtingenplicht bestaan. ‘Dat is en blijft een knelpunt’, vindt De Leest. ‘Uit onderzoeken blijkt dat die inlichtingenplicht maar heel zelden opzettelijk wordt overtreden. Het gros van de mensen heeft de regels gewoon niet goed begrepen.’
Daarom zouden gemeenten bijstandsgerechtigden beter moeten informeren, vindt de advocaat. ‘Communicatie- en gedragswetenschappers zouden moeten onderzoeken of gemeenten bijstandsgerechtigden afdoende behoeden voor fouten. Als de burger weet waar hij aan toe is, hoef je ook minder te handhaven.’
Opvallend zijn de verschillen per gemeente, wat leidt tot ongelijkheid. Hoe een bijstandsgerechtigde behandeld wordt, hangt er niet alleen van af of zijn gemeente linkse of rechtse wethouders heeft, maar ook van de heersende mentaliteit op de betreffende gemeentelijke afdeling werk en inkomen, ziet De Leest. ‘Op sommige afdelingen is de mentaliteit keihard, en dat kan ook onder een links stadsbestuur. En een welwillende wethouder kan het verschil maken, dat heb ik bijvoorbeeld in Tilburg gezien.’
Natuurlijk zijn er bijstandsgerechtigden die bewust hun uitkering misbruiken. ‘Maar als die bijvoorbeeld een bedrijfsmatig handeltje op Marktplaats runnen, zijn ze vaak wel zo handig om dat niet onder de eigen naam te doen.’ Veel vaker ziet de advocaat dat juist mensen voor wie elk tientje telt even wat kinderkleding of speelgoed te koop aanbieden, onwetend dat zij dit moeten melden.
En soms opereren bijstandsgerechtigden gewoonweg niet zo handig. De Leest vertelt over een cliënt, een vrouw die enthousiast aan het knutselen was geslagen nadat de kinderen het huis uit waren gegaan. Ze was zo tevreden met het resultaat dat ze met haar huisversieringen en sieraden in Ibiza-stijl op kleine marktjes ging staan, meer voor de hobby dan dat ze er wat aan verdiende.
Een buurtgenoot zag haar staan en maakte er melding van bij de gemeente. Die begon een onderzoek. Toen bleek dat haar financiële administratie een chaos was. En ook dat ze bijna meer geld uitgaf aan materialen dan dat ze binnenkreeg met de verkoop van haar knutselwerk.
‘Daardoor begreep de vrouw dat ze haar prijzen moest verhogen om er aan te kunnen verdienen’, zegt De Leest. Inmiddels is de vrouw zelfstandig ondernemer en is ze dus uit de bijstand. ‘Dan vraag ik me af: hoe vaak heeft de gemeente met die vrouw gesproken over wat haar mogelijkheden waren?’
Er zijn enkele gemeenten waar zogenoemde klantmanagers pakweg alle bijstandsgerechtigden elk half jaar spreken. ‘Dus niet omdat er iets mis is, maar op een positieve manier. Dan kunnen ze ook waarschuwen voor de mogelijke gevolgen als ze bijvoorbeeld zien dat een bijstandsgerechtigde soms tikkies ontvangt van familieleden of vrienden, nadat zij eerder iets hebben voorgeschoten.’
Dat zouden wat hem betreft meer gemeenten moeten doen. ‘Dan zien mensen dat je ook positief contact kunt hebben met de overheid.’ Want nu betekent het meestal slecht nieuws als de gemeente je benadert, bijvoorbeeld dat de bijstandsgerechtigde wordt onderworpen aan een heronderzoek. ‘Als de overheid in helpend contact investeert in plaats van alleen in repressie, worden mensen ook eerlijker en transparanter.’
Veel mensen zijn zó bang voor de overheid dat ze geen aanvragen meer indienen voor de steun waar ze recht op hebben. De Leest ziet de categorie mensen groeien die niets meer met de overheid te maken wil hebben. ‘Die zijn er klaar mee, willen de confrontatie niet aangaan, krijgen er alleen maar stress van.’
Er zijn ook gemeenten, ziet de advocaat, waar de cultuur is veranderd sinds de schok rond de toeslagenaffaire. ‘Daar wordt een bijstandsgerechtigde niet meer op voorhand als fraudeur gezien. Daar is het besef ingedaald dat de regelgeving voor velen te complex is en mensen zich niet altijd rationeel gedragen.’ Maar de omvorming is volgens hem nog lang niet overal ingezet. ‘Ondertussen denk ik: o, niet wéér een rapport met dezelfde conclusies, laten we het nu over de praktijk hebben.’
Ook nu nog komen volgens hem de uitvoerende afdelingen er soms te gemakkelijk mee weg als zij burgers onbehoorlijk behandelen. ‘Rechters zouden ook kunnen vragen: gemeente, wat heb je aan voorlichting gedaan en is de voorlichting afgestemd op de doelgroep? Wanneer heb je voor het laatst contact gehad met deze bijstandsgerechtigde?’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant