De weg naar de manege voert langs een flink weiland dat stad en dorp van elkaar scheidt. Boven het wuivende en ruisende riet strekt een hoge hemel zich eindeloos uit. In het laatste stuk van het weiland staan rijen met betonnen kazematten, kleine scherfvrije schuilplaatsen, gebouwd tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Daarna fietsen we door Spaarndam, aan weerszijden ingesloten door water, met zijn oude huisjes langs de smalle hoofdstraat, de ene gevel schilderachtiger dan de ander. Eenmaal het dorp uit gaat de weg verder over een dijk, waar op de helling bruine schapen grazen en mekkeren naar voorbijgangers. Het is een schitterende, toeristische en historische route. Maar het kan mijn dochters geen reet schelen.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Die beppen de gehele weg, toch zeker een minuut of twintig, aan een stuk door. Ze zitten naast elkaar in de bakfiets, op het bankje dat te krap voor ze begint te worden, schouder tegen schouder gedrukt. ‘Gaat hij zo hard als Sproet?’, vraagt de jongste. De wind blaast door haar witte krullen. ‘Ik denk ietsjes harder’, antwoordt haar zus op een toon die laat blijken dat ze serieus over de vraag heeft nagedacht.
Met haar handen doet ze voor hoe het paard waar ze het over heeft, galoppeert. ‘Ja, en die hoeven stampen ook op het zand’, zegt de jongste. Je moet gewoon goed in het zadel blijven zitten, gaat haar zus verder.
Het asfalt glijdt onder ons door. Ze brengen veel tijd met elkaar door, soms te veel. Spelen samen, eten samen, slapen vaak samen in een bed. Regelmatig vliegen ze elkaar ook in de haren. Maar nu praten ze alsof ze elkaar weken niet gezien hebben. ‘Heb jij doorzitten in je les?’, vraagt de oudste. ‘Wat is dat, doorzitten?’, vraagt haar zus. ‘Oh, dat je in draf gaat, maar blijft zitten en niet de sta-zit doet.’
De jongste schudt haar hoofd. ‘Nee, dat heb ik niet.’ En zo gaat het maar door. Ze bespreken de paarden van hun manage zoals voetbalanalisten spelers bespreken. Zo voelt het toch een beetje alsof ik Pierre van Hooijdonk en Rafael van der Vaart in de bakfiets heb zitten.
Voor en na hun lessen mogen ze helpen met klusjes in de stallen. Daar, waar de lucht zo sterk naar paardenpis ruikt dat je hem in stukken kan snijden, verzorgen ze de paarden, borstelen hun vacht, kammen hun manen en scheppen hun poep weg. Het liefst zouden ze er ook blijven slapen, in het hooi, dichtbij Shaoud, Aviva, Sproet, of Trixie. Na een paar uur haal ik ze weer op. We fietsen dezelfde route terug en dezelfde wind blaast door hun haren. Maar nu zijn ze stil.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant