Als je een bepaalde leeftijd bent gepasseerd en je slaapt, dan zie je eruit alsof je dood bent, denk ik als ik in de trein even mijn ogen sluit. Ik weet eigenlijk niet of ik die leeftijd al ben gepasseerd. Laatst hing er bij het zwembad een oude man achterover op een bankje, zijn ogen dicht en mond een klein beetje open. Ik schrok. Zag dan niemand wat hier was gebeurd? Tijdens het zwemmen bleef ik de man in de gaten houden. Ook keek ik naar de mensen om me heen. Niemand zag het. Na een tijdje deed de man zijn ogen weer open.
Als ik mijn ogen weer opendoe rijden we net Rotterdam binnen. Nog bijna vier uur tot Londen. En dan nog vijf dagen tot de uitreiking van de International Booker Prize. Vertaler Sarah Timmer Harvey en ik zijn samen genomineerd voor What I’d Rather Not Think About, de Engelse versie van mijn roman Waar ik liever niet aan denk. Schrijf een toespraak van anderhalve minuut, mailde Adam, de publicity director van mijn Britse uitgeverij Scribe. Voor het geval je wint. Daar had ik helemaal niet meer aan gedacht. Ik had vooral aan kleren gedacht. Ik wil eruitzien alsof ik elk weekend in het Tate Modern op een rode loper sta, alsof ik gewoon op deze shortlist thuishoor.
Als je succes wil hebben moet je leren om tegen je eigen hoofd te kunnen, zei Herman Koch een keer in een interview. Daar denk ik vaak aan wanneer ik voel hoe ik mijn fotohoofd opzet voor een fotograaf. Mijn fotohoofd is een mevrouwenhoofd met een nogal gezapige, gelaten uitdrukking erop. Ik wil hier niet zijn, zegt het. Misschien moet ik mijn wenkbrauwen wat omhoog doen als ik poseer, zei ik laatst tegen mijn man. Dat brengt er wat meer leven in. Mijn man is AI-kunstenaar en vroeger was hij fotograaf. Hij maakte mijn auteursportretten.
Kijk zo, zei ik en deed het voor.
Hij lachte.
Doe maar niet, zei hij.
Als ik win wil ik iets zeggen over de genocide in Gaza, over de medeplichtigheid van de Britse en Nederlandse overheid, over hoe Mark Rutte met zijn internationale carrièreambities over veertigduizend Palestijnse lijken gaat. Het is gênant om een overwinnaarsspeech te schrijven als je die waarschijnlijk toch niet gaat uitspreken. Thank you, schrijf ik op als we Rotterdam uit rijden. Dan sluit ik mijn ogen weer.
Kort na de bekendmaking van de longlist maakte een Amerikaanse student een TikTok-filmpje waarin hij mijn boek kritische vragen stelt. Het boek heeft ogen en een mond en het praat. Waarom vertelde je het verhaal niet chronologisch, vraagt de student geïrriteerd. In het begin beschrijf je de dood van een tweelingbroer en dan duurt het heel lang voordat je iets uitlegt. Het pratende boek doet zijn best de student ervan te overtuigen dat het een plaats op de shortlist verdient, maar die zegt niets en kijkt het boek vorsend aan.
Zelf was ik om onverklaarbare reden zekerder over mijn kansen, de weg naar de shortlist voelde gewoon vrij. Sinds de shortlist voelt de weg naar de prijs afgesloten, ik krijg mijn gedachten niet zo ver, die blijven steken bij de rode loper en het diner voorafgaand aan de uitreiking. Ik hoop dat het eten lekker is. Soms vragen mensen me hoe ik mijn kansen inschat en dan doe ik mijn best om verder te denken dan het eten. Als ik dan antwoord dat ik mezelf niet zie winnen, reageren ze vaak afwerend. Neenee, zeggen ze dan. Dat moet je niet zeggen. Je moet ervan genieten, niet op de zaken vooruitlopen. Of ze zeggen dat ik te bescheiden ben. Maar ik ben helemaal niet bescheiden. En ik loop juist niet op de zaken vooruit.
Misschien is dat niet helemaal waar want soms loop ik wel op de zaken vooruit en dan zou ik niet verbaasd zijn als Jenny Erpenbeck en vertaler Michael Hofmann winnen. Haar roman Kairos is overal een groot succes. Het gaat over de 19-jarige Katharina die een affaire heeft met de 53-jarige schrijver Hans in het Oost-Berlijn van vlak voor de val van de Muur. Ik ben er pas net in begonnen en Erpenbeck schrijft erg goed, al erger ik me wel aan de vele klassieke-muziekmetaforen, iets waar meer schrijvers een voorliefde voor hebben. Als Hans en Katharina voor het eerst seks hebben zet hij het Requiem van Mozart op. Een man van middelbare leeftijd en een tienermeisje in innige omstrengeling met keiharde klassieke muziek erdoorheen. Het heeft iets walgelijks. Onwillekeurig zingt hij de Latijnse tekst mee, schrijft Erpenbeck, terwijl hij met zijn handen voelt dat in elke hand een van haar billen past.
Ik hoop dat ze Hans ook een lul vindt. Dat moet haast wel. Dit is pas bladzijde 21.
Een paar dagen voor de uitreiking presenteren de genomineerden zich aan pers en publiek in het Southbank Centre. Jenny Erpenbeck is er niet. De Braziliaanse genomineerde ook niet, maar de Zweedse, Koreaanse en Argentijnse delegaties zijn er wel. Sarah en ik raken in gesprek met de Zweedse Ia Genberg. Zij blijkt precies zoals ik had verwacht na het lezen van haar roman De details: rustig, observerend, grappig, cool. Ik merk dat ik me uitsloof om indruk op haar te maken. Als ik haar vertel dat je Nederlanders in het buitenland kunt herkennen aan de manier waarop ze in hun skelet hangen, zeg ik niet dat ik dat in een podcast van Aaf Brandt Corstius heb gehoord maar doe ik alsof ik dat zelf heb bedacht. Ik ga er een beetje uitgezakt bijstaan om het voor te doen. Ze lacht. Waaraan herken je Zweden? vraag ik. Aan hun verlegenheid, zegt ze. Als Sarah tegen haar begint over de hoge kwaliteit van de veganistische restaurants in haar woonplaats Woodstock, vertel ik over de schrijfresidentie die ik daar vijftien jaar geleden deed, toen er in mijn schrijvershuis voortdurend potluck dinners werden gehouden waarvoor mensen uit de wijde omtrek met schalen bruine drab aan kwamen zetten. Tafels vol schalen drab in verschillende kleuren bruin. Ik at toen nog vlees, zeg ik snel als ik zie dat Sarah niet lacht. In Nederland liepen we nog heel erg achter.
In het fragment uit Waar ik liever niet aan denk dat Sarah en ik die avond voorlezen, ieder in onze eigen taal, krijgt de hoofdpersoon tijdens een barbecue een worstje aangeboden. Nee dank je, zegt ze. Ik ben vegetariër. Mijn broer was veganist. Hij heeft zichzelf verdronken. Hij ging altijd net iets verder dan ik.
Lees hier meer in NRC Magazine #30
Eigenlijk wilde ik iets voorlezen over anusloze varkens die als proefdieren worden gebruikt om anusloze mensen te genezen. De broer van de hoofdpersoon heeft dat ergens gelezen. Hij weet veel van varkens.
Dat kan ik niet voorlezen, appte Sarah me toen ik dat een paar weken geleden voorstelde. Want er wordt een animatie bij gemaakt en de avond wordt opgenomen. Strikt genomen komen bij dit fragment juist geen anussen in beeld, schreef ik terug, maar uiteindelijk ging ik overstag.
Je moet wél over die anusloze varkens voorlezen, zei een vriendin kort voor ik naar Londen vertrok. Jij bent de schrijver.
Deze vriendin is ook schrijver. We stonden naast elkaar in een zwembad. We droegen zwembrillen met spiegelende glazen waardoor we elkaar niet aan konden kijken. Ze was boos. Ze zei: Als mensen bang zijn om kunst te tonen, uit schaamte of opvoeding of ideologie, dan missen ze een laag van de werkelijkheid. Die vervlakt. Als schrijver heb je een verantwoordelijkheid. Je moet de randen blijven opzoeken zodat de werkelijkheid meer volume krijgt.
Jij bent de schrijver, zei ze nog eens met luide stem voor ze zich afzette tegen de kant en wegzwom. Ik keek haar na en vroeg me af of anusloze varkens onze werkelijkheid meer volume geven. Ik kwam tot de conclusie van wel. Ze had gelijk en toch ging ik niet doen wat ze zei. Het andere fragment was ook goed. En ik kon niet meer terug. Bovendien wilde ik Sarah iets geven. Zij nam een paar jaar geleden het initiatief voor deze vertaling, haar enthousiasme, vertaaltalent en professionaliteit had ons uiteindelijk hier gebracht, ze heeft me altijd bij het vertaalproces betrokken, meestal waren we het eens maar we hebben ook discussies gevoerd waarin ik wél voet bij stuk hield – Natuurlijk deed je dat, jij bent de schrijver, hoor ik mijn vriendin zeggen – en Sarah vindingrijk genoeg was om tot een goeie oplossing te komen. Maar nu zegt ze duidelijk nee.
Ik denk aan die keer dat ik op een avond van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een stuk zou voorlezen over Israël en Gaza en de organisator me van tevoren voorzichtig vroeg of ik een alinea wilde schrappen die sommige Joodse aanwezigen ongemakkelijk zou kunnen maken. Deze avond gaat over verbinding, zei ze. Maar je bent vrij om te doen wat je wil, ik ga je niet censureren. Die alinea heb ik toen niet geschrapt. Maar pas na heel lang aarzelen. Als ik schrijf weet ik heel goed wat ik wil. In het leven weet ik dat niet zo zeker. Dan komen er steeds andere stemmen doorheen.
In interviews zeg ik vaak dat ik bestaansangst heb, dus dat ik bang ben om te leven. Dat klopt, maar ik ben nog banger om niet te leven, om de wereld aan me voorbij te zien trekken. Daarom stap ik over drempels en doe ik dingen die ik eigenlijk niet durf. In de documentaire Dat het goed blijft gaan met mij noemt zangeres S10 niet-leven ‘het grijze gebied’, een plek waar ze echt niet meer naar terug wil. Ze herinnert zich dat ze zich als kind een keer onder de tafel verstopte in een IKEA-tas. Omdat ze rust wilde, maar ze wilde ook gevonden worden. Haar donkerste tijden, haar depressies en gedwongen opname, herinnert ze zich nauwelijks. Is het erg dat ik mijn verleden verdrongen heb, vraagt ze zich af. Dat ik bewust heb besloten om daar niet meer bij te kunnen. Ze schaamde zich voor alles en wilde dat niet meer, dus besloot ze op haar achttiende om zich er toch maar in te gooien, in dat leven, te beginnen met een luchtbedje in zee. Op Ibiza, in haar eentje. Dan kocht ik echt het meest opzichtige bedje dat er was, zegt ze. Dat vond ik heftig om te doen, helemaal niet leuk eigenlijk. En daar ging ik dan op liggen in de zee.
Als ze op het podium van een bomvol AFAS Live ontroerd raakt om waar ze nu staat en de weg die ze heeft afgelegd, huilen duizenden jonge mensen in het publiek met haar mee. Ik ook, van achter mijn laptop, een vrouw van 49.
S10 heeft wél een goed fotohoofd, valt me op. Een glimlachend ondoordringbaar masker. Op het songfestival in Turijn zegt ze steeds tegen journalisten: Het gaat heel goed. Ik geniet. In werkelijkheid is het erg druk in haar hoofd en heeft ze last van angsten.
Met mijn masker houd ik alleen mezelf voor de gek. Dat ik me moeilijk kan pantseren helpt me bij het schrijven maar het wordt lastig op momenten dat ik niet schrijf, maar een schrijver speel. Ik kan niet goed veinzen maar heb ook moeite om mezelf zomaar te laten zien. Het kutste is als je niet durft te zijn wie je bent, zegt S10 tegen haar publiek. Terwijl dat wel mag. Dat mogen we allemaal.
Mensen die ik niet ken tweeten dat ze hopen dat ik win. Bekende boekwinkels in Londen hebben mijn boek prominent in de etalage staan. De Notting Hill Bookshop, vanwege de film nog altijd een trekpleister voor grote groepen toeristen, legde hem zelfs op een bedje van truien – als een koningskroon op een kussen – verwijzend naar de gigantische truienverzameling van mijn hoofdpersoon. Het is misschien niet hetzelfde als een bomvol AFAS Live, toch besef ook ik op dit soort momenten welke weg ik heb afgelegd. En krijg ik zelfs een beetje het gevoel dat ik Nederland vertegenwoordig zoals S10 dat deed in Turijn, maar dan in het klein en zonder televisiecamera’s. Want de tv-reportages en talkshowuitnodigingen die ik aanvankelijk aangeboden kreeg werden allemaal ook weer afgezegd. Dat komt natuurlijk door het niet-mediagenieke imago van literatuur maar ik kan niet nalaten te denken dat het ook een beetje door mijn mevrouwenhoofd komt, dat ze nog moeten leren dat je daar ook goeie tv mee kunt maken, dat het wel door was gegaan als ik jonger was of Tommy had geheten.
In de hotellobby drink ik een glas wijn en lees ik verder in het boek van Jenny Erpenbeck. Ze weet maar al te goed dat Hans een lul is, begrijp ik inmiddels. En de verwijzingen naar opera’s, concerto’s en requiems nemen iets af. Gelukkig, denk ik. En ik denk: Ik ben gelukkig.
Vreemd eigenlijk, zegt mijn man op de dag van de uitreiking. Als je wint mag je huilen maar als je verliest niet. Dan moet je lachen.
Vandaag gaan mijn gedachten wél verder dan het diner. Mijn toespraak is af. Hij is drie minuten lang, het dubbele van wat me was opgedragen. In mijn eentje in mijn hotelkamer heb ik het getimed. Thank you, begon ik en ik schaamde me om de tranen die ik voelde opkomen. Als ik een printje van de tekst bij de receptie ophaal kijk ik de receptionist zo min mogelijk aan zodat ik niet aan haar gezicht hoef te zien dat ze de tekst heeft gelezen. Maar de letters blijken te klein en ik moet haar vragen de tekst iets groter te printen, waarna ze het document opent op haar scherm en me laat weten dat de tekst nu niet meer op een A4’tje past. Gegeneerd kijk ik met haar mee en zeg dan: haal die eerste ‘thank you’ er maar uit.
Die avond op de rode loper probeer ik niet te veel in mijn skelet te hangen. De beelden worden via een livestream uitgezonden. Mijn nichtje appt dat ik net ben geïnterviewd door haar favoriete YouTube-ster. Wie was dat dan? app ik terug. Bij onze tafel aangekomen zie ik dat ik naast de Nederlandse ambassadeur ben neergezet. Ik wilde naast Sarah zitten, maar die zit naast een journalist van The Telegraph die haar vertelt dat hij al weet wie de winnaar is maar het niet mag zeggen. Kairos vond ik een erg goed boek, zegt hij. De ambassadeur stelt me indringende vragen over mijn schrijfproces. Ia Genberg zit aan een tafel verderop en zwaait naar me. Ik krijg zin om te winnen zodat ik over Gaza kan beginnen, over de Palestijnse fotojournalist Motaz Azaiza die op dit moment in Londen is, uitgeput en zwaar getraumatiseerd, in zijn zoveelste poging ons ervan te overtuigen dat Palestijnen ook mensen zijn. Maar Jenny Erpenbeck en Michael Hofmann winnen. Dus ik lach. Jenny ook. Michael huilt een beetje.
Thank you, zeggen ze. Thank you. Thank you.
Jente Posthuma (1974) werkte als journalist voor onder meer NRC en de Volkskrant en debuteerde met Mensen zonder uitstraling (2016, Atlas Contact). Waar ik liever niet aan denk (2020, Uitgeverij Pluim) is haar tweede roman. Haar laatste boek Heks! Heks! Heks! verscheen in 2023 (Pluim).
Source: NRC