Weinig mensen zullen het eerste debat tussen president Biden en uitdager Trump gemist hebben. Het werd een ongekend pijnlijke vertoning, waarbij op sommige momenten zelfs het onmens Trump medelijden met de wankele Biden leek te hebben. Dat maakt het allemaal nóg erger: Trump leek redelijker dan ooit, maar hij is nog altijd een liegende crimineel, die nog van een Democratische kamerplant zou moeten verliezen.
Toch lijkt het mij verstandig Biden te vervangen en een jongere kandidaat naar voren te schuiven. De aandacht zal dan vooral naar de nieuwe kandidaat gaan en zonder de schijnwerpers zal Trump verpieteren als een oud spook uit vervlogen tijden. Tegelijkertijd schijnen er allerlei rationele en praktische argumenten te zijn om Biden niet te vervangen, maar het lijkt mij dat je mensen niet moet vertellen dat ze niet hebben gezien wat ze zojuist gezien hebben. Al ben ik natuurlijk geen Amerika-kenner, en aangezien dat een buitengewoon serieuze wetenschap is, verwijs ik u verder door naar Charles Groenhuijsen of de zoon van Harry Mens.
Over de auteur
Sander Schimmelpenninck is journalist, ondernemer en columnist van de Volkskrant. Eerder was hij hoofdredacteur van Quote. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant.
Sommige Democraten, onder wie Obama zelf, maakten de vergelijking met 2012, toen de zittende president Barack Obama een (voor zijn doen) slechte indruk maakte tegen uitdager Mitt Romney. De suggestie was dat iedereen weleens een mindere dag heeft. Toch gaat het bij Biden natuurlijk niet om een mindere dag, maar om een rappe en onveranderlijke achteruitgang. Ik las in deze krant een analyse van geriaters, die vertelden dat gepensioneerde piloten weliswaar veel minder goed communiceren en langzamer reageren dan hun jongere vakgenoten, maar wél beter vliegen dankzij hun ervaring.
Maar een politiek leider is geen piloot. Hij is de ceo van de vliegmaatschappij die vooral zijn vliegtuigen vol moet krijgen. Overtuigingskracht drijft de publieke opinie sinds de uitvinding van de democratie en dat vinden verstandige mensen logischerwijs vervelend, want daarmee zijn de ratio en waarheid niet doorslaggevend. Sterker nog, het hele begrip retoriek heeft een negatieve connotatie, denk aan het Engelse ‘mere rethoric’ of het Nederlandse ‘retorische trucjes’, waaruit een duidelijke afkeuring blijkt. Maar of we dat nu leuk vinden of niet: retoriek is het belangrijkste element van de democratie, en tegelijkertijd de reden waarom de democratie van binnenuit uitgehold kan worden.
Des te belangrijker om kandidaten uit te zoeken op hun retorische talent. Toch hebben progressieve partijen de laatste jaren vooral ingezet op de bestuurlijke kwaliteiten en ervaring van hun leiders. In Nederland was en is het leiderschap van Frans Timmermans een vertaling van deze gedachte. Toch zie ik geen enkel bewijs voor het idee dat extreemrechts bestreden moet worden met gematigde en ervaren bestuurders. Het is ook niet logisch omdat het in essentie strijdig is met wat progressief ís: gericht op de toekomst en tegen de status quo. En waren het niet juist progressieve iconen als John F. Kennedy, Martin Luther King en Barack Obama die hun succes vooral aan hun retorische gaven te danken hadden?
Voor het gevecht tegen extreemrechts is een lange adem en frisse moed nodig. Hoe absurd het ook is dat iemand als Trump of Wilders de grootste kan worden; er is méér nodig dan tegen de autocratische rechtspopulist te zijn. Progressieve partijen worstelen met terminale vriendelijkheid; men aarzelt en praat naar de mond, maar durft de eigen ideeën niet te verkopen. Bovendien wordt scherpte in het debat als niet netjes gezien – when they go low, we go high. Maar politiek is óók, zo niet vóóral, symboliek en retoriek. En lef. Wie dat vergeet, zal altijd verliezen.
Source: Volkskrant