Home

Utrechtse hoogleraar onderzoekt hoog in Nepal de veranderende sneeuwval: ‘Je hoort de lawines naar beneden donderen’

Al twaalf jaar lang slaat Walter Immerzeel op 5.000 meter hoog in Nepal zijn tent op om de sneeuw- en regenval te onderzoeken. Dankzij een grote subsidie kan de Utrechtse hoogleraar nog preciezer meten. ‘Het is niet het veiligste werk wat je kunt doen.’

Stel je een sneeuwvlok voor, hoog in de Himalaya, dwarrelend tijdens een windstilte in de moesson. Vlak bij de Tibetaanse grens, op een berghelling drie dagen gaans van het laatste dorp, landt die ene sneeuwvlok bijna geruisloos op een gletsjer op de flanken van de 5.500 meter hoge Yala Peak. Geen gewone berghelling. In de omgeving van Yala Peak, aan het uiteinde van de Langtangvallei in Nepal, staan 218 sensoren, thermometers en camera’s die uur na uur, dag na dag registreren wat er gebeurt op de berg. Waar valt de sneeuw of – op warme dagen – de regen? Hoeveel valt er eigenlijk? Hoe smelten de gletsjers en hoe snel gaat dat? Waar stroomt het smeltwater naartoe?

De hellingen rond Langtang zijn al twaalf jaar het werkgebied van Walter Immerzeel, hoogleraar gebergtehydrologie aan de Universiteit Utrecht. Vier weken per jaar bivakkeert hij met collega’s uit Utrecht en Nepal in een tentenkampje op bijna 5.000 meter hoogte waar hij, naar eigen zeggen, het liefst iedere sneeuwvlok zou volgen, van hoog op de berg tot in de Langtangrivier en liefst nog verder, naar de Ganges en tot aan de Golf van Bengalen.

Vandaar die ruim tweehonderd sensors, die variëren van een soort emmer op een weegschaal (‘Wel een zeer geavanceerde emmer’) tot een stralingsdetector die meet hoeveel achtergrondstraling de sneeuw absorbeert – een slimme manier om het hele jaar door de dikte van het sneeuwdek te kunnen meten.

Dit voorjaar kreeg Immerzeel een grote Europese onderzoekssubsidie, waarmee hij nog nauwkeuriger de invloed van onder meer topografie en veranderend landgebruik op sneeuw- en regenval in het hooggebergte in kaart wil brengen. Die informatie helpt bij het verbeteren van klimaatmodellen, vertelt hij aan tafel in een werkkamer in Utrecht.

U zei eerder: het liefst zou ik iedere sneeuwvlok en iedere waterdruppel willen volgen. Wat leert u door zo gedetailleerd te kijken?

‘Het gaat me natuurlijk óók nog om hoeveel druppels en vlokken er eigenlijk vallen. Daarna kijken we naar hydrologische processen, van hoog in de bergen, op 6.000 of 7.000 meter hoogte, tot diep in het dal. Neerslag, sublimatie – ijs dat door wind en zonnestraling direct overgaat in waterdamp, smeltwater, de afvoer van de rivier, gletsjerafname. Die gegevens gebruiken we om klimaatmodellen te ijken.

‘Modellen voor de Himalaya zijn onzeker over neerslag. Sommige scenario’s voorspellen een neerslagtoename van 20 procent in 2070, andere komen juist tot een afname van 20 procent.’

Maar dan? Uw werkgebied is maar één dal in een enorm berggebied.

‘Uiteindelijk gaat het om het verband tussen klimaat, neerslag en de gletsjer. Binnen dezelfde klimaatzone mag je verwachten dat de relatie tussen bijvoorbeeld temperatuurverandering en afname van de gletsjers hetzelfde blijft.’

Dus een model met meetgegevens uit Langtangvallei is ook bruikbaar in, laten we zeggen, het Khumbugebied, 120 kilometer verderop, aan de voet van Mount Everest?

‘Ja, zeker. Zolang de klimatologische omstandigheden hetzelfde zijn. De gegevens die we hebben, kun je zeker binnen de Himalaya ook op andere plekken gebruiken. Uiteindelijk moet je ook wel dingen modelleren; je kunt niet overal alles meten.’

Op zijn laptop opent Immerzeel een presentatie over het onderzoek waarvoor hij eerder dit jaar een Europese beurs van 2,5 miljoen euro kreeg. ‘Kijk’, zegt hij, terwijl hij een slide met een landkaart van de Himalaya laat zien. ‘Je gaat hier van het Nepalese laagland waar 11 meter neerslag per jaar valt, naar de bergwoestijnen van het Tibetaans Plateau waar ongeveer 100 millimeter valt. Horizontaal is dat een afstand van misschien 400 kilometer, maar je gaat van een van de natste gebieden op aarde naar een van de droogste gebieden.

‘De meeste klimaatmodellen hebben een pixelgrootte van 1 graad – 100 bij 100 kilometer. In dat gebiedje weet je hoeveel neerslag er valt, maar hoe en waar het valt, kan enorm verschillen. Als we niet kunnen inschatten hoeveel neerslag valt op grote hoogte, als we niet weten hoe die neerslag is verdeeld in de tijd en ruimte, en als we niet begrijpen waar de neerslag vandaan komt, dan blijven alle hydrologische studies en alle klimaatmodellen onzeker. Dus eerst moet je dat proberen op te lossen.’

Hoe gaat u dat doen?

‘Een combinatie van veldwerk op grote hoogte, atmosferische modellen en satellietbeelden. Een van de leukste en spannendste dingen die we gaan doen, is het boren van ijskernen op ongeveer 6.000 meter hoogte. Niet alleen in de Himalaya zelf, maar ook in de Pamir, een berggebied met een compleet ander, veel droger klimaatsysteem. Uit de verhouding tussen zware en lichte waterstof- en zuurstofisotopen in het ijs kun je afleiden of een bepaald jaar een zware moesson had.

‘In de Langtangvallei gaan we met een hoge dichtheid neerslagmeters plaatsen, zodat we binnen het stroomgebied heel nauwkeurig zien wat de relatie is tussen hoogte en neerslag, want dat varieert zelfs op kleine schaal vrij sterk. Aan het begin van het dal valt veel meer dan op hoogte.’

Even over uw huidige onderzoeksgebied. De Langtangvallei ligt hemelsbreed 60 kilometer van Kathmandu. U komt aan in Kathmandu en u moet door naar de Langtangvallei. Hoe verloopt die reis?

‘Wij doen die 60 kilometer in een busreis van twaalf uur. Vanaf het hoogste dorp in het dal is het dan nog eens drie dagen lopen naar ons werkgebied.’

Wat voor gebied is het?

‘Het is een mooie, afgesloten vallei. Er zijn een paar kleine dorpjes waar mensen vooral leven van toerisme, maar het is een arm gebied. Voorheen waren het allemaal jakherders.’

U bent er nu twaalf jaar achter elkaar geweest. Ziet u veranderingen?

‘Zeker. Sinds ik in het gebied kom, is de gletsjer waar we werken meer dan een kilometer teruggetrokken en 10 meter minder dik geworden. De aanvoer van ijs vanaf de hoogste top is weggesmolten, dus er komt geen vers ijs meer naar de gletsjertong. Het is eigenlijk geen gletsjer meer, maar een stuk dood ijs dat langzaam wegsmelt.’

Doet dat u wat?

‘Ik heb vooral veel compassie voor de mensen die in het gebied wonen. Zij krijgen nogal wat te verwerken: extreme neerslag, aardverschuivingen, aardbevingen. De Nepalezen zijn heel wat gewend, maar ik heb wel het idee dat de grens bereikt is.’

De Langtangvallei was bij de grote Nepalese aardbeving van april 2015 (magnitude 7,9) een van de zwaarst getroffen gebieden. Een enorme puin- en modderstroom van hoog op de helling vaagde het dorpje Langtang van de aarde. In het dorp was het op dat moment vanwege een religieus feest drukker dan normaal. Vermoedelijk 308 mensen kwamen om het leven. Het plaatsje werd op vrijwel dezelfde plek herbouwd, maar het oorspronkelijke dorp ligt nog altijd begraven onder een dikke laag stenen.

‘De aardbeving heeft me nog wel het meest geraakt’, zegt Immerzeel. ‘Zo’n natuurramp is niet te voorkomen, maar de lawine die volgde, was mede het gevolg van klimaatverandering. De voorgaande moesson was veel vroeger dan normaal en veel zwaarder dan normaal, waardoor op de hellingen boven het dorp een eens-in-de-honderd-jaar pakket sneeuw lag. Dat is door de aardbeving losgekomen en heeft alles op zijn weg meegesleurd.’

Dit soort veranderende omstandigheden maakt uw werk niet zonder gevaar.

‘Klopt. Het is niet het veiligste werk wat je kunt doen. Wij hebben natuurlijk ook te maken met méér neerslag, verhoogd lawinerisico, meer kans op vallende stenen. En dan is er ook nog het gewone, dagelijkse risico van het hooggebergte. Wij hebben weleens iemand met ernstige hoogteziekte moeten afvoeren met een helikopter.

‘Door kou en zuurstofgebrek is het ’s avonds vaak moeilijk om in slaap te vallen. Om je heen hoor je dan de lawines naar beneden donderen. Zeker sinds de aardbeving ben ik daar meer op gespitst. Je hebt in de omgeving jaks die vrij rondlopen. De herders zijn er niet meer, maar de jaks wel. Die denderen ’s nachts langs je tentje heen. Dan voel je de grond schudden en denk je: o shit, aardbeving.

‘Ik denk vooraf bewust na over veiligheid en over het team. Er zijn altijd studenten die denken: o leuk, cool, onderzoek in de Himalaya, mag ik mee? Dat doe ik niet makkelijk, tenzij ik echt vertrouwen heb dat dat goed gaat. Het is natuurlijk moeilijk in te schatten. Als je iemand in Nederland spreekt, weet je niet hoe het op grote hoogte gaat.

‘Los van de risico’s: dit werk is misschien niet voor iedereen weggelegd. De cultuur, het eten, alles is volstrekt anders. En dan zit je ook nog eens vier weken met z’n allen enorm dicht op elkaar. Daar moet je wel tegen kunnen.’

Hoe gaat u daar zelf mee om?

‘Die paar weken veldwerk per jaar houden me ook op gang. In Nederland word je soms een beetje voortgedreven door de waan van de dag. Bij het veldwerk is het duidelijk en overzichtelijk wat je moet doen. Wat dat betreft, is het een soort maandlange retraite. Het geeft je ook ruimte om eens rustig na te denken. Het nieuwe onderzoek dat we nu gaan doen, is ook ontstaan omdat ik daar rondliep en dacht: waarom krijgen we nou nooit eens die neerslagpatronen goed in beeld? De beste ideeën ontstaan als je op de berg bent.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next