In de stofwolken van de chemins blancs van de champagnestreek doemden zondag oude tijden op, toen asfalt nog iets onbekends was, coureurs zelf hun lekke band moesten plakken en café’s bestormden om hun dorst te lessen. De negende etappe van de Tour de France was een oefening in nostalgie over de tijd dat de Rondes nog niet werden gewonnen volgens een Plan, het noodlot elk moment kon toeslaan en renners al blij waren als ze Parijs levend hadden bereikt.
Heimwee naar vroeger was niet de reden dat de Tourorganisatie de verharde paden in het parcours had opgenomen. De Tour is een zakelijke onderneming en nostalgie is alleen interessant als het vermarkt kan worden. In de Toscaanse eendagskoers Strade Bianche en even later ook in de Ronde van Italië heeft het gravel zijn waarde bewezen. Elk besluit van koersorganisatoren wordt uiteindelijk ingegeven door de behoefte aan spectaculaire beelden (een stofwolk met iets bewegends erin), dramatische gebeurtenissen (een lekke band op een cruciaal moment, een stevige valpartij) en het verlangen naar vroeger, toen de koers nog vol verrassingen zat. Het was jammer dat het zondag niet regende, dan was het helemaal terug naar 1932 geworden.
Over de auteur
Bert Wagendorp is voormalig sportverslaggever van de Volkskrant, oprichter van wielertijdschrift De Muur en auteur van wielerroman Ventoux. Hij schrijft wekelijks een sportcolumn. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Voor Richard Plugge, de directeur van Visma - Lease a Bike, hoefde het allemaal niet. Volgens hem bracht de Tourdirectie met de graveletappe de ‘ongeluksfactor’ terug in de wedstrijd. En als ze bij Visma ergens een hekel aan hebben, dan is het aan ‘ongeluksfactoren’ (wat een ongeluksfactor is voor de een, is overigens vaak een geluksfactor voor de ander). Maar bij Visma hechten ze aan ‘Plannen’ en bij de verwezenlijking daarvan kunnen ze (on)geluksfactoren missen als kiespijn. Ongeluk is nog niet gedataïseerd.
Zelf zie ik maar al te graag ongeluksfactoren opdoemen. Niet voor niets vind ik Parijs-Roubaix de mooiste koers van het jaar: een wedstrijd die pech een faire kans geeft. Er is niets leukers dan handenwringend en ach-en-wee-roepend voor de tv te zitten, het noodlot dat zojuist je favoriet kansloos heeft gemaakt vervloekend. ‘Zo is het leven’, mag ik op zulke momenten graag beweren, ‘degene die het het meest verdient wint zelden.’
Dus hoewel ik weet waarom ze in de Tour dit jaar één en volgend jaar twee (en daarna drie) graveletappes opnemen, en ze ernaar uitkijken straks de Tourmalet net als in 1910 weer via onverharde weggetjes te beklimmen, juich ik die keuze van harte toe. Oké, er is een krachtig commercieel motief, de gravelbike is de redding van menig fietsfabrikant. Maar net als elke liefhebber van de sport steek ik graag mijn hoofd in het zand en kies ik voor de romantische uitleg: de Tourdirectie die het good old noodlot in ere wil herstellen.
Het is een hopeloos gevecht, uiteindelijk zullen de alomtegenwoordige data ook de onvoorspelbaarheid van de graveletappes onderwerpen, maar zo lang het nog kan, geniet ik van de pech en tegenslag die de nietsvermoedende renner huilend achterlaten – of van zijn overwinning op wat al voorbestemd leek.
Uiteindelijk is dat wat sport mooi maakt: de sporter die alles doet om het noodlot te vermijden en zijn fans die hopen en bidden dat het de held zal lukken zijn heroïsche taak te volbrengen.
Door angstvallig in Pogacars wiel te blijven, slaagde Jonas Vingegaard er zondag in de nederlaag nog even te vermijden. Maar Pogacar wacht geduldig af, hij weet: geluk is zeldzaam, pech is overal.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant