Toen hij naar Kenia vertrok om zich in te zetten voor kwetsbare kinderen werd hij thuis in Rotterdam weggezet als salonsocialist. Dat stak hem. Twintig jaar later komt Marnix Huis in ’t Veld terug naar Nederland. ‘Vooral meisjes zijn enorm kwetsbaar in de Keniaanse samenleving.’
Wanneer er midden in de nacht bij geen enkel ziekenhuis een plek op de intensive care te vinden is voor de doodzieke baby die aan hem is toevertrouwd, weet Marnix Huis in ’t Veld dat hem maar een optie rest. Hij stuurt zijn medewerkers met het meisje, een vondelingetje dat aan nierfalen dreigt te bezwijken, met een ambulance naar een privékliniek in Nairobi. ‘Ter plekke moesten ze vierduizend euro afrekenen. Uiteindelijk heb ik 18 duizend euro aan haar uitgegeven. Dat gaat ten koste van andere baby’s, dacht ik. Gelukkig is het goed gekomen. We hebben extra geld voor haar gevonden en ze heeft het overleefd. Maar het geeft wel aan in wat voor voortdurend gevecht ik me bevind.’
Als oprichter van kinderorganisatie Macheo (Dageraad in het Swahili) levert de 49-jarige Huis in ’t Veld die strijd nog altijd, maar het einde komt in zicht. Na twintig jaar Kenia komt hij deze zomer terug naar Nederland, om zijn kinderen de middelbare school ‘in een veiliger omgeving’ te laten doorlopen – ook aan zijn idealisme zitten grenzen. Macheo, dat hij in 2005 met zijn toenmalige vriendin begon, is gegroeid van ‘dertien kinderen in een huurhuis met alleen een huismoeder en een sociaal werker’ naar een volwassen organisatie, met 125 man personeel, een kinderhuis, een babyhuis en allerlei sociale programma’s. Die bereiken jaarlijks 40 duizend kinderen, veelal uit de sloppenwijken. Voor achtduizend van hen is er directe hulp in de vorm van opvang, scholing of gezondheidszorg. ‘Voor hen heeft ons bestaan een groot verschil gemaakt.’
Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
De oorsprong van dit levenswerk ligt in de stage die hij in 1996 in Zuid-Afrika loopt. Als 22-jarige hbo-student personeel en arbeid in Rotterdam werkt hij vijf maanden op een ingenieursbureau in Johannesburg. Met Nelson Mandela als president is er in het land ‘veel hoop, maar ook veel haat’. Van het romantische beeld dat hij zich van tevoren had gevormd (‘een prachtig land dat door wijze, charismatische mannen werd geleid’) blijft ter plekke weinig over: ‘De werkelijkheid bleek rauw, soms gruwelijk. Mensen monteerden vlammenwerpers onder hun auto om aanvallers af te slaan. Uit de sloppenwijk waar ik naast woonde, hoorde ik iedere avond schoten.’ Geboren in een liefdevol, eerst Zeeuws, later Zuid-Hollands gezin, met een vader die als ingenieur bij Rijkswaterstaat werkt en een moeder die voor de drie kinderen zorgt, realiseert hij zich niet alleen hoe bevoorrecht hij is, ‘maar ook dat ik veel zou kunnen betekenen voor mensen die het in de loterij van het leven minder goed hadden getroffen’. Bij terugkeer uit Johannesburg wordt hij aanvankelijk organisatieadviseur.
Hoe beviel dat?
‘Ik kreeg een fijn salaris, een leaseauto en banken stonden klaar met een hypotheek. Mensen die al eerder waren afgestudeerd, hadden een groter appartement en een grotere auto – ik kon dus zien hoe mijn leven zich verder zou ontrollen. Toch ging er iets knagen toen ik door een ongelukje een aantal weken thuiszat, met mijn been in het gips. Ik voelde een zekere leegheid en vroeg me af: wat wil ik nu met mijn leven? Het ergste leek me dat ik op mijn sterfbed zou terugkijken op een leven waar ik me doorheen had geconsumeerd en net zo goed niet had kunnen leiden. Ik wilde iets doen voor veel minder bevoorrechte mensen. Met mijn vriendin ben ik toen in Kenia als vrijwilliger in een kindertehuis gaan werken.’
Hoe reageerde uw omgeving op dat besluit?
‘Met instemming en bewondering, maar ook met zorg, vooral mijn ouders. Ik kreeg ook wel kritiek. Iemand noemde me een salonsocialist, een ander zei dat ik het voor mezelf deed, niet uit altruïsme. Dat stak. Natuurlijk hoopte ik bevrediging uit het werk te halen en wellicht ook een beter zelfbeeld, maar dat was voor mij niet de hoofdreden. Ik zie die kritiek ook als een manier van mensen om zelf niet iets te hoeven betekenen. Het verwijt van salonsocialist raakte me dieper. Want ik wist dat ik altijd op een veilig Nederlands vangnet kon terugvallen, mocht het misgaan.’
Wat trof u in Kenia aan?
‘Dat ik met allerlei slachtoffers van misstanden te maken zou krijgen, zoals vondelingen, slachtoffers van seksueel geweld en extreme armoede, had ik verwacht. Maar in de praktijk bleek het toch veel heftiger. Vooral meisjes zijn enorm kwetsbaar in de Keniaanse samenleving. Ik kwam onvoorstelbare wreedheid tegen – een 9-jarig meisje dat door seksueel geweld van binnen zo kapot was gemaakt dat ze een stoma nodig had. Ze was niet meer dan een zielig hoopje ellende. Gelukkig is het fysiek met haar goed gekomen en heeft ze met hulp van Macheo haar middelbare school kunnen afmaken.
‘Ik ervoer ook hoe verlammend extreme armoede werkt. Mensen kunnen dan niet verder kijken dan de dag van vandaag omdat ze niet weten of ze ’s avonds hun kinderen nog wel te eten kunnen geven. Of omdat ze als vrouw met een dokter naar bed moet voor zorg voor haar kind. Of met haar huurbaas. Buitenstaanders vragen soms: waarom sparen mensen niet zodat ze op tegenslag zijn voorbereid? Maar de geestesgesteldheid van extreem arme mensen is vergelijkbaar met dagenlang niet slapen. Dat gaat ten koste van je vermogen plannen te maken.’
Wat kan uw organisatie dan betekenen?
‘Wat we in eerste instantie kunnen doen is geld geven – een paar duizend shilling, tientjeswerk. Daarmee kunnen vrouwen de huurbaas op afstand houden, een voorraadje voedsel en medicijnen aanleggen en zichzelf wat ruimte geven om te bedenken: wat zou ik willen? Onze sociaal werkers kunnen daarbij helpen. Moeders zonder man proberen we rust en perspectief te bieden. Door hen te steunen, helpen we ook hun kinderen.’
Hoe heeft u het twintig jaar kunnen volhouden?
‘Dankzij de individuele verhalen van mensen met wie het goed is gegaan. Onlangs was ik bij het afstuderen van een jongen die als 9-jarige bij ons was gekomen. Na de dood van zijn moeder was hij in het gezin van zijn tante beland. Die gaf hem en zijn zusje te weinig te eten. Bij binnenkomst bij ons was hij getraumatiseerd, ondervoed en introvert, maar hij bloeide op en begon verantwoordelijkheden op zich te nemen. Nu is hij afgestudeerd als sociaal werker en in staat een liefhebbende echtgenoot en vader te worden. Hij is bij Macheo in dienst gekomen en dus een collega geworden. Dat soort verhalen helpt me wanneer ik dagelijks aan het puinruimen ben: de noodgevallen, het gebrek aan geld, een ontslagprocedure. Dankzij de succesverhalen heb ik het kunnen volhouden. Ik weet zeker dat zonder Macheo het leven van duizenden kinderen veel zwaarder zou zijn geweest.’
Ziet u ook structurele verbeteringen in de voorbije twintig jaar?
‘Zeker! De Keniaanse overheid is zich, samen met Unicef, veel meer met achterstandskinderen gaan bezighouden. De kindersterfte is drastisch verminderd, waardoor de levensverwachting sterk is toegenomen. De gezondheidszorg is verbeterd, bevallen is gratis geworden. De toegang tot onderwijs is enorm toegenomen. In de afgelopen twintig jaar zijn echt grote stappen gezet. Maar het blijft spannend. Door stijgende levenskosten, jeugdwerkloosheid en klimaatverandering verkeert Kenia in zwaar weer. Bovendien moet de overheid bezuinigen, wat directe gevolgen heeft voor de medische zorg van mensen voor wie wij opkomen.
‘Het klimaatprobleem wordt in Kenia aan den lijve gevoeld. Aan de oostkust dreigt verzilting van landbouwgrond door de stijging van de zeespiegel; in het hele land valt er minder regen, waardoor oogsten tegenvallen. De grote vraag is of het lukt de jeugd voldoende perspectief te bieden, nu de bevolking met een miljoen mensen per jaar toeneemt. De gemiddelde leeftijd is 19 jaar. De vraag naar het soort hulp dat wij aan kinderen bieden, is bepaald niet afgenomen, de wachtlijsten zijn lang.’
Hoe bepaalt u aan wie u wel en geen hulp geeft?
‘Wie help je niet? Dat is de meest onderschatte vraag bij ons soort organisaties. Daar moet je helderheid over krijgen, wil je effectief zijn. Wij hebben gekozen voor een focus op twee groepen: kinderen in hun eerste duizend dagen, gerekend vanaf de conceptie, en meisjes in hun puberteit. Die eerste duizend dagen zijn cruciaal. Ervaart de moeder veel stress, dan is de kans groot dat haar kind in zijn verdere leven worstelt met angststoornissen en hechtingsproblemen. Ook zijn de moeders vaak ondervoed. Daarnaast stimuleren we meisjes in de puberteit hun school af te maken en vooral niet zwanger te worden. Ook dat heeft grote effecten op de lange termijn. De keuze voor die twee groepen valt dus goed te verantwoorden, maar het betekent wel dat we bijvoorbeeld niets doen voor jongens in de puberteit.’
Dat is hard.
‘Dat is keihard, want die verdienen natuurlijk net zo goed ondersteuning. Als iemand mij een blanco cheque zou geven, zou ik iedereen helpen, maar dat is niet het geval. De nood is onbeperkt, maar onze middelen zijn dat niet.’
Is de perceptie over u, als witte directeur, in de loop der jaren veranderd?
‘De koloniale discussie heeft ook in Kenia een enorme vlucht genomen. Bij hulporganisaties is de trend shift the power: geef beslissingsbevoegdheid aan mensen uit het Zuiden. Voor mijn opvolging was een witte Nederlander geen optie – niet voor onze Nederlandse donoren en ook niet vanwege de Keniaanse publieke opinie. Ik ben blij dat we een uiterst capabele Keniaanse vrouw hebben gevonden.
‘In al die jaren als directeur heb ik op eieren moeten lopen. De media berichten geregeld over misstanden bij tehuizen die door witte mannen zijn opgericht. Ik had gemakkelijk een gefabriceerde aanklacht tegen me kunnen krijgen. In de afgelopen jaren ben ik door de koloniale discussie nog voorzichtiger geworden. Het risico is wel dat die doorslaat naar: ‘Jij begrijpt het als witte niet en wij hoeven jou niks uit te leggen.’ Dat gaat me te ver. We moeten wel ruimte voor begrip en nuance laten.’
Hoe ziet u uw toekomst?
‘Ik zoek in Nederland werk waarin ik opnieuw betekenisvol kan zijn. Op korte termijn ben ik ook een beetje bang, want ik heb heftige ervaringen meegemaakt. Die kunnen me parten spelen wanneer ik deze zomer in het veilige Nederland terechtkom.’
Waar denkt u aan?
‘In ons babyhuis zijn in de loop der jaren drie baby’s overleden. Dan is er altijd een schuldvraag. Dus moest ik bij hun autopsies aanwezig zijn. Van de beelden die ik daarvan op mijn netvlies heb staan, heb ik wakker gelegen. Ik kan me voorstellen dat die straks gaan terugkomen.
‘Wat mijn toekomst betreft hoop ik verder bij Macheo betrokken te blijven en te mogen meemaken dat de organisatie verder groeit maar tegelijkertijd ook zelfkritisch blijft. Ik weet dat ik dingen beter had kunnen doen. Dat knaagt soms. Voor iedere honderd euro die ik verkeerd heb uitgegeven, had ik een kind van de wachtlijst kunnen halen. Mijn dagelijkse keuzen hadden grote consequenties. Ik had wellicht meer tijd aan fondsenwerving moeten besteden, dan waren we groter geweest. Met onze preventieve programma’s had ik eerder kunnen beginnen, zodat we nog meer kinderen hadden bereikt. Maar ik moet oppassen mezelf met dit soort gedachten niet gek te maken. Mijn opdracht wordt: wees tevreden met wat je hebt bereikt.’
Boektip: Tiger, tiger, Margaux Fragoso
‘Dit is het autobiografische verhaal van een 7-jarig meisje dat geleidelijk door een 51-jarige pedofiel wordt ingepalmd. Ik vond het doodeng: je weet al wat er gaat gebeuren en beleeft het mee door haar ogen. Dit boek heeft mijn motivatie om er voor deze kwetsbare groep te zijn nog aanzienlijk versterkt.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant