Voor welk orgel moet je echt omrijden als je op vakantie bent, en waar moet je zelfs speciaal naartoe? Van een weelderig barokorgel in Lissabon tot twee historische sensaties in Bologna: de Volkskrant koos de 15 orgels in Europa die u gehoord moet hebben.
De mooiste orgels op aarde? Daarvoor moet je in Nederland zijn. Omdat nog niet iedereen doordrongen was van de schoonheid, maakten we in 2019 de Volkskrant Orgel Top 15. Deze niet-oncontroversiële, doch educatieve wegwijzer kreeg wegens doorslaand succes twee sequels, met een top-45 tot gevolg.
Nu we ervanuit kunnen gaan dat de orgelminnende lezer de lijst inmiddels wel heeft uitgespeeld, is het tijd om voorbij de grens te kijken. Want ook op vakantie kun je op orgels stuiten die zo mooi klinken dat ze hetzelfde gevoel oproepen als bij je eerste verliefdheid, op klinkende tijdmachines die alle luchtmoleculen laten dansen. Wij presenteren u: de Volkskrant Euro-Orgel Top 15.
Over de auteur
Merlijn Kerkhof is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.
Hoe zijn we te werk gegaan? Negen experts (organisten, orgelbouwers en een orgeladviseur – iemand die adviseert bij restauraties), onder wie toporganisten als Ton Koopman, Leo van Doeselaar en Sietze de Vries, werden om een top drie gevraagd. De nummer 1 kreeg drie punten, de nummer 2 twee, de nummer 3 één. Zo rolde er vanzelf een ranglijst uit, die minimaal is bijgesteld.
Nederland is een Bach-minnend land en de barokorgels zijn dominant. Ook Duitsland heeft een hoge toporgeldichtheid. Om te voorkomen dat het een al te Duitse lijst zou worden, hebben we een zaaglijn ingesteld (sorry Berlijn, Stralsund, Naumburg, Rysum en Ostönnen) en hebben we het bij vijf Duitsers gehouden. De staat en het historisch belang speelden een grote rol voor de juryleden, de klank won het van de looks. Gelijk de restaurantgids van Michelin geldt het principe: hoe verder je afdaalt in de lijst, hoe groter de gerechtvaardigde omweg.
Op je vakantie kun je als orgelfanaat op veel moois stuiten. In veel grote steden kun je de grootste kerk overslaan; de kans op juweeltjes is groter aan de kleinere pleinen en in smallere straatjes. Soms tref je het, en staat het mooiste orgel precies op de plek die ook in de toeristenbrochures te vinden is.
Wie naar de Letse hoofdstad Riga gaat, kan niet om de Dom heen – en dus ook niet om het karaktervolle Walckerorgel daar. Met vier toetsenborden, voetpedalen en 6718 pijpen is dit in 1884 opgeleverde instrument ideaal voor het hoogromantische repertoire.
Ben je in de buurt, bezoek dan vooral de San Maurizio al Monastero Maggiore – door toeristenbureaus ook wel geframed als de Sixtijnse Kapel van Milaan. Eeuwenlang namen hier nonnen deel aan de misvieringen, door een muur werden ze gescheiden van de andere gelovigen. Wat moeten ze hebben genoten van het Antegnati-orgel uit 1554, waarvan het grootste deel van het pijpwerk bewaard is gebleven.
‘Het is een buitengewoon fraai geheel van ruimte en orgel’, zegt organist Léon Berben. ‘Het is zo geplaatst dat het een centrale plek inneemt. Het heeft een zeer verfijnde klank.’
Veel muziekliefhebbers denken bij Roskilde aan het grote popfestival dat daar wordt gehouden. Maar laat Roskilde vallen in orgelkringen en je kunt rekenen op verlekkerde blikken. In dit lieflijke centrale stadje op het eiland Sjælland vind je het mooiste orgel van Denemarken.
In 1554 begon de Nederlandse orgelbouwer Herman Raphaelis Rodensteen aan dit orgel, gebruikmakend van ouder materiaal. Het werd een paar keer ingrijpend uitgebreid en omgebouwd om uiteindelijk zijn barokke klankkarakter terug te krijgen. Ga luisteren en kijken: waanzinnig, dat rijkelijk beschilderde houtsnijwerk. Als het avondlicht hier valt: magisch.
Een van de creatiefste bouwers van de 19de eeuw was de Duitser Friedrich Ladegast (1818-1905). Een typisch uiterlijk voor die tijd zie je in zijn meesterwerk dat in Schwerin staat: een neogotisch orgel, heel verticaal, met torenspitsen erop. Maar op basis van klank (oeh, die akoestiek) en lading wint zijn creatie in Merseburg nipt.
In een barokke orgelkas bouwde Ladegast in 1855 een revolutionair instrument, vol grondtoonrijke klankkleuren, van pastel tot schemerduister. Niet voor niets werden op dit instrument revolutionaire stukken van Franz Liszt in première gebracht. Sindsdien zeggen ze in Duitsland: zo in mijn sas met Ladegast.
Ook Spanje is een waar orgelwalhalla. Wie de kerken van bijvoorbeeld Segovia of Toledo bezoekt, denkt nou niet dat Piet Heins verovering van de Zilvervloot echt veel heeft uitgemaakt. Het is allemaal blinkend en klinkend goud.
Vaak staan er meerdere orgels naast of tegenover elkaar te schitteren. Heel typerend voor de Spaanse orgelbouw zijn de horizontale trompetpijpen die als kanonnen de kerk in steken. Ze klinken ook heel specifiek snerpend en contrasteren maximaal met de ‘gewone’ stemmen.
Maar welke Spanjaard klinkt het mooist? Volgens orgelbouwer Johan Zoutendijk is het orgel van het Palacio Real de ongekroonde koning. Het is gemaakt door de 18de-eeuwer Jordi Bosch uit Mallorca. ‘Het orgel is als een laboratorium, een proeftuin, maar dan wel een van uitzonderlijke klasse’, zegt Zoutendijk. ‘Het is moeilijk in een hokje te plaatsen. Wat voor muziek je erop moet spelen, is ook niet evident. Maar muzikaal is het!’
Is dit dan het bestbewaarde geheim van Duitsland? Nou, nu niet meer. In het piepkleine voormalige kloosterplaatsje Grauhof (bij Goslar) vind je een van de beste Bach-orgels in topconditie. Dat wil zeggen: we denken dat het klankbeeld heel erg overeenkomt met wat Johann Sebastian Bach moet hebben gekend. Het is gemaakt door Christoph Treutmann.
Wat een ontzettende baas. Het orgel uit 1737 staat prachtig in al z’n breedte op de galerij. ‘Het heeft prachtige registers waarmee je kunt soleren’, zegt orgelbouwer Sander Booij vol bewondering, ‘en ook al een register dat een strijker nabootst, een viola da gamba. De galm is niet overweldigend – precies goed.’
Een eenheid van de figuren die het balkon ‘dragen’ tot de top: wat een weelderig geheel is dit in de kloosterkerk São Vicente de Fora in Lissabon. Dit barokorgel is een van de favorieten van Ton Koopman. ‘Het is prachtig gerestaureerd’, zegt de organist, dirigent en oudemuziekcoryfee. Johan Zoutendijk heeft er maar één woord voor nodig: ‘Wereldklasse.’
Wie in Praag komt, bezoekt natuurlijk het beroemde plein met het astronomisch uurwerk. Maar stap vooral ook de grote kerk binnen, want daar staat een orgel uit 1673 van de orgelmaker Johann Heinrich Mundt. Wat Jaap Jan Steensma betreft (die voor zijn beroep advies geeft bij orgelrestauraties) is het een van de mooiste orgels ooit.
‘In veel Europese hoofdsteden zijn de orgels in de belangrijkste kerken keer op keer gewijzigd’, legt hij uit. ‘Het updaten van je orgel was een manier om te laten zien en horen dat je cultureel gezien bij de tijd was. Door al die updates zijn de instrumenten soms ver verwijderd geraakt van hun kern – datgene wat ze überhaupt zo uniek maakte. Soms hebben mensen spijt gekregen van al die aanpassingen en hebben daarom een restauratie of reconstructie uitgevoerd om het oude karakter weer terug te brengen.’
Dit alles is in Praag niet aan de orde geweest. ‘In deze belangrijke kerk is het orgel sinds 1673 nauwelijks gewijzigd. Het klinkt daardoor zoals het Tsjechische bier smaakt. Niet luid of opdringerig, niet zwaar en niet zoet, maar bezadigd, oud en tóch bitterfris.’
Poitiers, Toulouse, Albi, of het piepkleine dorpje Houdan (ook een favoriet van Ton Koopman): laat je die plaatsnamen vallen, dan weet de gemiddelde orgelfreak meteen waarover je het hebt. Nog zo’n plaats uit die reeks is Dole, in de Jura.
Wat is er zo bijzonder aan ‘het’ orgel van Dole? De wonderlijke manier waarop de op het eerste gehoor uiteenlopende esthetiek van bouwers uit de 18de en 19de eeuw elkaar aanvullen. ‘De conditie van het orgel is matig, maar de klank van veel registers is ongerept, want het is nog niet gerestaureerd’, verklaart Johan Zoutendijk. ‘In Dole ervaar je de grandeur en het raffinement van zowel het klassieke als het pre-romantische Franse orgel. Een droom van een instrument!’
De beroemdste orgelbouwer van de 19de eeuw luisterde naar de naam Aristide Cavaillé-Coll (1811-1899). Hij benaderde orgels als een ingenieur, dacht in concepten en kwam met vele technische verbeteringen om de orgels makkelijker te laten bespelen. Maar bovenal was hij muzikaal en introduceerde intrigerende stemmen. Hét geluid dat we met de Franse romantiek associëren, komt door hem: componisten als César Franck en Charles-Marie Widor werkten met hem samen.
De registers van zijn orgels moesten met elkaar kunnen mengen zoals de instrumenten in een symfonieorkest. En door verbeterde zwelkasten (denk aan een luik dat met voetpedaal te bedienen is) kreeg de organist veel meer controle over dynamiek.
Parijs staat vol met prachtige orgels van Cavaillé-Coll. Die van de Madeleine, de Trinité en de Notre-Dame, die de brand heeft overleefd, zijn erg mooi. Maar het beroemdste staat in de Saint-Sulpice. Het is een van de favorieten van organist Dorien Schouten. ‘Het ziet er prachtig uit met die klok op de kas.’
En wie was dan de beroemdste orgelmaker in de barok? Arp Schnitger (1648-1719) was verantwoordelijk voor de exuberante Noord-Duitse (en ook Groningse) orgelklank. ‘Schnitger was een multinational’, zegt Ton Koopman. ‘Zijn orgels waren zo goed en gewild dat hij aanvragen kreeg van Rusland tot Portugal. Hij had dan ook een goed georganiseerde werkplaats met veel goed opgeleide knechten, sommige van hen werden zelf beroemde orgelbouwers.’
Zijn meesterwerk in de Jacobikirche, waarvoor hij oud materiaal hergebruikte, heeft een roerige geschiedenis. In de Eerste Wereldoorlog werden frontpijpen eruit gehaald omdat het metaal nodig werd geacht voor de oorlogsindustrie.
In 1942 waren de Hambugers zo verstandig om alle onderdelen die belangrijk zijn voor de klankproductie preventief uit de orgelkas te halen. Met de kerk zouden ook de orgelkas en speeltafel afbranden. In de jaren tachtig werd besloten tot een grondige reconstructie. Wat je ziet is eigentijds, wat je hoort stamt deels uit de 16de eeuw.
Als het aan Léon Berben ligt, is het orgel van Tangermünde (Saksen-Anhalt) het mooiste dat er is. Het is een instrument op het snijvlak van Renaissance en Barok. ‘Het heeft een buitengewoon fraaie orgelkas en originele frontpijpen uit 1624 en is een hoogtepunt van de vroeg-17de-eeuwse orgelkunst.’
Ook Sander Booij is weg van het instrument, dat in middentoonstemming staat: een historisch stemmingssysteem waarbij de belangrijkste tertsen zo zuiver mogelijk zijn en andere samenklanken juist vals kunnen klinken, zodat je echt verschil hoort tussen de toonsoorten. De muziek van Bach kun je er dan ook niet op spelen, maar oudere muziek klinkt des te beter. ‘Alles zit erop en eraan’, zegt Booij. ‘Ik kan hier uren op blijven spelen.’
Nog zo’n orgel waarover liefhebbers niet uitgepraat raken staat in Freiberg, ten zuidwesten van Dresden. Het was het eerste grote instrument van de Saksische, destijds 27-jarige Gottfried Silbermann. Hij schoot meteen raak. ‘Een Meisterstück’ noemt Leo van Doeselaar het. ‘Het is een ideaal orgel voor de werken van Johann Sebastian Bach. De polyfonie komt als vanzelf tot uiting in dit even eigenzinnige als karaktervolle instrument.’ En dan werkt de akoestiek ook nog mee.
Ook Ton Koopman is lyrisch. ‘Het is uniek en heeft ontzettend veel kleur.’ Orgelliefhebbers twisten er soms over of Bach nou beter klinkt op een Silbermann of op een Schnitger. De eerste klinkt net iets milder, de Schnitgers zijn nog wat expressiever. Koopman zit zelf in het midden, zegt hij. ‘De Silbermannorgels zijn over het algemeen minder verknoeid, men is ze altijd mooi blijven vinden.’
Kan een Cavaillé-Coll nog mooier zijn dan in de Saint-Sulpice? Zeker, want met stip op 2 staat het orgel van Rouen. In een historische orgelkas bouwde hij een helder, krachtig instrument; warm en mystiek. Het heeft de grootstedelijke vernieuwingsdrang goed doorstaan. Jaap Jan Steensma: ‘Voor organisten is het mogen spelen in deze kerk zo ongeveer vergelijkbaar met voetballen op Wembley.’
We hebben een winnaar. Een nogal overduidelijke ook. Van de negen ondervraagde experts zetten er vier ‘Bologna’ op de eerste plaats. Maar welke? Zoals vaak in Zuid-Europa staan hier twee orgels tegenover elkaar. Het nieuwe (!) dateert uit 1596, maar het oude, dat zich voor de kijkers rechts bevindt, stamt nog uit 1475. Dit orgel van Lorenzo da Prato beluisteren is een historische sensatie.
Wat een feest. Of zoals Leo van Doeselaar het zegt: ‘Ongehoorde dimensies in gestolde renaissance-klank, maximale poëzie en cantabiliteit.’ Hij weet waarover hij het heeft. Samen met zijn collega en vaste bespeler Liuwe Tamminga maakte hij er in 1994 opnamen: speelde de één op de oude Prato, speelde de ander op de Malamini, die eveneens in middentoonstemming staat.
Het bekroonde album, met muziek van Giovanni Gabrieli, verscheen in 2020. In de recensie stond dat het project een reprise verdiende met publiek. Liuwe Tamminga, de Friese orgelreus die waakte over het klinkend erfgoed van Italië, overleed alleen een jaar later.
Onze tijd op aarde is beperkt. In de meeste gevallen overleeft het orgel ons. En in Bologna kun je dezelfde pijpen beluisteren die Karel V hoorde toen hij er in 1530 tot keizer werd gekroond. Een waanzinnig, levend monument.
Deze lijst is tot stand gekomen met dank aan bijdragen van Léon Berben, Sander Booij, Leo van Doeselaar, Matteo Imbruno, Ton Koopman, Dorien Schouten, Jaap Jan Steensma, Sietze de Vries en Johan Zoutendijk.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant