Home

Hoe een voormalige thrillerschrijver duizenden weeskinderen uit ‘de hel’ van Veenhuizen een gezicht gaf

Een 19de eeuwse biografie van een weeskind zette schrijver Patricia Snel op het spoor van de weeskinderen die tot vorige eeuw in Veenhuizen zaten opgesloten. Haar boek is een bestseller geworden. Nu wandelt ze maandelijks met lezers langs de historische plekken.

Op een zonnige zondagochtend houden twee gidsen en een groep al wat oudere lezers halt bij het Derde Gesticht in Veenhuizen, voorheen een carrévormige stenen gruwelplek met een binnenplaats, nu een keurig onderhouden weide. Bloemperken aan weerszijden markeren de contouren van het honderd jaar geleden gesloopte weeshuis. Hier moet de fantasie het werk doen.

Dat lukt, deels, door de toelichting die Patricia Snel (56) geeft. Ze schreef De vondeling van Veenhuizen, een historische roman over twee Amsterdamse weeskinderen die bijna tweehonderd jaar geleden uit de Drentse kinderkolonie probeerden te ontsnappen. Samen met Veenhuizenaar en beroepsgids Peter Bos leidt de voormalige thrillerschrijver, tegenwoordig redacteur en docent aan de schrijversacademie, de groep langs de locaties uit haar boek, zoals elke laatste zondag van de maand.

Over de auteur
Paul Onkenhout is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over media, muziek en voetbal.

De vondeling van Veenhuizen is een succes, het boek staat al elf weken in de bestsellerlijst van het CPNB. De hoofdpersonen, Karel en Lize Möller, hebben echt bestaan. Voor een ontsnapping hadden ze alle reden. Snel vertelt over de ongediplomeerde ‘horrordokters’ in het Derde Gesticht, de permanente honger, de stank, de ton tussen de hangmatten voor de ontlasting, het ontbreken van elke vorm van privacy, onbekwame opzichters, de overvolle slaapzalen en de dodelijke epidemieën, waaronder de Aziatische cholera.

Weeskinderen ‘stierven bij bosjes’ en werden ’s nachts in hun eigen hangmat in een anoniem graf gedumpt, iets verderop in Veenhuizen. De tucht was streng, het werk op het land (de jongens) of in de naaifabriek (de meisjes) zwaar. De kinderen, jong en oud, waren in de eerste plaats arbeidskrachten. Ze moesten in hun eigen onderhoud voorzien en geld opleveren voor de landbouwende kolonie.

Strafhok

Vluchten was riskant, en vrijwel onmogelijk. Voor de ramen zaten tralies. Dorpelingen kregen een premie als ze een ‘gedeserteerde’ aanbrachten, veldwachters fungeerden als bewakers en door hun uniforme kleding met een nummer waren de weeskinderen goed herkenbaar. Kinderen die werden opgepakt, werden veroordeeld tot acht dagen in een ‘strafhok’.

Snel, samenvattend: ‘Een hel.’

Veenhuizen is een vreemde plek, een uitgestrekte verzamelplaats van tegenstrijdigheden die in 2021 door Unesco op de Werelderfgoedlijst werd geplaatst. Wat nu een toeristische attractie is vol rechte lijnen, bezienswaardige 19de eeuwse gebouwen, 124 rijksmonumenten en het Gevangenismuseum (het oude Tweede Gesticht), was ooit een omvangrijk sociaal experiment waar zwaar werd geleden.

Op de Drentse veengrond verrezen twee eeuwen geleden in een duister en desolaat niemandsland drie grote gestichten – op het Tweede na inmiddels gesloopt – voor weeskinderen. De Maatschappij van Weldadigheid, een initiatief van generaal-majoor Johannes van den Bosch, bood daarnaast arme gezinnen de kans in de veenkoloniën een nieuw bestaan op te bouwen, vaak tegen hun zin. Suzanna Jansen schreef er in 2008 een bestseller over, Het pauperparadijs.

Ook landlopers en bedelaars werden naar Veenhuizen gedreven, met alleen weeskinderen raakten de gestichten niet vol. De ontegenzeglijk goede bedoelingen smoorden in de ‘Koloniën van Weldadigheid’ door tegenslag na tegenslag. Financiële tekorten bleken permanent en de veengronden en de moerassige delen lieten zich nauwelijks ontginnen, zeker niet door kinderen die het fysiek zware werk niet aan konden.

Ook de twee gevangenissen die rond 1900 in Veenhuizen verrezen, Norgerhaven en Esserheem, maakten dat het dorp tot in de vorige eeuw werd geassocieerd met rampspoed en ellende. Maar vandaag schijnt de zon, voert een wandeling langs plekken die gerust idyllisch genoemd mogen worden en getuigt gids Peter Bos van zijn vrolijke jeugd in Veenhuizen – een prettig tegenwicht.

Rijkskolonie

Als kind maakte Bos de tijd nog mee dat Veenhuizen een rijkskolonie was met eigen regelgeving. Tot halverwege de jaren tachtig was het een zelfvoorzienend gevangenisdorp, alleen toegankelijk voor personeelsleden en hun gezinnen.

Kinderen werden naar school gebracht met een ‘boevenwagen’, de orde werd gehandhaafd door gevangenispersoneel. Iedereen kende elkaar, politie was niet aanwezig, van de voorzieningen van de gevangenis werd gretig gebruikgemaakt. ‘Er was geen betere plek om zonder helm rond te rijden op een opgevoerde brommer dan hier. Nergens was de vrijheid groter.’

De wezen hadden geen geluk. Ongeveer 8.600 kinderen die te vondeling waren gelegd of hun ouders hadden verloren, werden in het tweede kwart van de 19de eeuw naar de ‘onvrije koloniën’ van Veenhuizen getransporteerd. De helft van de kinderen was afkomstig uit Amsterdam. In het Aalmoezeniershuis verbleven rond 1824 zo’n 2.500 kinderen, terwijl de capaciteit 800 was. Nederland was berooid, hongersnood teisterde vooral de armen, de weeskinderen waren een last.

Patricia Snel ontdekte ze bij toeval, de onfortuinlijke wezen, hoewel ze Drenthe door vakanties sinds haar jeugd goed had leren kennen. Ze woonde een paar jaar in Dwingeloo en verblijft ‘om de drukte van Amsterdam te ontvluchten’ per jaar meermaals in Westervelde, nabij Veenhuizen.

Een podcast van acteur Daan Schuurmans over de lokale geschiedenis in de reeks Het verhaal van Nederland bracht haar op het spoor van de weeskinderen. Geïntrigeerd door hun lotgevallen schafte ze bij de lokale boekhandel onder meer De kinderkolonie van Wil Schackmann aan, een non-fictie boek uit 2016 over de opvang van de wezen in Veenhuizen.

De beslissende zet werd gegeven toen ze De wees van Amsterdam van Karel Möller las, een honderdvijftig jaar oud, autobiografisch relaas over twee broers (Karel en Willem) en hun zus (Lize). Na de dood van hun moeder en krankzinnigheid van hun vader werden ze in 1846 met een beurtschip naar Veenhuizen gestuurd waar ze in het Eerste Gesticht werden ondergebracht. Hun verhaal greep Snel aan. ‘Het was hartverscheurend. Toen kon ik niet meer terug. Hun ongehoorde verhaal moest worden gehoord.’

Spinhuis

Zeven maanden werkte ze in alle eenzaamheid aan De vondeling van Amsterdam. Ze vond een schrijfplek in een gerenoveerd appartement in het voormalige spinhuis van het Derde Gesticht. De groep lezers mag rondkijken, ze tonen grote interesse. Snel: ‘Als ik aan het werk was, had ik zicht op de plaats waar het gesticht had gestaan. Er was geen betere plek om in de huid van de kinderen te kruipen dan deze.’

Karel en zijn zus Lize werden de hoofdpersonen in haar boek en daarmee ook de virtuele gidsen van de rondleiding in Veenhuizen. De laatste halte: het ‘Vierde Gesticht’, een wat cynische, verzonnen benaming – gids Bos steekt zijn ongenoegen niet onder stoelen of banken – van het Recreatieschap Drenthe voor de plaatselijke begraafplaats anno 1831.

Een grote ‘treurbeuk’ is het middelpunt van een grasveld waar, anoniem, zo’n twaalfduizend ‘kolonisten’ liggen begraven, onder wie ruim tweeduizend weeskinderen. Veel doden werden in hetzelfde graf bijgezet, in meerdere lagen. Ook de zus en de broer van Karel Möller werden hier begraven, ’s nachts waarschijnlijk en snel zoals de anderen.

Snel: ‘Ik wandelde hier vaak en bij de treurbeuk stak ik altijd een kaarsje op. En toen kwamen Karel en Lize plotseling op mijn pad. Het was tijd voor een ode aan de 8.600 kinderen die hier hebben gezeten.’

Karel Möller overleefde het gesticht in Veenhuizen, als enige van de drie kinderen. Hij werkte zich omhoog en werd in 1864 hoofd van een lagere school op Texel. In 1919 overleed hij, als vader van zes kinderen. Het volgende project van Patricia Snel: nazaten van haar hoofdpersoon vinden.

Een neef van moederszijde heeft ze al getraceerd. ‘Ik schrijf over een familie, ongevraagd en zonder toestemming. Daardoor voel ik me een soort dief. Ik wil de nazaten graag ontmoeten, als is het maar om ze een boek te geven.’

Patricia Snel: De vondeling van Veenhuizen. Xander Uitgevers; 336 pagina’s; € 22,99.

Heropgevoed

De armenkoloniën van Veenhuizen zijn deze eeuw voor een groot publiek op de kaart gezet door Suzanna Jansen. In 2008 schreef de journalist een boek over haar eigen familiegeschiedenis dat uitgroeide tot een bestseller, Het pauperparadijs. Voorouders van haar maakten in de 19de eeuw deel uit van het heropvoedingsexperiment in het Drentse dorp.

Het pauperparadijs stond ruim honderd weken in de Top-60 van meest verkochte boeken en werd vertaald in het Spaans en het Duits. Dit jaar verscheen de zeventigste druk. Een gelijknamige theatervoorstelling is deze zomer (opnieuw) te zien in het Afas-theater in Leusden, van 19 juli tot en met 17 augustus.

De muzikale voorstelling trok tussen 2016 en 2018 175 duizend bezoekers, in Veenhuizen zelf en in het Amsterdamse theater Carré. Regisseur Tom de Ket, producent Walter Lommerde en Suzanna Jansen werken opnieuw samen.

Het stuk ging vorige zomer al eens in reprise, in het Gevangenismuseum in Veenhuizen. De Ket was ook de regisseur van de voorstelling die in Leusden na drie jaar zal wijken voor Het pauperparadijs, 14 de musical, over het leven van Johan Cruijff.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next