Home

Jantje Kuiper (100): ‘Je moet jezelf kietelen om lol te hebben in het leven’

Jantje Kuiper-Van der Meer is 100 jaar. Hoe kijkt deze geboren en getogen Friezin terug op de eeuw die achter haar ligt?

Jantje Kuiper-Van der Meer heeft het goed voor elkaar. De 100-jarige woont zelfstandig in het Friese dorp Oldeberkoop, met als buurvrouw haar oudste dochter Geppie (75), die elke dag haar lunch en avondeten klaarmaakt, bij nacht en ontij te bellen is en met wie ze vaak de hort op gaat. Dan zet Geppie haar auto pal voor de voordeur, zodat ze zo kan instappen. Bij droog weer maken ze na het avondeten een wandeling samen, en daarna brengt haar dochter haar naar bed en wordt de babyfoon aangezet.

U heeft geluk met zo’n dochter als mantelzorgende buurvrouw.

‘Toen Geppie hier met haar gezin kwam wonen, besloten mijn man en ik het stuk grond ernaast te kopen en er een huis te laten bouwen, met het oog op onze oude dag. We woonden er een jaar en toen ging mijn man de hoek om. Dat is 31 jaar geleden, dus zo lang ben ik al alleen.

‘Ik wil per se thuis blijven wonen. Zolang mijn dochter mij bijstaat, gaat het op rolletjes. Ze doet alles wat ik niet meer kan. Een stukje brood klaarmaken in de ochtend lukt nog wel, en kleine huishoudelijke klusjes, zoals de afwas. Na mijn ontbijt ga ik naar Geppie. We zijn elke dag onderweg, gaan naar markten, winkelcentra of rijden gewoon wat rondjes in haar auto. Om de week komt mijn jongste dochter drie nachten logeren om Geppie af te lossen. Mijn zoon zoekt mij geregeld op in de dagopvang waar ik drie keer per week naartoe ga. Ik heb dus niks te klagen.

‘Ik moet er niet aan denken in een verzorgingshuis te wonen, dan ben je je vrijheid kwijt. Ik ben een oude rakker die niet over zich laat regeren. Als ik gek doe, zegt Geppie: ‘Ik laat je oppakken hoor!’’

Lijkt u meer op uw vader of op uw moeder?

‘Dat durf ik niet te zeggen.’

Haar dochter Geppie, aanwezig bij het interview, durft dat wel: ‘Op je vader. Beppe was heel zacht, pake was pittig – en dat ben jij ook.’

Jantje Kuiper wordt emotioneel als haar moeder ter sprake komt. ‘Ik denk vaak aan haar en mis haar nog steeds. Ze was een schat van een vrouw. Alles wat ik kan, heb ik van haar geleerd: schoonmaken, koken, sokken breien, hemden naaien. Voor elke schoonmaakklus gebruikte je een andere lap, de afwas deed je met een skûteldoek. Er was alleen groene zeep, daar deed je alles mee en dat ging heel goed. Nu vinden ze van alles uit om iets mee schoon te maken, dat is helemaal niet nodig. Als de melkbussen roestig waren, pakte je wat zand en een boender – en maar schuren en rossen totdat de roestvlekken weg waren. Jezelf waste je bij een teil met water dat je buiten had opgepompt. In deze tijd sta je in je blote kont onder de douche, dat was er vroeger niet bij.

‘Mijn moeder leerde mij ook kleding maken. Dan kocht ze een lap flanel en daarvan maakte ik hemden voor mijn broers. Ook breide ik sokken en wollen onderbroeken voor iedereen. Mijn vader droeg een rood baaien hemd onder zijn kleding. Baai is een dikke wollen stof. Als boer werkte hij veel buiten en de winters waren lang en koud. We hadden een boerderij met paarden en twintig koeien, dat was veel in die tijd – we waren een grote jongen.

‘Ik had een zus met wie ik in de bedstee sliep, twee broers en drie halfbroers, zoons uit het eerste huwelijk van mijn vader met een vrouw die jong overleed. Ik was de jongste en ben goed verwend, iedereen was gek met mij en noemde mij poppe.’ (‘baby’ in het Fries, red.). Haar dochter, plagend: ‘Je wordt nog steeds verwend.’

Mocht u zelf kiezen hoe u verder wilde na de lagere school?

‘Daar werd niet over gesproken. Ik ging geruisloos mijn moeder in huis helpen, de huishoudschool of een andere opleiding heb ik niet gedaan. Ik was blij thuis te kunnen blijven, want leren, daar hield ik niet van. Toen mijn zus, die elf jaar ouder was dan ik, haar eerste baby kreeg, ging ik ook haar helpen in het huishouden, en bij elke baby die ze daarna kreeg – het werden er zeven.’

Kreeg u betaald voor al het gepoets?

‘Nee, over geld werd niet gesproken. We stonden klaar voor elkaar, daar ging het om. Ik heb het werk altijd met plezier gedaan. Het heeft mij niks gehinderd.’

Als u in deze tijd jong zou zijn geweest, welk beroep zou u dan hebben gekozen?

‘Dan zou ik een cafeetje zijn begonnen, voor de gezelligheid. Het lijkt mij leuk de hele dag te kunnen ouwehoeren met Piet, Jan en Klaas.’

Vindt u het jammer dat u nooit heeft kunnen doorleren en een eigen inkomen heeft kunnen verdienen?

‘Nee, ik heb een best leven gehad, ik ben tevreden met hoe het is gegaan. Ik heb nooit iets te klagen gehad. Toen mijn kinderen op de lagere school zaten, kwam de vrouw van de timmerman bij mij langs. Ze vroeg of ik haar wilde helpen in de huishouding. Ik had er helemaal geen zin in, maar ik ben het toch gaan doen. Daar kreeg ik een paar centen voor.’

Uw eerste loon voor werk.

‘Daar maalde ik niet om. Geld heeft mij nooit geïnteresseerd. Als gezin hebben we het altijd goed gehad. Toen ik mijn man leerde kennen, was hij melkrijder; met paard en wagen haalde hij melkbussen op bij boerderijen en bracht die naar de zuivelfabriek. Later is hij in die fabriek gaan werken, kaas maken. Tussendoor is hij ook nog kippendokter geweest, dan ging hij boerenbedrijven in Friesland langs waar iets aan de hand was met de kippen. Met de kinderen gingen we elke zomer een dag met de boerenwagen van mijn broer naar Appelscha, dat was onze vakantie en daar waren we tevreden mee.’

Wie was uw beste vriendin?

‘Ik heb veel vriendinnen gehad. Trijntje Koehoorn was mijn eerste vriendin. We leerden elkaar kennen in de eerste klas van de lagere school. In dat jaar kregen we allebei kinderverlamming, ik was 6 jaar. Ik herinner me niet of er nog meer kinderen in onze klas besmet waren. Wel weet ik nog dat ik mij op een avond beroerd en raar voelde, en moest overgeven. Ik dacht dat ik te veel had gegeten, maar de dokter zei dat het kinderverlamming was. Hij kwam elke week langs om mijn pootjes te buigen. Gelukkig knapte ik weer op. Trijntje raakte wel blijvend verlamd. Eén been groeide niet meer en bleef zes jaar, het andere been groeide wel. Omdat ze niet meer kon lopen, lag ze vaak op haar buik.’ (Jantje pakt een kleine zwart-witfoto van de vensterbank naast haar.) ‘Dit is Trijntje, liggend op haar buik in een kar. Ik heb heel wat met haar rondgesjouwd in die kar. Ze was 35 jaar toen ze overleed. Mijn kinderen zijn later gelukkig ingeënt tegen deze nare ziekte.’

Hoe bent u met tegenslagen in uw leven omgegaan?

‘Ik heb geen tegenslagen gehad.’

En de oorlog, het verlies van uw man?

‘Van de oorlog heb ik geen last gehad. Ik heb geen honger geleden, want we verbouwden ons eigen eten: aardappels, rogge, groenten – die maakten we in, zodat we een voorraad hadden voor de winter. Mensen uit de stad kwamen eten bij ons halen.’ (Geëmotioneerd:) ‘De dood van mijn man was een klap, het ging heel snel, hij had iets aan zijn longen. Nadat hij fort was, ben ik gewoon doorgegaan met mijn leven.’ Ze loopt even weg om een ingelijste foto van hem op 24-jarige leeftijd te halen, een lange slanke man met een sympathieke uitstraling, en zegt: ‘Had ik niet een mooi mannetje?’

Waar heeft u hem leren kennen?

‘Op dansles. Ik ging elke week naar café De Dijk in Hoornsterzwaag. Op de weg ernaartoe waren aan weerskanten bosjes, ik was altijd doodsbenauwd als ik daar in mijn eentje fietste, maar Jantje ging wel, want ze wilde dansen; de Weense wals, de foxtrot en quickstep, heerlijk. Op mijn 100ste verjaardag heb ik ook nog gedanst.

‘Op een avond zag ik een jongen in de deuropening staan en dacht: die is leuk. Dat was Franke Kuiper. Bij een dansuitvoering van geheelonthouders, niet lang daarna, gooide ik kersenpitten naar hem, om hem uit te dagen. En ja, na afloop vroeg hij of hij mij op de fiets naar huis mocht brengen. We hebben gepraat en gelopen, elkaar een kusje gegeven en zo is het wat geworden. Voor Franke had ik al wat scharrels gehad, maar hij was de eerste bij wie ik kriebels in mijn buik voelde. Ik was 21 toen we moesten trouwen, omdat ik zwanger bleek. Mijn ouders deden er niet moeilijk over toen ik het vertelde. Ze waren niet streng en ook niet gelovig. In het voorhuis van een boerderij waar we konden wonen, is onze eerste geboren, 79 jaar is hij nu.’

Heeft u met een computer en smartphone leren omgaan?

‘Nee, ik heb nooit behoefte gehad aan een computer, en daar zit ik niet mee. Ik kan alles wat ik weet en dat is genoeg. Met de vaste telefoon kan ik iedereen bereiken die ik ken.’

Wat is uw levensinstelling?

‘Je moet jezelf kietelen om lol te hebben in het leven.’

Voor het begin van dit interview zei u dat u helemaal niets te vertellen heeft.

‘Ik heb niks bijzonders beleefd. Maar als ik eenmaal aan het lullen ben, komt van het een het ander en ouwehoer ik maar door.’

Jantje Kuiper-van der Meer

geboren: 13 december 1923 in Jubbega

woont: zelfstandig, in Oldeberkoop

beroep: huisvrouw

familie: drie kinderen, zes kleinkinderen, negen achterkleinkinderen

weduwe sinds: 1993

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next