Home

Als baanbreker boog hoogleraar Humphrey Lamur zich over het slavernijverleden: ‘Wat wit was, was mooi, wat zwart was lelijk’

Als een van de eerste Nederlanders deed emeritus hoogleraar Humphrey Lamur onderzoek naar het slavernijverleden, en als 90-jarige vertelt hij nog altijd de verhalen waar ‘de wereld niet op zit te wachten’. Koloniale kennis is immers een vereiste voor vooruitgang.

Bij hoge uitzondering hees Humphrey Lamur (90) zich vrijdag 21 juni in toga – baret op het hoofd – om zich bij een cortège van (emeritus) hoogleraren te voegen. Lamur wilde ‘absoluut’ aanwezig zijn bij de oratie van Guno Jones als kersverse hoogleraar van de nieuw ingerichte Anton de Kom-leerstoel aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Jones onderzoekt de hedendaagse doorwerking – op sociaal, cultureel en juridisch vlak – van kolonialisme en slavernij. Van die doorwerking gaf Jones in zijn oratie een navrant voorbeeld. Zijn enkele jaren eerder overleden Surinaamse vader zou niet naar zijn oratie zijn gekomen, als hij nog had geleefd. Hij wilde de ingewikkelde visumprocedure die een bezoek aan Nederland voor Surinaamse staatsburgers met zich meebrengt niet langer doorlopen: te vernederend.

Over de auteur
Ianthe Sahadat is journalist bij de Volkskrant met bijzondere aandacht voor cultuur, literatuur en de Surinaamse en Caribische koloniale geschiedenis.

‘Professor Lamur is er ook’, fluisterden bezoekers opgewonden. Telefoons gingen in camerastand omhoog. Voor veel Surinamers en Surinaamse Nederlanders is Lamur een icoon.

Humphrey Ewald Lamur werd in 1933 geboren in Paramaribo. Datzelfde jaar zette het Nederlands koloniaal regime de antikoloniale denker en vrijheidsstrijder Anton de Kom gevangen om hem vervolgens, als oproerkraaier, uit Suriname te verbannen. Pas in 2022 volgde een Nederlands eerherstel.

‘Dit is een belangrijk moment’, zegt Lamur – in gelijke mate imposant en zachtaardig – na afloop over Jones’ oratie, geflankeerd door zijn vrouw Norine Boldewijn Lamur (86). ‘De Kom is ten onrechte verguisd. Hij was een voorloper, een voorbeeld van verzet.’ Hij kijkt de hal rond, vervolgt met zijn keurige dictie: ‘Zelf ben ik nooit activistisch geweest, zo is mijn aard niet. Het doet me goed om de jonge generaties te zien, hun onverzettelijkheid, ze laten zich de mond niet snoeren.’

Lamur kwam na de Tweede Wereldoorlog als tiener naar Nederland voor scholing, een unicum in die tijd. Hij zou het tot hoogleraar schoppen aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in de jaren zeventig de eerste wetenschapper in Nederland was die onderzoek deed naar slavernij in Suriname. En dan niet naar de economische kanten van de trans-Atlantische mensenhandel en het plantagesysteem, maar naar het dagelijkse leven op de plantages van tot slaafgemaakten. Al zegt hij zelf over zijn onderzoek: ‘Er waren ook anderen hoor.’ Dan, strenger: ‘Maar veel belangstelling was er niet. Ook in Suriname niet.’

Enkele weken eerder ontvangt Lamur thuis in Amstelveen. Het echtpaar opent gezamenlijk de voordeur: twee paar nieuwsgierige ogen en een synchroon uitgesproken ‘welkom’.

De bijzonder kwiek ogende Lamur wijst direct richting zijn werkkamer aan de voorzijde van de woning. Ook als hij niet werkt, is dit zijn vaste stek in huis, omringd door oude foto’s, stapels dossiers en planken vol deels zelfgeschreven boeken.

De afgelopen decennia is er veel veranderd op het terrein van onderzoek naar, en interesse in het koloniale en slavernijverleden. Zowel de premier als de koning heeft recent excuses aangeboden voor de historische wandaden van hun voorgangers. Hoe beziet u deze ontwikkelingen?

‘Slavernij is een ‘gewoon’ onderwerp geworden. Ik vind het goed dat erover gesproken en geschreven wordt, al vrees ik dat er nog steeds veel Nederlanders zijn die er weinig van weten. En we praten wel over slavernij, maar niet genoeg over de gevolgen ervan in Suriname. Want de hele structuur van de Surinaamse samenleving komt voort uit het kolonialisme.

‘Na de door Mark Rutte geplaatste komma hebben we niets meer gemerkt. De slaven zijn nooit betaald, ziet u. Ik ben voorstander van een fonds ter compensatie van de onbetaalde arbeid. Een deel van dat geld is voor arme Surinamers, de rest gaat naar educatie en onderzoek. Onderzoek naar intergenerationeel trauma, in de Afro-Surinaamse gemeenschap, maar ook onder nazaten van contractarbeiders. Neem bijvoorbeeld de onderlinge rivaliteit en familiesamenstellingen in de Afro-Surinaamse gemeenschap, die voortkomen uit de inprenting van koloniale en raciale denkbeelden. Dit moet goed onderzocht worden, want het remt de vooruitgang. Pas als we dat hebben ontleed, kunnen mensen hun ingebouwde minderwaardigheidscomplex kwijtraken.’

U doet nog altijd onderzoek?

‘Mijn vrouw wilde dat ik stopte toen ik 80 werd, daar had ik moeite mee. Nu ik 90 ben, wil ik zelf ook niet meer. Er komt nog één boek, over plantage Berg en Dal, dan is het klaar. Mijn geheugen werkt minder goed, ik vergeet namen. Dat vind ik niet leuk, dus ik wil niet meer.’

Het echtpaar Lamur is een hechte entiteit, vrijwel alles doen ze samen, van de wekelijkse boodschappen tot jarenlang wetenschappelijk onderzoekswerk. Zit Lamur achter zijn computer, dan zit Boldewijn, die werkte op een histologisch laboratorium en rechten studeerde, vlak bij hem achter die van haar. Ze delen de werkkamer. Ook bij de oratie van Guno Jones flankeerde ze haar man. Als een twee-eenheid bewogen ze zich na afloop door de hal waar de borrel plaatsvond en de schalen warme pasteitjes rondgingen.

Samen leerden ze, op de mulo in Suriname, en later in Nederland, Sütterlin-Duits, om de oude geschriften van Duitse zendelingen van de Evangelische Broedergemeente (EBG) te kunnen ontcijferen. De notities van deze in Suriname actieve broeders over het dagelijkse leven van slaafgemaakten waren een belangrijke bron.

De eerste twintig minuten van het gesprek blijft Lamur in het midden van de werkkamer staan. De handen klaar om een boek van een plank te grijpen. ‘Dit was mijn eerste onderzoek op het gebied van slavernij, naar plantage Vossenburg. Daar was mijn vrouw ook bij betrokken. Maar ze wilde haar naam nooit vermeld.’ Met een korte blik richting keuken, waar zijn echtgenote koffie en thee zet: ‘Ik zal u vertellen, in het laatste boek zal mijn vrouw als hoofdauteur staan.’ Fluistertoon: ‘Van haar hoeft het niet zo nodig, maar ik vind het mooi.’

‘Wij Lamurs zijn zeer teruggetrokken mensen. Altijd al geweest. Als jongetje op school was ik leergierig, maar zeer verlegen’, zegt Lamur. ‘Ik zei nooit veel, was liever op de achtergrond. Dat is lang doorgegaan, hoor. Ook in Nederland.’

Zijn eerste artikel over slavernij, na zijn promotie in 1973, werd door het Nederlandse wetenschappelijk tijdschrift OSO (hét blad voor Surinaamse geschiedenis) afgeserveerd, want: ‘niet relevant’. Lamur: ‘Dat stelde mij teleur, maar mijn instelling is: ik geef niet op.’ Pas na meerdere publicaties in de VS, kwam de interesse in Nederland op gang.

Tot die tijd wist u zelf ook vrijwel niets over slavernij, heb ik begrepen. U wist niet eens dat uw eigen overgrootmoeder, Eliza Lamur, als kind een slaafgemaakte was geweest.

‘Mijn overgrootmoeder woonde bij mijn opa en oma, wij zagen haar vaak. Ze overleed toen ik 12 was. In die tijd kenden mijn broers en ik de woorden slaaf, slavin en slavernij helemaal niet. Niemand sprak erover. Thuis niet, op school niet. Daar ging het in de les alleen over Nederland. De meester zei altijd: jullie zijn Hollandse kinderen. Als je per ongeluk ‘de’ koningin zei, corrigeerde de meester je: ‘onze’ koningin. Nu zie ik hoe vreemd het is, maar toen was het normaal. Suriname was Nederland.

‘Mijn overgrootmoeder mopperde vaak op mijn broers en mij als we voetbalden op het erf. Ik moest al werken toen ik zo jong was als jullie, zei ze. Eenmaal maakte ze een opmerking: ik ben een werkslavin geweest. Wij hadden geen idee wat dat was, maar haar opmerking is me bijgebleven. Wat bedoelde ze? Als student in Nederland ben ik gaan zoeken. Ik wist waar ze was opgegroeid, op suikerrietplantage Alliance. In archiefstukken vond ik haar naam: Eliza Francina Lamur, 7 jaar oud, ‘werkcreool’. Dat was een schok. Ik vond ook de namen van haar moeder, oma en meer familieleden. Allemaal waren ze slaven geweest.’

Aan de wand van zijn werkkamer hangt een foto van zijn overgrootmoeder, in traditionele Surinaamse vrouwenkleding, een koto (jurk) en angisa (hoofddoek). ‘Mijn opa Lamur was kleermaker’, zegt Lamur. ‘Mijn vader werd onderwijzer. Dankzij hun harde werk kon ik doorleren. Ik voel me bevoorrecht, maar wat hebben mijn voorouders gehad?’

U bent opgegroeid in het koloniale Suriname van de jaren dertig en veertig, in een raciaal gesegregeerde samenleving, waarin gold: hoe lichter je huidskleur, hoe meer kansen in de maatschappij. Wat herinnert u zich daar nog van, zoveel jaar later?

‘Mijn twee broers en ik hebben een zeer beschermde jeugd gehad. We zijn in zekere zin door onze ouders buiten de maatschappij gehouden. Het klinkt u wellicht vreemd in de oren, maar ik had geen kennis van racisme. Pas later, in Nederland, kwam ik erachter hoe de verhoudingen in Suriname lagen. Dat alles wat wit en Europees was, mooi heette, en alles wat zwart en Surinaams was, lelijk. Het schokte mij, want wij kenden dat niet.’

Dat klinkt bijna wereldvreemd.

‘Dat was ik ook. Al ben ik dat pas veel later gaan inzien. Wij speelden toen we jong waren zelden met andere kinderen en alleen op ons eigen erf. Ik mocht niet op straat spelen.’

Maar u ging toch naar school, kreeg u daar dan niets mee van de verhoudingen in de samenleving?

‘Ik hoorde natuurlijk wel dingen, maar ik kon het vaak niet plaatsen. Ik herinner me dat ik mijn moeder eens vroeg wat ‘goed haar’ was. Dat mensen opgroeiden met een hekel aan hun eigen kroeshaar, ontdekte ik later pas. Ik had geen idee dat er mensen waren die mijn soort haar lelijk vonden.

‘Het zijn zaken waar ik de laatste jaren veel over heb nagedacht. Ik heb vaak de vraag gekregen wat ik aan discriminatie en racisme heb meegemaakt en dat vind ik ontzettend ingewikkeld om te beantwoorden, want ik heb daar nooit oog voor gehad. Ik besef dat ik als Surinaams jongetje uit die tijd een uitzondering ben geweest, want de hele samenleving was op raciale ongelijkheid gebaseerd. Ik mocht niet participeren in die samenleving, dus ik heb zo nooit geleefd.’

Heeft u hier later ooit met uw ouders of broers over gesproken?

‘Ik ben pas de laatste jaren gaan inzien hoeveel invloed onze beschermde jeugd op ons wereldbeeld en zelfbeeld heeft gehad. Mijn moeder hamerde op ons onderwijs, maar nu vraag ik me af of zij soms doorhad hoe schadelijk die gesegregeerde samenleving was. Ik zou het haar graag vragen, maar daarvoor is het helaas te laat. Mijn ouders zijn overleden. Mijn broers, Carlo en Armand, ook.

‘Ik zou mijn ouders willen bedanken: mijn onwetendheid op dit terrein heeft me ver gebracht. Laatst had ik een interview met De Groene Amsterdammer. De interviewer geloofde niet dat ik me als enige zwarte jongetje op een witte school, in Amsterdam-Zuid, nooit gediscrimineerd heb gevoeld. Haar vraag zette me aan het denken, nu wil ik oude klasgenoten traceren, om hen te vragen hoe ze mij zagen. Maar ik denk dat u de spijker op zijn kop slaat. Ik was alleen geïnteresseerd in mijn onderwijs en had geen besef van de mogelijkheid dat mensen mij minder zouden kunnen vinden vanwege mijn huidskleur.

‘De hospita bij wie wij inwoonden was geen prettige vrouw. Zij zei veel nare dingen over Suriname, die ik nu racistisch zou noemen, maar toen simpelweg onaardig.’

Het bekendst is Lamur misschien wel buiten de academische wereld, door een project dat hij na zijn pensioen – wederom met zijn vrouw – afrondde: een overzichtswerk met daarin alle namen en familieverbanden van de 35 duizend mensen die bij de afschaffing van de slavernij in 1863 in Suriname vrijkwamen. Bijna vier jaar kostte de monnikenklus. Lamur: ‘We werkten twaalf uur per dag. Als ik ’s avonds zei dat ik wilde slapen, keek mijn vrouw me streng aan: waarom, we zijn toch niet klaar, of wel? We lijken daarin op elkaar.’

Jarenlang was het boek van Lamur de enige plek waar mensen konden vinden op welke plantage hun voorouders hadden geleefd en gewerkt. De afgelopen jaren worden er steeds meer archieven met namen van voor 1863 ontsloten, sinds 2019 zijn deze zogeheten emancipatieregisters digitaal doorzoekbaar.

Tijdens zijn studie had Lamur, die nooit een groot sociaal netwerk heeft gehad, met een van zijn medestudenten een speciale band. Het was de joodse Gerhard Durlacher (de vader van schrijver Jessica Durlacher, red.). ‘Gerhard was in de oorlog met zijn ouders naar Duitsland gedeporteerd. Hij was onmiddellijk van zijn vader gescheiden. Het laatste dat hij zich van zijn moeder kon herinneren was hoe ze van hem werd weggesleept door een Duitse militair in het kamp. Gerhard klampte zich aan haar vast, maar kreeg een trap met een laars in zijn gezicht en raakte buiten bewustzijn. Hij heeft zijn moeder nooit meer gezien. Hij keerde in zijn eentje terug uit Duitsland, zijn hele familie was vermoord. Zijn ouderlijk huis was door Nederlanders ingepikt. Jaren later, ik was al hoogleraar, vertelde Gerhard dat hij dit voor het eerst aan mij had verteld indertijd. Ik vroeg waarom. Omdat je luisterde, antwoordde hij. Snapt u mij?’

Op verhalen over slavernij zat ook niemand te wachten, bedoelt u?

‘Slavernij en de Holocaust zijn andere dingen, maar wat overeenkomt: niemand wilde onze verhalen horen. Gerhard keerde uit die oorlog terug, zijn huis was ingepikt door Nederlanders die zeiden: ophoepelen jij. Mijn indruk is dat Joden in Nederland tijdens de oorlog niet voldoende zijn beschermd. In die tijd wist ik nog niet eens dat mijn overgrootmoeder een slavin was geweest, maar ik voelde een verbondenheid: wij dragen verhalen mee waar de wereld niet op zit te wachten.’

Veel mensen hebben zich verzet tegen de komst van Kamervoorzitter Martin Bosma bij de landelijke herdenking van de afschaffing van slavernij. Hoe denkt u daarover?

‘Ik zou daar niet willen zijn, in zijn aanwezigheid. Zijn uitspraken zijn schadelijk voor zwarte mensen, hij erkent de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden niet. Ik ben vaak bij de herdenking in het Oosterpark geweest, maar het is me een beetje te druk, dus ik ga niet meer. Voor mij is de herdenking vooral belangrijk als publieke erkenning van aangedaan leed en de traumatische doorwerking ervan. De politieke situatie in Nederland baart me zorgen. Ik houd hoop, ik weet dat er genoeg Nederlanders zijn die de groepering van meneer Wilders verwerpen.’

Hugh Wright

De Schot Hugh Wright verplaatste zich na de afschaffing van de slavernij in de Engelse koloniën (1834) naar Suriname, waar slavernij nog wel was toegestaan. Hij was de eigenaar van de overgrootmoeder van Humphrey Lamur, Eliza. Wright bezat meerdere plantages. Bij de afschaffing in 1863 ontving hij ruim 500 duizend gulden van de Nederlandse overheid, als ‘compensatie’ voor de ruim 1.700 slaafgemaakten die vrijkwamen. Zij kregen niets.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next