Toen Dick Schoof, debuterend premier, zich donderdagochtend gedwongen voelde om in de grote vergaderzaal van de Tweede Kamer vast te stellen dat een Nederlander die religieuze hoofdbedekking draagt ‘voor mij ook gewoon een mens is’, vroeg ik me af of ze dit nou al die tijd bedoeld hadden met ‘extraparlementair’: dat je weliswaar midden in het parlement staat, maar geen idéé hebt wat je er staat te doen.
Wellicht meende de premier het geruststellend – nee, geen geit of broccoli, niet voor mij althans, en dit is mede namens mevrouw Agema. Hij was tevreden over zijn formulering, misschien had hij er zelfs over nagedacht, want hij herhaalde even later: ‘Ik heb zojuist inderdaad iemand rechtstreeks in de ogen gekeken, niet kil, maar gewoon in de ogen gekeken en gezegd: je bent een mens. Ik denk dus echt dat ik hier heb gestaan als een premier voor alle Nederlanders.’
Sheila Sitalsing is podcastpresentator en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het deed een beetje denken aan een tijd die alweer ver achter ons ligt, een tijd waarin deugdzaam Nederland meende dat het respectvol was te spreken van ‘Turkse mensen’, ‘Joodse mensen’ of ‘Surinaamse mensen’, en wij thuis ‘Zijn er ook Surinaamse honden dan?’ vroegen.
Wat ik me ook afvroeg: of de lange stoet mannen en een enkele vrouw die de weg naar dit krankzinnige moment hebben geplaveid, nog steeds gelooft in de bezwerende kracht van papier. Want dat is hoe mensen die doorgaans niet elke dag verkeren in kringen van omvolkingsdenkers en staatsondermijners hoopten Geert Wilders en diens vazallen in te kapselen: met formuleringen, met procedures en met stapels papier. Door delen van de grondwet over te schrijven en er het kopje ‘Rechtsstaatverklaring’ boven te zetten. Door ter plekke nieuwe bezweringsformules te verzinnen – ‘extraparlementair’, ‘programkabinet’, ‘op afstand’, ‘hoofdlijnenakkoord’. En door te doen alsof papier vanzelf werkelijkheid zou worden, omdat er handtekeningen op zijn gezet. Door te doen alsof afspraak afspraak is, ook met iemand die zich nog nooit aan een afspraak heeft gehouden.
Het waren in de afgelopen weken vooral de aspirant-bewindslieden van NSC die op elke voorzichtig-bezorgde vraag of het wel kan, samenwerken met racisten, ‘Ja maar de rechtsstaatsverklaring!’ joelden. Alle satanische krachten uitgedreven, alle fatsoen hersteld, want: rechtsstaatverklaring.
Sinds het kabinet is geïnstalleerd, is Dick Schoof de enige die nog durft te refereren aan de papieren formules die zich vanzelf zouden materialiseren. Zelfs Omtzigt hoor je er niet meer over. Schoof blijkt omringd te zijn door verbaal incontinente ministers die voor marsorders niet naar hem maar naar hun grote leider kijken; de voorlieden van de coalitiepartijen namens wie hij er zit blijken te beroerd te zijn om het voor hem op te nemen wanneer Wilders hem uitkaffert en beledigt; de bewaking van de ondergrens blijkt te moeten komen van oppositiepolitici als Mirjam Bikker (ChristenUnie), Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA) en Henri Bontenbal (CDA); maar van papier las hij bibberig op: ‘Voor mij is het belangrijk dat iedereen in dit kabinet de rechtsstaatverklaring en het hoofdlijnenakkoord volledig heeft ondertekend.’
Dat zou je naïef kunnen noemen, maar dat zou Schoof tekortdoen. Hij kan bogen op decennialange ervaring op het hoogste niveau in het openbaar bestuur, en hij weet dankzij zijn voormalige werkkringen wat de werkwijze van het rechts-radicalisme is: onvrede en rancune cultiveren, ordentelijk bestuur saboteren, verdeeldheid zaaien, chaos oogsten. Dat hij kennelijk heeft gedacht dat het onder zijn leiding anders zou worden, kan geen naïveteit alléén zijn. Er moet meer hebben gespeeld: zelfoverschatting misschien, ijdelheid wellicht, en bovenal een diepgeworteld geloof in de kracht van papier.
Toen Schoof donderdag sprak over mensen die voor hem gewoon een mens zijn, wist ik het: hij is een kikker. Een kikker die bereid was een schorpioen over het water te helpen, onder voorwaarde dat de schorpioen niet zou steken. Natuurlijk, zei de schorpioen, ik ben gemeen, maar niet gek. Halverwege de overtocht stak de schorpioen toch. Het was nu eenmaal zijn aard.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant