Het gebrek aan personeel brengt de Nederlandse economie tot stilstand. Het eerste kwartaal kende zelfs een onverwacht grote krimp van een half procent. Is dat tij nog te keren of moeten we wennen aan ‘stagnatie en achteruitgang’?
Het was nogal een tegenvaller die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vorige week in de tas had: de economische groeicijfers over het eerste kwartaal van dit jaar zijn tijdens een herberekening lager uitgevallen. Was de 0,1 procent krimp die het statistiekbureau eerder dit voorjaar bekendmaakte al weinig reden tot blijdschap, de min 0,5 procent die het nu is mag gerust aanleiding zijn tot chagrijn.
Al bijna twee jaar balanceert de economie op of onder de nullijn. Ze verkeert, bij monde van CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen, in een staat van ‘stagnatie tot lichte achteruitgang’. De belangrijkste remmende factor: het gebrek aan personeel. ‘Met name in de industrie zijn er al een tijd te weinig mensen om het werk uit te voeren’, zegt hij. Daardoor kan er niet worden voldaan aan de internationale vraag naar producten, wat de export raakt.
Dat probleem lijkt ook niet zomaar opgelost: terwijl een recordaantal van 9,8 miljoen mensen aan het werk is, staan er nog altijd 400 duizend vacatures open. En dan moet de grote vergrijzingsgolf nog komen. Als we de economische groei weer willen aanzwengelen, zo stelt Van Mulligen dan ook, zijn er eigenlijk maar twee knoppen om aan te draaien: meer werken óf productiever werken.
Om met die eerste knop te beginnen: een grafiek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) lijkt ruimte te bieden. Want alleen in Duitsland en Denemarken zijn de werkweken korter dan in Nederland. Nederlanders klokten vorig jaar een schamele 1.413 arbeidsuren. Dat zijn er een stuk minder dan de 2.207 die de werklustige Mexicanen maakten en ook veel minder dan in 1970, toen Nederlanders nog meer dan 1.800 uur per jaar aan noeste arbeid leverden.
De oplossing lijkt dus simpel: meer uren werken. We zouden een voorbeeld kunnen nemen aan de Grieken, die afgelopen week een zesdaagse werkweek invoerden. Om de ‘tikkende tijdbom’ van een krimpende beroepsbevolking onschadelijk te maken, mogen werkgevers in de industrie en productie de werkweek nu oprekken tot 48 uur.
Maar zoals wel vaker, is het ook weer niet zó simpel. Weliswaar is er best een grote groep deeltijders die meer uren zou willen werken: 759 duizend Nederlanders in 2021, volgens CBS-cijfers. Maar, zo constateert arbeidseconoom Ronald Dekker van onderzoeksinstituut TNO, er zijn bijna evenveel deeltijders die juist mínder willen gaan werken: 682 duizend.
Bovendien mogen Nederlanders dan weinig uren maken, nergens ter wereld (op IJsland na) werken zo veel mensen als hier: ruim 85 procent van de beroepsbevolking. Dat komt vooral doordat vrouwen afgelopen decennia massaal de arbeidsmarkt zijn opgegaan. Begin deze eeuw werkte 65 procent van de Nederlandse vrouwen, nu is dat 82 procent. ‘Natuurlijk zou je deeltijders kunnen verleiden meer uren te werken’, zegt hoofdeconoom Van Mulligen. ‘Maar dan zullen andere zaken, zoals de zorg voor het gezin of vrijwilligerswerk, er onvermijdelijk bij inschieten.’
Dan is er ook nog de mogelijkheid om ouderen (nog) langer te laten doorwerken of om meer arbeidsmigranten naar Nederland te halen. Maar ook die opties zullen op weinig enthousiasme kunnen rekenen: met 42,5 jaar hebben Nederlanders al de langste loopbaan van Europa en de ongeveer 900 duizend arbeidsmigranten die in Nederland werken, kunnen nu al nauwelijks gehuisvest worden. ’s Lands grootste partij, PVV, is bovendien juist voorstander van een verlaging van de AOW-leeftijd en fel tegenstander van migratie. ‘We zullen het dus van de productiviteit moeten hebben’, concludeert Van Mulligen.
Weliswaar zijn Nederlanders bovengemiddeld productief (de eerdergenoemde Mexicanen zijn dat het minst), maar de groei van die productiviteit is al wel jaren tanende. Vorig jaar werd er zelfs 0,4 procent minder verdiend per gewerkt uur ten opzichte van 2022. Die moeizame productiviteitsgroei is overigens geen puur Nederlands fenomeen, maar een internationaal probleem, ziet hoogleraar economische groei Robert Inklaar van de Rijksuniversiteit Groningen.
Over de precieze oorzaken woedt al jaren een academisch debat. Inklaar: ‘Een van de verklaringen is dat innovatie zeer kostbaar is, en dat het, naarmate je al meer technologische vooruitgang hebt geboekt, steeds moeilijker wordt om nog een volgende stap te zetten.’
Een voorbeeld is de Wet van Moore, de voorspelling uit 1965 dat het aantal transistors op een computerchip dankzij technologische vooruitgang elke twee jaar zal verdubbelen. De Veldhovense chipmachinefabrikant ASML moet tegenwoordig hemel en aarde bewegen, met steeds duurdere en ingewikkeldere technieken, om die wet nog enigszins overeind te kunnen houden.
Een andere factor kan zijn dat er minder concurrentie is dan voorheen. ‘Vooral de grote techbedrijven hebben erg veel marktmacht, en dit zou een nadelig effect kunnen hebben op de groei van de productiviteit.’ Die macht kan namelijk zo groot zijn dat het kleine, innovatieve bedrijven afschrikt om zich op het terrein van de techbedrijven te wagen. Dit zet een rem op de technologische vooruitgang.
Een typisch Nederlandse factor zou dan nog het grote aantal zzp’ers kunnen zijn. Nederland telt inmiddels 1,2 miljoen eenmanszaken. Vanwege het ontbreken van schaalvoordelen zijn die over het algemeen minder productief dan grote bedrijven, weet Inklaar.
Belangrijk is ook de groei van de werkgelegenheid in laagproductieve sectoren, zoals de horeca en distributiecentra. Hierin heeft de lage rentestand een rol gespeeld. Omdat geld lenen vrijwel gratis was, kon ook bedrijvigheid groeien waarvan de toegevoegde waarde op z’n minst werd betwist. Denk bijvoorbeeld aan de flitsbezorgbedrijven die tijdens de pandemie razendsnel opkwamen – en nu ook razendsnel weer ten onder zijn gegaan.
Maar belangrijker dan die lage rente was misschien nog wel de coronasteun van afgelopen jaren. ‘Daardoor zijn waarschijnlijk een hoop zombiebedrijven in leven gehouden die anders failliet waren gegaan’, constateert Inklaar. ‘Hun werknemers zijn daardoor ook in dienst gebleven, terwijl die bij andere, meer productieve bedrijven misschien een grotere bijdrage aan de economie hadden kunnen leveren.’
President Klaas Knot van De Nederlandsche Bank (DNB) zinspeelde er begin dit jaar op dat laagproductieve sectoren die weinig geld opleveren maar wel veel mankracht en ruimte opslorpen, misschien maar moeten verdwijnen uit Nederland. Daarbij noemde hij expliciet de glastuinbouw, slachthuizen en distributiecentra. Als zij weggaan, zou er weer ruimte en arbeidspotentieel vrijkomen voor hoogproductieve sectoren.
TNO-man Dekker kan zich wel vinden in Knots woorden. ‘De groei van het bruto binnenlands product is niet zaligmakend, je moet kijken naar wat de brede welvaart dient’, stelt hij. ‘Activiteiten met allerlei schadelijke effecten, zoals stikstofuitstoot en huisvestingsproblemen voor migranten in de vleesindustrie, zou je kunnen laten krimpen.’
Een andere mogelijkheid voor bedrijfstakken met een lage productiviteit is om te proberen het werk te doen met minder mensen. Door te automatiseren kunnen zij hun productiviteit opschroeven. Consultants van McKinsey brachten onlangs een studie uit naar de rol die technologie kan spelen bij het oplossen van personeelstekorten, en wat bleek: computers en robots zouden 1,1 miljoen banen kunnen ‘vervullen’.
Dat er op het gebied van automatisering nog ruimte is voor verbetering, blijkt wel uit cijfers van de International Federation of Robotics: met 224 robots per 10 duizend werknemers staat Nederland wereldwijd op de dertiende plek, ver achter Duitsland (415 robots) en Korea (1.012). In dat laatste land nemen robots al werk uit handen van zorgmedewerkers, luchthavenpersoneel en gevangenisbewaarders. Op het gemeentehuis van Gumi was zelfs een heuse robot-ambtenaar aan het werk – tot die deze week te pletter viel van een trap.
In de grote Nederlandse dienstensector, zoals de horeca, wordt nog slechts mondjesmaat geëxperimenteerd met robots. Afgelopen decennia was er voor werkgevers minder noodzaak om te automatiseren, omdat er een schier onuitputtelijk reservoir aan mensen voorhanden was, verklaart Dekker. ‘Er waren altijd nog wel vrouwen die meer konden gaan werken, of arbeidsmigranten die naar ons land konden worden gehaald. Nu die bronnen plots lijken te zijn opgedroogd, schrikken werkgevers zich de tandjes.’
Mogelijk keert de wal nu het schip. Het tekort aan personeel, in combinatie met de inflatie, leidde afgelopen anderhalf jaar tot een forse loongolf. Werkgeversorganisatie AWVN waarschuwde dinsdag dat de loonkosten niet meer in verhouding staan tot de productiviteitsgroei en onbetaalbaar dreigen te worden. ‘Als de lonen zo blijven stijgen en de productiviteit achterblijft, laat dat verschil zich voelen in dalende winsten of gestegen prijzen’, zei werkgeversvoorman Raymond Puts in Het Financieele Dagblad.
Het zou kunnen dat de krapte zich zo vanzelf oplost: hogere loonkosten kunnen bedrijven dwingen te automatiseren. En als ze daar niet toe in staat zijn, vallen de bedrijven misschien om, waardoor er alsnog personeel vrijkomt voor productieve sectoren. Het probleem daarbij is alleen wel dat van sommige laagproductieve sectoren, zoals de zorg en het onderwijs, niet zomaar afscheid kan worden genomen.
Moeten we het dan misschien maar gewoon stellen met wat minder economische groei? Dat kan, zegt Van Mulligen. ‘Maar dan zullen we als land wel armer worden.’ Dat is volgens de CBS-econoom problematisch omdat door de vergrijzing de zorgkosten juist zullen blijven toenemen. ‘Dat extra geld zullen we toch ergens mee moeten verdienen. Als dit niet meer lukt, dan gaat het ten koste van het geld dat nu beschikbaar is voor andere sectoren.’
Dat zou uiteindelijk betekenen dat Nederland een beetje aan rijkdom inboet en afglijdt tot het welvaartsniveau van pak ’m beet Portugal of Spanje. Toch landen waar het volgens veel Nederlanders prima toeven is. Maar Van Mulligen vindt dat een ‘luxe-opvatting’. ‘Rijkere Nederlanders kunnen zich wellicht best wat achteruitgang veroorloven, maar dit geldt niet voor de kwetsbaarste mensen. Zij hebben economische groei juist hard nodig.’
Want als de economische koek niet of nauwelijks groeit, wordt alles volgens Van Mulligen een verdelingskwestie. ‘De geschiedenis leert dat juist mensen met een minder sterke economische positie er dan vaak het bekaaidst vanaf komen. En dit heeft dan dikwijls weer allerlei maatschappelijke spanningen tot gevolg. Zo bezien levert een gebrek aan economische groei zelden iets positiefs op.’
Overigens, voegt Van Mulligen daaraan toe: ‘Mensen die vinden dat ze wel genoeg hebben, nodig ik van harte uit om meer belasting te gaan betalen, of de lokale voedselbank te steunen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant