Guido Frick onthulde in juli 1974 dat Johan Cruijff met drank en vrouwen poedelnaakt in het zwembad had verkeerd. De zwembadaffaire was een feit. Vijftig jaar na dato zocht John Schoorl Frick in zijn atelier op het Zwitserse platteland. ‘Ik ben net als de indianen een outsider.’
Omringd door een batterij impressionistische schilderwerken van het soort Rotes boot beim Sandseele en Fischerdorf im Schnee komt Guido Frick (76) met een nogal expressionistische openbaring. Een half jaar na zijn vermaledijde journalistieke ontheiliging van Johan Cruijff daalde er een oppergod ‘of zoiets’ af, en gaf hem een flinke draai om zijn oren.
Nou ja, niet echt natuurlijk, maar wat hem aan onheil trof, beschouwde hij als een flinke afstraffing vanwege die ene publicatie.
Over de auteur
John Schoorl is verslaggever van de Volkskrant. en schrijft over elk denkbaar onderwerp. Hij won meerdere journalistieke prijzen, waaronder De Tegel en de Jip Golsteijn-prijs.
Stomdronken was hij in november 1974 na een feestje in Konstanz in de BMW van een voetballer van FC St. Gallen achter het stuur gekropen. Hij ramde met volle vaart geparkeerde auto’s, om uiteindelijk te crashen tegen een lantaarnpaal. De speler lag bewusteloos in de auto, en Frick zat beklemd.
‘O my god, dacht ik, die jongen gaat dood. Zo vliegt de auto in de brand, we kunnen er niet uit.’
De brandweer wist hen uit de auto te wurmen, levend. ‘Na een half jaar was ik min of meer hersteld, maar viel ik ongelukkig en brak ik mijn been en mijn pols. Door de nodige ellende rond de genezing ben ik er twee jaar tussenuit geweest. Als je zoiets meemaakt, zet dat je aan het denken. Waarom overkomt mij dit nu? Wat is de bedoeling hiervan? Ja, ik kon maar op één discutabel iets uitkomen: Johan Cruijff. Het verhaal dat ik over hem heb gemaakt, in juli dat jaar. Er moest een relatie tussen bestaan. Dit was mijn straf.’
In zijn atelier annex garage, gelegen op het Zwitserse platteland, wordt hij even onderbroken. Bezoekers willen weten wat dat zoal kost, een landschap met ondergaande zon/bomen/water. Zeg maar, een echte Frick.
Met zijn handen in de zakken, de leesbril op de neus, geeft hij uitgebreid uitleg. Om zijn hals en polsen Navajo-sieraden. Hij ziet er pico bello geconserveerd uit als gevorderde zeventiger, flink gebruind, haartjes op orde, alle tanden keurig op een rij. En als zijn tong eenmaal in galop is – om het even in het Duits of Engels – is het nutteloos om de achtervolging in te zetten.
Voor de deur staat een wit busje vol schildersattributen waarmee hij de natuur intrekt. Hij is net terug uit Amerika, waar hij jaarlijks met soortgelijk vervoersmiddel rondreist van Wyoming naar Montana, van Texas naar Californië om workshops te houden, en natuurschoon op het canvas te kwasten. In Amerikaanse galeries wordt hij aangeprezen als ‘een ware kunstenaar van het buitenleven’ en kun je hem gerust boven de bank hangen vanwege zijn ‘oogverblindende reeks heldere pastelkleuren’.
Zelf kan hij snorren als een poesje omdat in het clubgebouw van de golfbaan van Clint Eastwood in het Californische Carmel er twee stillevens van zijn hand hangen, en dat de nicht van Bill Clinton bij hem in Little Rock een schildercursus heeft gedaan. Onvergetelijk vindt hij eveneens dat de Oekraïense kunstenaar Sergei Bongart (1918–1985) zijn leraar was, die hem toevertrouwde: ‘Guido, je bent zeer getalenteerd.’ En wist je dat er een echtpaar uit Liechtenstein al dertig jaar zijn werk verzamelt?
Hmmmm.
Ja, inderdaad. En nu allemaal: BOEIE!
Wat kan het ons allemaal schelen, de kunstzinnige ontwikkeling van een verder onbekende Duitse artiest. Laten we zeggen dat dit de omlijsting is van de ware action painting in deze Frick-show: zijn rol als stokebrand in het oranje-voetbalsprookje van 1974. Want dat is de reden om net over de Duits-Zwitserse grens een heuvelachtig weggetje af te rijden, voorbij een kerk en een oude chocoladefabriek, om hem te treffen.
Dus Guido Frick, voor de draad ermee, hoe zit het nou precies met die zwembadaffaire? Wat is er precies gebeurd? Waarom raakte Johan Cruijff in de finale geen bal meer?
Inmiddels is Frick zijn huis ingelopen, waar alleen de plinten niet zijn bedekt met schilderijen. Hij doet een deur open naar ‘The Indian Room’, waar hij een babymutsje en babymoccasins van de Sioux, zijn favoriete indianenstam, als zijn belangrijkste trofeeën aan de muur heeft hangen. Sinds hij als kind de Winnetou-trilogie van Karl May las, is hij in de ban van de oorspronkelijke bewoners van Amerika. Nee, niet in spirituele zin, maar gewoon: de romantiek. De prairies. De buffalo’s. Hoe ze eruit zien. ‘Nu is de situatie van indianen in Amerika verschrikkelijk’, zegt hij. ‘Ze passen niet goed in de samenleving en gaan zich te buiten aan drugs en drank. Ik ben net als zij ook altijd een outsider geweest.’
Terwijl hij aardbeien- en chocoladetaart klaar zet in de woonkamer, net als koffie, bier, water, whiskey en Aperol, doet Frick gedetailleerd uit de doeken hoe onaangepast hij wel niet door het leven is gemarcheerd. Zijn geknakte schoolloopbaan, mislukte militaire dienst, ongehuwde malheur zonder kinderen, zijn journalistieke knotse-kneuzen-rally en ongewisse artiestendom. Tevens wordt onthuld dat hij graag naar The Beatles, The Byrds en de Moody Blues luistert, en zijn leeslampje aanknipt voor auteurs als Henri Miller, T.C. Boyle en Cormac McCarthy.
Zullen we het er nu maar over gaan hebben, Guido?
Oké, hij was dus in 1974 al vier jaar voetbalverslaggever bij Stuttgarter Nachrichten. Tijdens het wereldkampioenschap moest hij de DDR volgen. ‘Maar toen we in de gaten hadden hoe goed Nederland was, vroeg mijn baas me te switchen naar Oranje. In Hannover had ik ze zien spelen tegen Uruguay. Fantastic! Jullie wisten al hoe goed Johan Cruijff was, maar wij hadden nog nooit zoiets gezien. Hij was als een gazelle, met een paar stappen stak hij het hele veld over. Hij hield alles in de gaten, zette iedereen neer. Ik was sprakeloos: Cruijff was van een andere planeet.’
Op 30 juni 1974, de avond na de Nederlandse overwinning op de DDR, wilde hij inchecken in het hotel van Oranje, Waldhotel Krautkrämer in Hiltrup. Het was al laat. ‘Bij de receptie zeiden ze: ‘We hebben nog een kamer, maar u bent toch geen journalist? Ik wist dat als ik ja zou zeggen, ik geen kamer zou krijgen. Dus zei ik, ik weet niet waarom: ‘Ik ben een Spätzlevertreter aus Stuttgart.’ En ik kreeg de kamer.’
Frick, de zogenaamde pastavertegenwoordiger uit Stuttgart, liep het hotel binnen, hoorde muziek en zag het feestvierende Oranje-kamp. Spelers en officials met ‘whiskey en tralala, alsof ze al wereldkampioen waren’. ‘In de hoek zag ik Johan Cruijff zitten. Wow! Met een vrouw links, een vrouw rechts in de buurt. Wat was hier aan de hand?’
Frick ging naar zijn vertrek op de eerste etage, ook later op de avond hoorde hij muziek, nu uit een kamer verderop. ‘Ik stak mijn neus naar buiten en zag de zoon van de hoteleigenaar met twee flessen drank onder zijn arm. Die zei: ‘Als je niet kunt slapen, kom dan hierheen voor een whiskey.’ Ik kwam daar, en daar was de helft van het Nederlandse voetbalteam. Met sigaren, Cuba Libres. Ook was er een kleine bar, met twee stoelen. Op eentje zat Johan Cruijff, die andere was leeg.
Ik ging zitten en zei: hello. En hij zei hello terug. Ik legde mijn pakje Marlboro op tafel en hij begon flink daarvan te roken, zonder te vragen. Ik hoopte niks verkeerds te zeggen en dat hij niet zou ontdekken wie ik echt was. Ik moest voorzichtig zijn. Dus was het van, hoe voel je je? Wat zijn de kansen? Hij werd wel een beetje achterdochtig: ‘Hé, je bent toch geen journalist?’ Nee, zei ik, ik ben een Spätzlevertrerer aus Stuttgart. Wat is een Spätzle, vroeg Cruijff. Ik zei noedels, Duitse noedels. Om 1 uur zei Cruijff: ‘Laten we naar beneden gaan, naar het zwembad’.’
Over wie er precies een duik namen in ‘Adam-en-Evakostuum’, dat weet Frick ‘ongeveer’: twee Duitse vrouwen bevriend met de ook aanwezige zoon van hoteleigenaar Krautkrämer en zijn verkering, Johan Cruijff ‘en een onbekende Oranje-voetballer’. Auke Kok schrijft in zijn standaardwerk 1974 Wij waren de besten dat er drie spelers, naast Cruijff, in het zwembad aanwezig waren.
‘En dan willen alle journalisten altijd weten: was er in het zwembad seks? Ze hopen dat ik zeg: ja er was seks. Maar… er was geen seks, er was Sekt. De vrouwen zwommen om Johan heen, een beetje flirten. Ik zag alles, dus echt alles, en iedereen was naakt. Er gebeurde niks, absoluut, het was onschuldig gespartel. En opeens was het over, en ging iedereen het zwembad uit en naar zijn kamer. Dat was het hele verhaal.’
‘Klaus!’, zei hij de volgende dag tegen zijn chef. ‘Moet je horen wat mij is overkomen? Ik was op een naakte poolparty met Johan Cruijff.’ Zijn chef meende dat hij dat echt moest opschrijven. ‘Wat moest ik doen? Ik was een serieuze voetbalverslaggever van een betrouwbare krant. Ik voelde me ongemakkelijk. Aan de andere kant, wat zou een Nederlandse journalist doen als hij zo’n feestje met Franz Beckenbauer had meegemaakt? Ik weet het antwoord: schrijven!’
Nadat hij zijn verhaal had ingeleverd, kwam hij in het hotel een collega tegen van Bild. ‘Ik moest het hem vertellen, want Bild weet altijd alles eerder, en nu had ik echt iets nieuws. Hij zei: wij moeten het verhaal hebben.’ In ruil voor 500 Deutsche Mark ging Frick samen met de Bild-verslaggever achter de typemachine zitten. In het papier geramd werden suggestieve typeringen als ‘roodharige onbekende’, ‘diepe blikken’ , ‘tedere omarmingen’ en ‘vlotte meisjes’. Getekend werd met een pseudoniem: ‘Andree Hiller’.
Op 2 juli 1974 kopte Bild op pagina 5: ‘Cruyff, Sekt, nackte Mädchen und ein kühles Bad.’ En in Fricks eigen Stuttgarter Nachrichten: ‘Superstar Johan Lud Zur Nacktparty.’ Een dag later werd Frick persoonlijk nog even uitgewrongen in Bild: ‘Ich war bei der Nacktparty dabei.’
‘Wat heb je geschreven?’, riep Cruijff woedend, toen hij na publicatie Frick in de hotellobby tegenkwam. ‘Gewoon wat er is gebeurd’, antwoordde hij.
Frick werd het hotel uitgestuurd. In het Nederlandse kamp werd het ontklede bezoek aan het zwembad ontkend, en onder Nederlandse persmuskieten heerste het idee dat er sprake was een ‘hetze’ van Duitse zijde, ‘een complot’, ‘koude oorlog’ en van ‘een geregisseerde aanval op Cruijff, op Oranje, op de nationale cultuur, op Nederland’.
De superster hing voortdurend aan de lijn met zijn vrouw Danny, om uitleg te geven. De onvergetelijke ‘zwembadaffaire’ was geboren, met de beste speler uit de Nederlandse voetbalgeschiedenis als speerpunt. ‘Het ergste vond ik dat de Nederlanders mijn integriteit in twijfel trokken. Het was puur correct wat ik schreef. Door alles te ontkennen, maakten ze het toen alleen maar erger dan het was. Het speculeren over wat er nog meer zou zijn gebeurd, nam ongekende vormen aan.’
In de – verloren! – finale tegen West-Duitsland speelde Cruijff ver onder zijn niveau, zag Frick vanaf de perstribune. ’Mijn verhaal heeft Nederland de WK-titel gekost’, zegt Frick onverbiddelijk. ‘Honderd procent! Cruijff was amper zichtbaar op het veld. Ik was echt kwaad, ik wilde dat Nederland zou winnen. Ze hadden het verdiend.’
Er dient nu echt van de taart gegeten te worden, meent Frick, en schenkt nog een koffie in. Op een kast staat een indianenkop die streng zijn kant uit kijkt. Ook hier is hij omsingeld door zijn eigen impressionistische taferelen. Wat opvalt aan alle schilderijen die in zijn huis hangen, is dat er nooit een mens op figureert.
‘Ik ben in het algemeen niet erg tevreden over de mens en zijn mentaliteit’, zegt hij. ‘Dat zag ik al in 1974, en dat is altijd zo gebleven. Mensen zijn opportunistisch; vriendelijk tegen je aan de buitenkant, maar achter je rug zeggen ze de meest verschrikkelijke dingen. Het is precies wat Charles Bukowski schreef over mensen: ‘I feel better when they are not around.’
Frick staat opeens op, om alsmaar door pratend wat in stapels boeken en schilderijen te grasduinen, zonder naar iets specifieks op zoek te zijn. ‘Je moet wel echt die chocoladetaart opeten. Het is een taart waar mensen van dromen.’
Jaren geleden – we schrijven 1997, zijn voormalige target zag Abraham – had Frick ineens de sterke aandrang om middels zijn kunst iets voor Johan Cruijff te doen. Noem het een goedmakertje, een cadeau. Het was in de tijd dat hij vaak op Texel was, waar een vriendin toen een huisje had. ‘Ik dacht regelmatig op Texel: die Hollanders moeten eens weten wie ik ben. Zouden ze me dan slaan of vermoorden?’ Ook in Texel trok hij er schilderend op uit en maakte een stilleven van een boot op de Wadden, Fischtrawler vor Texel. ‘Ik dacht dat schilderij, dat is wat voor Johan.’ Hij gaf het werk mee aan een Nederlandse televisieploeg die bij Frick op bezoek was vanwege de 50ste verjaardag van Cruijff, met het nadrukkelijke verzoek het persoonlijk aan het feestvarken te overhandigen.
Voor zover bekend, is de bonte Texelse garnaalvisser nooit bij Cruijff aangemeerd.
Dat hij telkens, en onverminderd, bij elke herdenking van stal wordt gehaald, beschouwt hij als een gegeven. Hij is als die zanger die altijd maar weer die ene hit moet laten schallen. Hij moet het ermee doen. Mocht hij overlijden en bij de afscheidsceremonie In My Life van The Beatles zal klinken – hij zingt het even voor – weet hij zeker dat zijn scoop uit 1974 de revue passeert. Maar hij hoopt toch ook dat hij nog ietsje meer is geweest, zoals een open mens, geïnteresseerd en nieuwsgierig, best een goeie schrijver en schilder bovendien.
‘Na de dood van Cruijff werd overal het zwembadincident genoemd’, zegt hij. ‘Ik vind het heel erg voor hem dat het verhaal hem tot in zijn graf achtervolgt. En dat zal bij mij ook gebeuren. Het maakt me niet uit. Ik heb nergens spijt van.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant