De dag begon veelbelovend.
We waren op tijd uit bed, zodat ik zelfs nog een blik in de krant kon werpen, er was geen enkele schoen of gymtas kwijt, er klonk geen gemekker over boterhammen die verkeerd waren gesneden waardoor ze ineens niet meer lekker smaakten, en nadat we de oudste op school hadden afgeleverd konden de jongste en ik meteen door naar het naargeestige winkelcentrum omdat ik aan boodschappentas, geld en boodschappenlijstje had gedacht.
Zie je, er gaat heus nog wel iets goed in dit kutland, dacht ik, terwijl er een voorzichtig zonnetje doorbrak. We mogen dan de komende paar maanden geregeerd worden door charlatans en meelopers, wij hebben onze zaakjes op orde.
Bij het winkelcentrum was zelfs een parkeerplekje vrij. Als je even niet aan die bordesfoto dacht was het een prima dag. Die rare bordesfoto, waarop iedereen heel ver uit elkaar staat. Waarom? Hebben ze gespiekt bij vorige bordesfoto’s en per ongeluk een coronajaar nagedaan? Al die onbekende, onwennige hoofden met hun officieelste gezicht.
Als iemand zou zeggen: dit is de acteursploeg van de Efteling, dan zou je het geloven – van elke minister is eenvoudig te zien bij welk sprookje hij of zij hoort. Ik zag een prinses en zeker drie Laven.
Bij de bakker haalden we een krakend vers brood en de groenteboer had venkel, die ik natuurlijk meenam zodat ik hem over een week in de groenbak kan mieteren. Keuvelend kochten we een berg stomme grote dure dingen, luiers, billendoekjes, wasmiddel, maar ter compensatie ook een leuke grote dure doos chocolade-ijs.
Ergens tussen winkelcentrum en auto sloeg het noodlot toe. Vanuit het niets werd er een gordijn van regen op ons neergelaten. Boodschappen in de kofferbak, kind in zijn stoeltje, gordel om, klik, missie volbracht – en nonchalant om me heen kijkend gooide ik het portier dicht.
Met het handje van mijn zoon ertussen.
Het was niet plat of door de helft of zo, maar de situatie was toch dramatisch genoeg om paniekerig stomme vragen te stellen. ‘Oooo jongen toch, heb je je pijn gedaan?’
Met grote vochtige ogen keek hij naar zijn handje en daarna naar mij.
‘Nee hoor mama, is niet erg, het gaat wel,’ sprak hij met een klein stemmetje, de trillende onderlip in een glimlach geperst.
Nog sip van de schrik zat hij even later met zijn chocolade-ijsje op de bank. Tien uur ’s ochtends, maar wie houdt zich aan ijstijden als er sprake is van onrecht en verdriet?
En ineens wist ik het.
Die blik na het hand-tussen-de-deurincident was precies die van Willem-Alexander op het bordes.
Ik hoop maar dat ook hij een flinke bak troostijs heeft gekregen. Of twee.
Source: Volkskrant