Home

Het gloriemoment van identitair, racistisch rechts, kampioen van de verongelijkten en de somewheres

De bordesfoto toonde een in radicaal-rechts gedrenkt kabinet. Een aantal nieuwe bewindslieden belijdt een actief geloof in omvolkingstheorie en racistische denkbeelden in het algemeen. Voor de centrumrechtse bewindslieden op het bordes was het een pijnlijk moment: jouw redelijke gezicht boven je beste plunje draagt bij aan de legitimiteit van hun gedachtegoed. Jouw geloof in redelijkheid en consensus geeft niet af op hen, hun denkbeelden wel op jou.

Over de auteur
Tommy Wieringa is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Hier sta ik, ik kan niet anders…

Gewoonlijk vooral folklore, die foto, nu markeert ze een politiek keerpunt. Het gloriemoment van identitair, racistisch rechts, kampioen van de verongelijkten en de somewheres.

Toen Trump in 2016 de verkiezingen won, klonken naast schrik vooral sussende geluiden. Het zou zo’n vaart niet lopen, zijn cholerische temperament zou heus worden ingetoomd door wetten en instituties.

Bij Wilders’ verkiezingswinst hetzelfde. Na de schrik de geruststelling: hij had daar de mensen helemaal niet voor, regeringsdeelname zou hem vlug ontmaskeren.

Nu is het dan zover. Misschien dat ze de wals uitdansen, misschien dat ze onderweg struikelen, waar het om gaat is het duurzame vacuüm in het midden en de trek naar de uiterst rechtse flank, ook van het leeuwendeel van het VVD-electoraat. Weg van het technocratische midden, weg van de saaie rationaliteit en een mate van redelijkheid, in de armen van wat Peter Sloterdijk woedebankiers noemt, zij die woekeren met de onlust en het ressentiment onder het volk.

Daar de achtergronden van te ontdekken en begrijpen, de keten van gebeurtenissen en ontwikkelingen te analyseren die daartoe leidde, is belangrijker dan de futloze verwachting dat radicaal-rechts de lange adem mist en ongetwijfeld zal falen.

Van historicus en journalist Marijn Kruk verscheen deze week het boek Opstand, waarin hij de opkomst van radicaal-rechts indringend analyseert. Het diepst steken de wortels bij het conservatisme van Edmund Burke en het reactionaire denken van Joseph de Maistre, van praktisch belang voor ons is te weten dat de illiberale contrarevolutie grotendeels een antwoord is op de protestgeneratie van ’68. In uitbreidende zin is het een protest tegen de onzekerheden van de moderniteit, tegen immigratie, flexwerk en flitskapitalisme, tegen de fluïditeit van de huidige wereld in het algemeen, en een terugverlangen naar een eenvoudiger te begrijpen, geromantiseerd verleden, zoals bezongen door Roger Scruton en zijn pupil Thierry Baudet. Het wordt ondergronds gevoed door een sterke angst voor verlies van het eigene, voor volksvervanging zelfs. In deze wereldbeschouwing is men niet tegen vrijheid, ‘maar wel voor ónze vrijheid’, zoals de partijideoloog van de FPÖ Kruk toevertrouwt.

In Oostenrijk trad in 2000 voor het eerst sinds 1945 een rechts-radicale partij tot een Europese regering toe. ‘Temt het centrum de radicale flank of wordt het er juist door verzwolgen?’ vraagt Kruk zich in Wenen af, om te concluderen dat radicaal-rechts vooral zichzelf bestrijdt met voortdurende ophef en een oneindige reeks schandalen, zonder dat daardoor het geloof in de denkbeelden ervan afneemt. Niet in Oostenrijk, niet in Italië, niet in Hongarije en ook niet in de VS. Het carnaval van mislukkingen neemt het electoraat voor lief, en wordt gewoonlijk aan politieke tegenstanders toegeschreven.

Dat is werkelijke normalisering van radicaal-rechts, daartoe hebben we ons te verhouden. Vrij naar Marijn Kruk: het is zinloos om voortdurend te verwijzen naar echo’s van de boze geesten uit het verleden, terwijl we te maken hebben met de boze geesten van nu en in de toekomst.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next