Nederlandse vrouwen blinken vaker uit in olympische zomersporten dan mannen. En die prestatiekloof blijft almaar groeien. In Parijs telt de olympische ploeg, die donderdag wordt gepresenteerd, opnieuw veel meer vrouwen.
Ze zijn met meer, winnen de meeste medailles en brengen de grootste kampioenen voort: de dominantie van vrouwen in de olympische sport in Nederland neemt met elke Zomerspelen toe. In Parijs zal de prestatiekloof verder toenemen. Voor de derde maal op rij bestaat de olympische ploeg voor de Zomerspelen, die op 4 juli wordt gepresenteerd, uit merendeels vrouwen.
Er reizen ongeveer 275 sporters af (inclusief reserves). Hoewel enkele startplaatsen nog niet zijn verdeeld, telt de equipe veel meer vrouwen dan mannen: de huidige stand is 166 om 108. Ze doen ook aan meer sporten mee: 28 om 22.
Nederland behoort met die scheve verhouding tot de uitzonderingen. Mondiaal gezien is zelfs een gelijke verdeling van seksen alleen via een opgelegd quotum te bereiken. Parijs kent de primeur: voor het eerst doen evenveel vrouwen als mannen mee aan de Zomerspelen: 5.250 van elk geslacht.
Met medaillefavorieten als atletes Femke Bol en Sifan Hassan, zwemster Marrit Steenbergen, roeister Karolien Florijn, wielrenster Demi Vollering en tal van andere medaillekandidaten, lijkt het vrijwel zeker dat de Nederlandse vrouwen opnieuw meer plakken veroveren dan de mannen, die wielrenners Mathieu van der Poel en Harrie Lavreysen als boegbeelden hebben. Dat zou dan zijn voor de achtste keer op rij.
Over de auteur
Mark van Driel schrijft al ruim twintig jaar voor de Volkskrant over olympische sporten als tennis, schaatsen en atletiek.
Sinds de Zomerspelen van Atlanta in 1996 scoren de vrouwen structureel beter dan de mannen. Ze veroveren niet alleen meer medailles, ze pakken ook vaker goud: 31 tegen 20 in de laatste zeven edities. Op de ranglijst aller tijden zijn de vrouwen de mannen ook gepasseerd: 77 tegen 72 medailles (Zomer- en Winterspelen).
Dat is ondanks een forse achterstand. Vrouwen zweten niet, was lang de gedachte bij de mannelijke sportbestuurders. Vrouwen mochten vele decennia aan minder disciplines meedoen dan mannen. Dat is zelfs nu nog zo: in Parijs maken mannen in 157 disciplines kans op een medaille, vrouwen in 152. Er zijn 20 gemengde onderdelen.
Voor Parijs heeft sportdatabureau Gracenote een ongekend hoge score voorspeld voor Nederland, met 21 medailles voor de vrouwen, 12 voor de mannen en één voor gemengde teams (4x400 meter). Met 17 maal goud en 34 medailles voorzien de cijferaars voor Nederland een vierde plek in het medailleklassement, achter de Verenigde Staten, China en gastland Frankrijk. Drie jaar geleden in Tokio eindigde Nederland als zevende, tot op heden de hoogste plaats.
In weerwil van de trend denkt Gracenote dat de Nederlandse mannen voor het eerst sinds 1996 meer gouden plakken veroveren dan de vrouwen: negen om acht. Dat zou dan vooral te danken zijn aan baanrenner Harrie Lavreysen, die op drie hoofdprijzen wordt ingeschat. Hij zou pas de tweede man zijn na schaatser Ard Schenk, die driemaal goud veroverde bij één olympisch toernooi.
De vrouwen is dat veel vaker gelukt. Atlete Fanny Blankers-Koen is recordhouder met viermaal goud in 1948. Zwemster Inge de Bruijn, wielrenster Leontien Zijlaard-Van Moorsel en schaatssters Yvonne van Gennip en Irene Schouten wonnen driemaal.
De huidige kracht van de Nederlandse vrouwen is geen toeval. Het hangt samen met het beleid van NOCNSF om vooral geld te steken in sportprogramma’s die medaillekansen opleveren. Hoewel de vrouwen niet expliciet worden voorgetrokken, is de consequentie van die keuze dat ze meer ondersteuning krijgen. Dat uit zich bijvoorbeeld in teamsporten: de vrouwen doen in Parijs mee aan hockey, volleybal, handbal en waterpolo; de mannen alleen aan hockey.
Wat ook meespeelt, zijn de kansen die vrouwen in Nederland krijgen om hun sporttalent te ontwikkelen. Er zijn veel faciliteiten en competities, voor jongens en meisjes. Van jongs af aan maken kinderen kennis met fietsen en zwemmen, historisch gezien de succesvolste olympische sporten voor Nederland. Meisjes en vrouwen hebben ook de vrijheid om zich toe te leggen op sport ,en bijvoorbeeld een huwelijk of het krijgen van kinderen uit te stellen tot na hun 30ste.
In veel landen is topsport niet weggelegd voor vrouwen. Allerlei sociale normen beletten vrouwen in Afrikaanse, Aziatische en Zuid-Amerikaanse staten om die keuze te maken. Terwijl de Nederlandse ploeg meer vrouwen dan mannen telt, vaardigen islamitische landen soms maar één deelneemster af. Het gevolg: de concurrentie onder vrouwen is kleiner dan onder mannen.
‘Als je kijkt naar gelijke kansen voor jongens en meisjes in de sport in Nederland, dan staan we heel hoog in de wereld’, zegt Maurits Hendriks, de voormalig technisch directeur van NOCNSF die besloot extra geld in succesvolle (vrouwen)programma’s te steken. ‘Dat leidt ertoe dat Nederlandse vrouwelijke topsporters een voorsprong hebben. Er zijn erg veel andere landen waar die gelijke toegang er niet is.’
Die harde realiteit hoeft trots over de olympische prestaties van de Nederlandse vrouwen niet in de weg te staan. Aan de top heeft elk land zijn eigen voordelen. Vergeleken met Amerika, China en Frankrijk bereikt Nederland veel met beperkte financiële middelen, ook op prestigieuze disciplines met veel concurrentie.
Zo is het denkbaar dat Nederlandse vrouwen in Parijs de beste zijn op de marathon en de horden, op de borstcrawl en de schoolslag, in de skiff en de zeilboot, op de racefiets en de mountainbike, op de judomat en met de hockeystick. Als dat bij benadering lukt, is het record van zeven gouden medailles (uit 2000) zelfs verbeterd.
Met dit belangrijke verschil. Destijds zorgden slechts drie vrouwen voor die rijke oogst: zwemster Inge de Bruijn, wielrenster Leontien Zijlaard-Van Moorsel en amazone Anky van Grunsven. Nu is de Nederlandse top veel breder. Vrouwen zweten tegenwoordig zoveel ze willen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant