Home

Zomaar een braakliggend terreintje met wat bloeiend onkruid blijkt in Maastricht een hotspot vol zeldzame bijen

Maastricht mag wel de bijenhoofdstad van Nederland worden genoemd. De zuidelijke ligging, het iets warmere klimaat maar ook het werk van vrijwilligers die perfecte omstandigheden voor wilde bijen creëren dragen daaraan bij. Caspar Janssen fietst met een groepje liefhebbers langs bijenhotspots.

Het is al meteen raak. Bijenexpert Ivo Raemakers heeft na een geroutineerde zwaaibeweging met zijn schepnet de ‘icoonsoort’ voor Maastricht te pakken: de slangenkruidbij. En nu gaat het potje met de bij rond onder de deelnemers van een fietsexcursie langs bijenhotspots in de stad. De slangenkruidbij haalt haar stuifmeel exclusief uit slangenkruid, en laat dat nu net een plant zijn die in het kalk- en hellingrijke Zuid-Limburg van nature groeit. De zeldzame slangenkruidbij kwam tot voor kort zelfs alleen in Zuid-Limburg voor.

Een typische stadsbij ook, kun je zeggen, die baat heeft bij door de mens verstoorde terreinen, zoals bouwgrond. Daar kiemt het slangenkruid makkelijk – in bloei een fraaie, blauwe plant – en vindt de bij al snel nestgelegenheid. Zoals hier dus, op dit terrein van een projectontwikkelaar, waar in afwachting van de bouw stadstuin Greune Luiper is gevestigd.

Over de auteur
Caspar Janssen schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.

De stadsbijen krijgen hier nog een extra steuntje in de rug in de vorm van een zogeheten nestheuvel, een berg gestorte grond, bestaande uit verschillende Zuid-Limburgse grondsoorten (leem, mergel, stol) met veel kale plekken die snel opwarmen. Ideaal voor de nesten van warmteminnende pioniers onder de wilde bijen.

‘Dit is een tijdelijke plek’, zegt Peter Alblas, initiatiefnemer, aanjager en deels ook uitvoerder van het project om verspreid over de stad tien van dit soort bijenhotspots aan te leggen. ‘Die tijdelijkheid is onderdeel van het verhaal. Over twee jaar is deze heuvel weg, maar dan is er, als het goed is, elders weer een braakliggend bouwterrein met een nieuwe heuvel met kale plekken.’

En niet alleen met kale plekken, maar ook met door vrijwilligers afgestoken steilwandjes, die weer extra aantrekkelijk zijn als nestplek voor sommige soorten. Grote delen van de heuvel zijn daarnaast ingezaaid met een gevarieerd mengsel van inheemse planten, en die staan nu in bloei, wat niet alleen een rijk aanbod van stuifmeel en nectar oplevert, maar vooral een kleurrijke aanblik biedt.

Biotoopjes voor mensen

‘Die bloemen zijn bedoeld voor de bijen, maar ook voor de buurtbewoners,’ zegt Alblas. Het project is een initiatief van het Centrum voor Natuur en Milieueducatie (CNME), waar hij werkzaam is, het is nadrukkelijk de bedoeling om omwonenden bij de bijenhotspots te betrekken. ‘Het zijn biotoopjes voor bijen, bloemen en mensen. Ik zeg ook altijd: je mag de bloemen ook plukken, en de heuvel oplopen, kinderen mogen er op spelen. Zo blijven er voldoende kale, warme plekken over voor bijennesten. En als er heel veel wordt geplukt dan redeneer ik: er is blijkbaar vraag naar. Dan zaaien we weer bij.’

Op deze heuvel is er nu wat beheerwerk te doen, het staat er boordevol planten, die het aantal kale plekken beperken. Dus staat een deel van de groep – onder wie een aantal vrijwilligers die betrokken zijn bij het project – even later op de heuvel, en trekt een strook al dan niet uitgebloeide planten uit. Dat voelt wat tegenstrijdig, maar het resultaat is dat een deel van de heuvel even later weer nieuwe nestgelegenheid biedt. ‘Dat is wat we hier vooral toevoegen’, verklaart Raemakers.

De tien bijenhotspots bestaan pas twee jaar, maar vorig jaar al deed Raemakers in opdracht van de gemeente, die het project steunt, een telling van het aantal soorten op de tien minibiotoopjes, plus twee voorlopers ervan. Het resultaat was bepaald spectaculair te noemen: 148 wildebijensoorten, inclusief 39 soorten van de Rode Lijst, wat wil zeggen dat ze in meer of mindere mate bedreigd zijn. Alblas: ‘Dat zijn veel bijensoorten op heel weinig oppervlakte. Sommige van deze biotoopjes zijn niet groter dan twintig vierkante meter.’

Nu is Maastricht toch al de bijenrijkste gemeente van Nederland, zegt Raemakers. In de gemeente, inclusief De Sint-Pietersberg en Het Frontenpark (de oude vestingwerken, nu een natuurpark), komen 240 van de 360 inheemse bijensoorten voor. Ter vergelijking: Amsterdam telt 114 soorten. Maastricht heeft dan ook het nodige mee. De zuidelijke ligging, uiteraard.

Raemakers: ‘Klimatologisch springen we er gunstig uit. Daarbij is er reliëf, dat versterkt het klimatologische aspect nog eens. Er zijn veel warme hellingen.’ Dan is er nog de grote variatie in bodemtypen: droog, nat, kalkrijk, kalkarm, en de aanwezigheid van mergel, het krijtgesteente. ‘Dat levert meer variatie in plantensoorten op, en meer variatie in bijensoorten. En al die bijen hebben ook allemaal een eigen voorkeur voor het bodemtype waarin ze nestelen.’

Wat ook meespeelt, is de ligging van Maastricht in het Maasdal. Raemakers: ‘Soorten migreren graag langs rivieren, dus komen soorten uit het zuiden al snel bij Maastricht het land binnen.’ Maastricht als toegangspoort dus, voor soorten die door klimaatopwarming noordwaarts trekken. En nou ja, om het maar even te onderstrepen, daar vindt Raemakers zo’n typische klimaatprofiteur: de breedbandgroefbij. ‘Deze bij kwam in de jaren negentig nog niet in Nederland voor. Toen werd hij ontdekt rond Maastricht, nu wordt hij al aangetroffen in Noord-Nederland.’

Ondertunneld

We gaan naar Mergelrug De Groene Loper, eigenlijk een voorloper van de bijenbiotoopjes van nu. Hier is de A2 ondertunneld en sinds 2016 in gebruik. Bewoners drongen erop aan om De Groene Loper erbovenop biodivers te maken. Met eerst een tijdelijke strook met wilde, inheemse bloemen op de toekomstige bouwgrond. Later volgde deze honderd meter lange permanente bloemenstrook op met mergel opgehoogde grond.

We bewonderen de gevarieerde bloemenzee in een verder gazongroene omgeving. En de bijen, die van plant naar plant gaan. Hier ligt de laatste mergel die uit de ENCI-groeve is gewonnen,’ zegt Alblas, met trots. ‘Deze mergel, ecologisch goud, dreigde ergens als opvulmateriaal te eindigen, maar wij hebben het uiteindelijk hier kunnen krijgen.’ Op deze permanente bloemenstrook zijn ook een paar plekken kaal gemaakt. De zeldzame kattenkruidbij is hier aangetroffen, de blauwe zandbij is hier gezien, een soort die alleen in Zuid-Limburg voorkomt, en dan in heel lage aantallen. En zo nog een aantal zeldzame soorten.

Voor een bepaalde groep bijen voegen deze stedelijke biotoopjes echt wat toe, zegt Raemakers. ‘Voor soorten die het moeten hebben van kleinschalige, menselijke dynamiek in het landschap, van verstoorde bodems, waar ze in hun korte levenscyclus kunnen nestelen. Dat vonden ze vroeger op akkers, daar vonden ze ook hun voedsel, in de kruiden. Maar stuifmeel is nog maar moeilijk te vinden op het platteland, en de dynamiek is te grootschalig geworden.’

Natuurgebieden vormen geen alternatief, want daar ontbreekt het aan roering van de grond, aan dynamiek, aan pioniervegetaties. Door stikstof groeien natuurgebieden bovendien snel dicht. ‘En’, zegt Raemakers, ‘veel van de soorten die we nu op onze bulten zien, zaten vroeger in de mergelgroeves. Maar die zijn nu gesloten, daar is de dynamiek ook weg.’ En zo is de stad een toevluchtsoord geworden.

Weg voedselaanbod

Niet alles gaat goed. We passeren een andere oorspronkelijke nestheuvel, in een berm bij een op- en afrit naar de A2. Bij het leggen van een buis werd hier vorig jaar slib gedumpt op de bloemrijke vegetatie. Weg voedselaanbod.

En er blijven nog veel kansen liggen, vindt Raemakers. ‘Er zijn zoveel meer plekken in de stad die geschikt zijn voor bloemenstroken en nestplekken voor bijen en andere insecten. Het maaibeheer kan ook beter.’

Alblas: ‘Protocollen en contracten zijn doorgaans niet ingesteld op het ritme van de natuur.’ En hij heeft te maken met veel verschillende partijen op al die verschillende stukjes grond. Dus zo kon het gebeuren dat er een maaimachine verscheen op een braakliggend stuk grond met goede nestgelegenheid. En alle bloemen wegmaaide, op een voor bijen cruciaal moment. ‘Want dat stond nu eenmaal in het contract.’

Zijn tactiek: ‘Mensen erbij betrekken, enthousiasmeren, blijven praten, mensen veren in de kont steken als ze iets bijdragen.’ Zo ook bij buurtbewoners. De volgende nestheuvel ligt in een woonwijk, op een hondenuitlaatveldje. ‘Als zo’n berg grond wordt gestort vinden veel mensen het helemaal niks. Dus komt er meteen een bordje bij met de tekst ‘Maastricht zoemt’, en mijn mailadres. Een bijenhotel ook, wat vooral symbolisch is. De heuveltjes worden ingezaaid, bloemen verschijnen, ik praat met bewoners en schrijf stukjes in buurtkranten. En voor je het weet gaan mensen meehelpen.’

Mozaïek tijdelijke bijenbiotopen

Het eindbeeld dat hem voor ogen staat is een ‘verschuivend mozaïek van tijdelijke bijenbiotopen’ over de stad. ‘Het mooiste zou zijn als er standaard, op iedere nieuwe, braakliggende bouwplaats, meteen een nestheuvel werd aangelegd.’

Terug op de fiets, naar een terrein van de universiteit, waar enthousiaste medewerkers een bloemenweide willen aanleggen rondom de nestheuvel. En, even later, naar een woonwijk waar de kleurrijke nestheuvel erg opvalt op het strak gemaaide grasveld. Aanvankelijk had een van de bewoners Peter Alblas nog gesommeerd om die berg grond voor zijn huis weg te halen, maar inmiddels wordt de bijenheuvel ook hier getolereerd en gewaardeerd.

En dan is er weer opwinding: Raemakers heeft de langsprietdwergwespbij gevonden. Vooral tot vreugde van een van de vrijwilligers, die veel van de lemen steilwandjes heeft afgestoken. Eer van het werk. ‘Dit is toch wel een van de succesnummers van de bijenhotspots’, verklaart Raemakers. ‘Deze bijensoort komt eigenlijk alleen in Zuid-Limburg voor, en dan nog sporadisch. Maar op onze leemkantjes zien we hem overal.’

Levensverwachting: zes weken

Solitaire wilde bijen vliegen hoogstens zes weken, in het volwassen stadium, daarna sterven ze. In die korte tijd paren ze, bouwen de vrouwtjes een nest, en verzamelen ze (vooral) stuifmeel voor hun larven. Stuifmeel bevat veel eiwitten, nodig om te groeien. Veel soorten zijn voor hun stuifmeel gespecialiseerd in een of enkele soorten bloemen. Voor de suikerrijke nectar, hun energiebron kunnen de bijen terecht op veel meer bloemen. Zie ook: bestuivers.nl/wilde-bijen/een-bijenleven

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next