Home

Op postuum album ‘Songwriter’ leren we een nieuwe Johnny Cash kennen, misschien wel op zijn gelukkigst

De Volkskrant sprak John Carter Cash bij het verschijnen van het nooit eerder uitgebrachte studioalbum van zijn vader, met liedjes uit 1993. ‘Hij had nooit gedacht dat de MTV-generatie hem zou omarmen, maar het gebeurde.’

De grootste hit van Johnny Cash? Het succes van een single uit 1956 (I Walk the Line) of 1963 (Ring of Fire) laat zich lastig vergelijken met dat van een opname van veertig jaar later, maar het antwoord van de verenigde Spotify-gebruikers is helder: hét Johnny Cash-nummer is Hurt (2003), de allerlaatste single van zijn leven.

Het is een lied uit 1994, van de industrial-rockband Nine Inch Nails. De oude, fragiele, kortademige Cash maakte er zijn aangrijpende afscheidsgroet van, over berouw en sterfelijkheid: ‘Everyone I know/ goes away/ in the end.’

In de ontroerende videoclip zien we zijn geliefde echtgenote June Carter Cash naar haar oude metgezel kijken. Hurt verscheen in maart 2003. Op 15 mei van dat jaar overleed June (73), aan complicaties na een hartoperatie. Johnny (71) volgde haar vier maanden later, op 12 september. Zijn kracht was op.

De enige zoon van Johnny en June, John Carter Cash (54), zwaait vriendelijk vanaf het computerscherm. Hij was dertien jaar gitarist in de begeleidingsband van zijn vader, bracht als singer-songwriter op eigen titel drie albums uit, is als muzikant op veel Johnny Cash-albums te horen en was als producer betrokken bij inmiddels vijf postume albums van zijn vader, die nogal wat opnamen naliet.

Over de auteur
Menno Pot schrijft voor de Volkskrant over popmuziek.

Het jongste postume album is pas verschenen en heet Songwriter. Het bevat liedjes die Cash opnam in 1993, tien jaar voor zijn dood, aan de vooravond van het onverwacht glorieuze laatste hoofdstuk van zijn carrière: het ‘American-project’ met producer Rick Rubin, een reeks albums waarop de oude Cash veelal stemmige covers zong, vaak van eigentijdse artiesten. Nine Inch Nails, Soundgarden, Depeche Mode; het waren bands die Cash amper kende toen de songs hem werden aangereikt.

‘Hij begon in 1994 energiek en in goede gezondheid aan het American-project’, zegt John junior. ‘In 1997 werd duidelijk dat hij ziek was. Hij ging daarna snel achteruit, maar bleef tot het einde liedjes opnemen, omdat mijn moeder zei dat hij dat moest doen.’

De vastgestelde ziekte was het syndroom van Shy-Drager, een zeldzame vorm van multisysteematrofie, dat overeenkomsten heeft met de ziekte van Parkinson. Daar kwam diabetes bij. Toen hij eind 2002 Hurt inzong, was Johnny’s kruit zo goed als verschoten. Niemand kon bij het aanbreken van 2003 vermoeden dat June eerder zou sterven dan hij.

‘Toen hij de liedjes voor Songwriter schreef en opnam, had hij Rick Rubin al ontmoet en wist hij dat hij ging overstappen van Universal naar Rubins label American Recordings’, zegt Carter Cash. ‘Een paar van zijn eigen liedjes belandden op de American-albums, maar de meeste bleven liggen. Ze pasten niet bij American, klonken anders en ze waren ook niet af.’

Dat afmaken heeft Carter Cash nu gedaan, als postume producer. Hij nam zo veel mogelijk de muzikanten in de arm met wie Cash in 1993 werkte, zoals bassist Dave Roe en gitarist Marty Stuart.

‘We hebben het zo simpel mogelijk gehouden’, zegt hij, ‘met in ons achterhoofd altijd de vraag: what would Johnny Cash do?’

Het eindresultaat is prachtig. De American-albums uit de jaren 1994-2010 (vier bij leven, drie postuum) zijn de lange zwanenzang van de oude, langzaam aftakelende Cash. Nu horen we hoe kwiek en creatief hij nog was aan de vooravond van het project, hoe fris en afwisselend de eigen liedjes waren die hij in 1993 schreef en hoe fenomenaal zijn stem. Het komt haast als een schok in Hello Out There, dat hij opent met de begroeting uit de titel.

Carter Cash: ‘Hij was net 60. Dat voelde tóén als oud, dat vond hij zelf waarschijnlijk ook, maar nu voelt 60 veel minder oud en horen we een man die at the top of his game was. Hij was gezond en gelukkig, had veel zin in een nieuw hoofdstuk.’

Carter Cash herinnerde zich de liedjes nog goed: hij was zelf, als 23-jarige, bij de opnamen van 1993 betrokken.

‘Hij had een paar jaar eerder zijn kaak gebroken. Dat herstelde niet goed, maar pijnstillers wilde hij niet, omdat hij als de dood was weer verslaafd te raken. Hij werd in 1992 geopereerd, toen was de pijn eindelijk voorbij. Ik herinner me dat hij zich in die periode verdiepte in de levens van mensen die nog meer pijn hadden dan hij zelf: soldaten vooral, gewond en beschadigd door de oorlog.’

Die soldaten keren terug op Songwriter: in Soldier Boy en Like a Soldier, maar ook in Drive On, over een vrachtwagenchauffeur die op de eindeloze snelweg zijn Vietnam-trauma probeert weg te slikken. ‘Drive on, it don’t mean nothin’/ My children love me and they understand.’

Typisch Cash, die zich altijd sterk vereenzelvigde met beschadigde mannen aan de zelfkant: mannen met spijt en weggestopt verdriet. Bajesklanten, verslaafden, outcasts uit de onderste sociale laag.

Het meest ontroerd was Carter Cash toen hij I Love You Tonite weer hoorde: een teder liedje van zijn vader voor zijn moeder, June. ‘And I love you tonight, even more than I loved you in the sixties.’

Carter Cash: ‘Ik kan niet vaak genoeg zeggen hoe gek hij op haar was. Hij droeg haar op handen, kocht cadeautjes, schreef gedichtjes en liedjes voor haar, sloeg geen Valentijnsdag over. Ze waren in die periode zo leuk samen. Ze konden lachen en ze wisten hoe ze moesten vergeven. Vooral mijn moeder was goed in vergeven – en ze had hem nogal wat te vergeven.’

Op Songwriter leren we een Johnny Cash kennen die we nog niet kenden: 60, maar nog niet oud. En: niet verslaafd.

‘Ik was 23 jaar en bouwde een volwassen relatie met hem op. Hij werd een vriend, in die tijd.’

Johnny Cash leefde (minstens) zeven levens: van zijn kinderjaren op de katoenvelden in Arkansas tot zijn tijd bij de Amerikaanse luchtmacht vanaf 1950 (waar hij morsecodeberichten onderschepte en ontcijferde) en nog een stuk of zes daarna. John junior blikt terug.

1955-1968: ster en outlaw

Johnny Cash wil gospelzanger worden, maar breekt door met zijn herkenbare sound op het breukvlak van rock-’n-roll, rockabilly en country. Hij wordt een superster, heeft enorme hits als I Walk the Line (1956), maar raakt ondertussen verslaafd aan alcohol en amfetamine.

Het levert hem het imago van outlaw op, altijd in het zwart gekleed. Hij geeft in de jaren zestig legendarische concerten in gevangenissen (twee registraties halen als lp een miljoenenverkoop). Zijn grote liefde June Carter redt hem: zij wil alleen met hem trouwen als hij afkickt. In 1968 is het zover.

‘Dit is de Johnny Cash die ik zelf nooit gekend heb’, zegt John junior. ‘Ik ben in 1970 geboren en heb hem leren kennen als een bescheiden en liefdevolle vader. Dat kan ik lastig rijmen met het beeld van de outlaw, die continu drank en drugs door zijn lijf joeg.

‘In de jaren vijftig en zestig hing de gekte om hem heen die je van Elvis kent: hysterie, meisjes, verafgoding. Dat kan nooit bij hem gepast hebben. Hij vluchtte ervoor. Ik heb me nooit hoeven verdiepen in die periode van zijn leven, want hij vertelde er vaak over. Ik ben opgegroeid met zijn verhalen en ook met zijn liedjes uit die tijd. Ze hoorden bij het gezin en bij mijn jeugd.’

1969-1980: de tv-jaren

June temt Johnny, die een zachtmoedige, vriendelijke family man en geliefde beroemdheid wordt, strijdend voor de rechten van ‘native Americans’ en bevriend met elke president in het Witte Huis.

Hij blijkt een charmant tv-presentator te zijn; van zijn eigen Johnny Cash Show op ABC (1969-1971) en later van kerstspecials en dergelijke. Hij blijft gospelplaten opnemen, maar zijn albums verkopen steeds slechter. Johnny Cash is een artiest van vroeger geworden en raakt vanaf 1977 weer af en aan verslaafd aan drank en drugs.

John Carter Cash: ‘Voor mijn gevoel waren we in de jaren zeventig altijd op tournee, als gezin, en waren mijn beide ouders er altijd. We hadden een bus waarin mijn moeder een eigen kamer had en ik ook. De begeleidingsband reisde mee: we waren één grote, reizende familie. Ik herinner het me als een gelukkige tijd.

‘Mijn ouders waren beroemd, de zaken gingen uitstekend en ik denk dat mijn vader zijn leven in de jaren zeventig plezierig vond, maar wat ik me als kind niet realiseerde, was dat hij als muzikant uit de mode was geraakt en een beetje schnabbelde. Tv-commercials enzo. De jonge generatie zag hem niet meer staan.’

1980-1991: highwayman en vergetelheid

Cash zit op een dood spoor, verlaat zijn platenlabel Columbia, dat zijn albums vaak niet eens meer wil uitbrengen, raakt flink gewond als hij op zijn boerderij door een struisvogel in de maag wordt geschopt en raakt in 1983 weer verslaafd.

Vanaf 1985 beleeft hij zijn eerste grote wederopstanding met The Highwaymen, een country-supergroep met Willie Nelson, Waylon Jennings en Kris Kristofferson. De groep is vooral in de VS een groot succes, maar Cash moet in 1988 wel een zware bypassoperatie ondergaan: zijn lichaam komt in opstand.

Carter Cash: ‘In 2014 brachten we een album uit dat Out Among the Stars heette, met opnamen uit de jaren 1981-1984. Op Songwriter klinkt hij vitaler, jonger, terwijl hij tien jaar ouder is.’

Cash lijkt in de jaren tachtig op weg naar de vergetelheid – en hij weet het.

Carter Cash: ‘Op mijn 14de, in 1984, speelde ik voor het eerst mee in mijn vaders band. Dat ben ik blijven doen tot ongeveer 1997, toen hij slechter werd en moest stoppen met touren. Als tiener en als jongvolwassene heb ik hem als ‘baas’ meegemaakt, hoewel hij helemaal gaan typische baas was. In de jaren tachtig had ik niet eens echt in de gaten dat hij een slechte tijd had, want de tournees waren vrij succesvol, maar toen hij na 1990 opfleurde, merkte ik het verschil wel.’

1991-1994: frisse moed

Cash leeft op. Er verschijnt een tribute-album waarop Britse indiebands zijn werk coveren. Begin 1993 vraagt Bono hem als gastzanger voor The Wanderer, een lied op het U2-album Zooropa.

Grunge- en britpopartiesten omarmen hem. Cash geniet ervan, is gezond, toert als vanouds en schrijft veel liedjes. En dan, ineens, verschijnt Rick Rubin in beeld.

Carter Cash: ‘Ik was erbij toen hij Rick Rubin voor het eerst ontmoette. Dat was na een concert in zuidelijk Californië, een weinig memorabele avond voor weinig publiek. Rick was bekend als succesproducer van hiphopartiesten, maar ik was een rockjongen: ik kende hem vooral als producer van Electric (1987) van The Cult.’

Rubin vroeg of Cash zin had om te tekenen bij zijn label American Recordings en een coveralbum te maken met liedjes over vriendschap. Dat ontbrak er nog aan: een nieuw platencontract, een nieuw creatief hoofdstuk. Cash kon niet vermoeden dat het een kolossaal succes zou worden en hem weer helemaal op de kaart zou zetten.

‘De vroege jaren negentig waren misschien wel de gelukkigste jaren uit zijn leven’, zegt John junior. ‘Vrijheid, geen verplichtingen, goede gezondheid. Een renaissance. Als je tv-interviews ziet die mijn ouders in die jaren deden, zie je hoe gelukkig ze waren. Ze konden om elkaar lachen. En om zichzelf.’

1997-2003: American Recordings

Cash slaat aan het opnemen met Rick Rubin, thuis in Los Angeles en in het privéhoofdkwartier Cash Cabin in Tennessee: alleen John en zijn akoestische gitaar. Het album American Recordings (1994) wordt een kassucces, krijgt jubelrecensies en bezorgt Cash een hele generatie nieuwe fans.

In 1994 wordt hij minutenlang toegejuicht op het Britse Glastonbury-festival. ‘American’ groeit uit tot een serie, waarvoor Cash liedjes blijft opnemen, ook als hij in 1997 ziek wordt.

Carter Cash: ‘Hij wist: dan is dit dus het laatste hoofdstuk, het publiek gaat nu mijn achteruitgang meemaken. Hij zag daar de schoonheid van. Het project met Rick Rubin heeft hem zo ontzettend veel gebracht. Ik heb aan een paar albums meegewerkt. Hij won Grammy’s, speelde met bandleden van Nirvana. Hij had nooit gedacht dat de MTV-generatie hem zou omarmen, maar het gebeurde. En hij vond het schitterend.’

2005: Joaquin Phoenix

Twee jaar na Cash’ overlijden verschijnt de biopic Walk the Line, met Joaquin Phoenix in de rol van Johnny Cash en Reese Witherspoon als June Carter. De film wordt een groot succes, wint Oscars een vertelt het levensverhaal van Cash aan weer een nieuwe generatie.

Carter Cash: ‘Het is raar om mee te maken: een bekende acteur die je vader speelt in een bioscoopfilm. Ik was als adviseur bij betrokken bij het project en heb, denk ik, best veel gezeurd: zo zou hij dat niet zeggen, dat detail klopt niet, et cetera.

‘Het is voor mij onmogelijk om naar Joaquin Phoenix te kijken en er mijn vader in te zien, maar toch zeg ik: hij heeft een geweldige Johnny Cash neergezet. Phoenix doet recht aan wie hij was, inclusief de dark shit.’

Walk the Line zoomt vooral in op de jaren vijftig en zestig, waarin Cash verslaafd was, nog getrouwd was met zijn eerste vrouw Vivian, maar al stapelverliefd werd op June Carter.

‘In de film maakt hij een puinhoop van zijn leven. Nou goed, zo was het ook. Als ik ergens moeite mee heb, is het de manier waarop mijn grootvader is neergezet: zo bitter en hatelijk als in de film was opa helemaal niet, mijn vader kon het juist geweldig met hem vinden, maar de strijd tussen vader en zoon was belangrijk voor de film en werd dus uitvergroot. Ik heb dat moeten accepteren.

‘Ik wil óók graag laten horen dat mijn vader een leuke man was, met humor en wijsheid. Dat hij geweldig goed was in wat hij deed. Songwriter laat dat horen. Ik ben daar trots op.’

Johnny Cash: Songwriter. Universal.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next