Home

‘Toen ik stopte met lesgeven, was mijn grootste angst dat ik alleen nog met mezelf bezig zou zijn’

Schrijver Edward van de Vendel weet sinds kort dat hij dit jaar de Theo Thijssenprijs krijgt, vernoemd naar de man die vroeger zijn held was. Zo’n oeuvreprijs is mooi, maar heeft ook iets beangstigends, vindt hij: alsof dat oeuvre nu af is.

Als 14-jarige droomde Edward van de Vendel (1964) van een carrière als schoolmeester. Niet zozeer door de beroepen van zijn vader Dick en moeder Rita, die respectievelijk schooldirecteur en remedial teacher waren op een christelijke school in de Betuwe, maar vanwege twee boeken van schrijvende leraren: Op je kop in de prullenbak van Guus Kuijer en De gelukkige klas van Theo Thijssen. ‘Van die schoolmeesters die élk kind op een passende, onconventionele manier begeleiden en daar prachtig over kunnen vertellen. Dat wilde ik ook, dus ging ik het onderwijs in.’

Inmiddels is Van de Vendel alweer jaren fulltimedichter en -schrijver van vooral jeugdliteratuur, met iets meer dan honderd boeken en zo’n veertig bekroningen op zijn naam. Twee weken geleden werd hem de Theo Thijssenprijs 2024 toegekend, de driejaarlijkse oeuvreprijs voor kinder- en jeugdliteratuur, vernoemd naar de man die vroeger zijn held was.

De prijs, waaraan een geldbedrag van 60 duizend euro is verbonden, komt voor Van de Vendel op een bijzonder moment: eind vorig jaar won hij zijn eerste Gouden Griffel, voor Misjka, en onlangs begon hij zijn eigen uitgeverij: Blauw Gras. Met zijn 60ste verjaardag voor de boeg voelt dat allemaal ‘een beetje spannend’, vertelt hij op de bank in zijn Amersfoortse appartement. ‘Het is mooi om in zo’n illuster rijtje te mogen staan, maar het is ook beangstigend. ‘Uw werk, meneer, is gezien en af.’ Dat hoop ik toch niet.’

Ben je meer een schrijver of meer een lezer?

‘Een lezer. Ik heb geen hobby’s. Ik schrijf en verder ben ik sinds mijn 12de vrijwel altijd aan het lezen. Als ik met een boek ben, dan ben ik gelukkig.’

Op je Wikipediapagina staat dat je als kind niet zo’n lezer was; het keert in veel stukken terug.

‘Dat is een eigen leven gaan leiden. Tot mijn 12de was ik inderdaad niet zo’n lezer. Ik ben christelijk opgevoed, met weinig mooie kinderboeken. Ik kreeg jaarlijks W.G. van de Hulst voor de kerstvakantie. Tenenkrommend braaf! Als ik érgens door van mijn geloof ben gevallen, dan is het hierdoor. Ik draaide liever plaatjes.’

Wanneer veranderde dat?

‘Op de middelbare school. Ik was de oudste in het gezin en een wat zorgelijk kind. Ik voelde me verantwoordelijk voor alles en iedereen, was erg bezig met wat er allemaal mis kon gaan. Van een knusse dorpsschool ging ik naar een onpersoonlijke leerfabriek. Ik werd niet gepest, maar ik was daar wel als de dood voor. Dus trok ik me terug op mijn kamer en begon, geïnspireerd door mijn leraar Nederlands, op eigen houtje de literatuur te ontdekken.

‘Muziek en boeken hebben me door de eerste jaren van de middelbare school geholpen. Ook las ik alsnog de kinderboeken die ik had gemist. Ik was een echte lezer-verzamelaar: álle Griffelboeken, de Gouden én de Zilveren. Toen Nannie Kuiper won met De eend op de pot, heb ik die door haar laten signeren. Ze keek wel op van die 18-jarige student aan haar tafel.’

Wie was je voorbeeld?

‘Remco Ekkers, die een Zilveren Griffel kreeg voor Haringen in sneeuw, heeft me als kinderdichter gevormd. Door hem ontdekte ik dat gedichten ook anders konden zijn dan rijmende verzen, zoals Annie M.G. Schmidt ze schreef. Het hoogst haalbare in de kinderliteratuur vind ik De gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren. Twee broers, die álles voor elkaar over hebben en meteen in het eerste hoofdstuk doodgaan. Dat iemand dat durft op te schrijven! Toch wordt het nergens sentimenteel.’

Wat was de eerste zin die je ooit opschreef?

‘Ik was met mijn toenmalige vriend Pier in het zoölogisch museum in Parijs. We liepen door een zaal, gewijd aan reizende dieren. Ineens was daar die zin: ‘Ik steek mijn leven over in een bootje van mezelf.’ Ik had op dat moment geen idee wat ik daarmee wilde zeggen, maar móést dat gedicht in wording meteen afmaken. Ik heb Pier alleen gelaten met de opgezette dieren en ben in het museumcafé gaan zitten met een pen en een servetje. Dat werd de eerste bladzij van mijn debuutbundel Betrap me uit 1996. Deze eerste zin zegt precies wat literatuur voor me betekent: redding. De laatste: ‘Het mag wel stormen, maar er mag niemand overboord.’’

Hoe wist je: dit is het?

‘Ik had daarvoor veel slechte dingen geschreven en een paar dingen die goed léken, maar achteraf toch te veel wilden nadoen wat ik bij anderen bewonderde. Dit was ineens duidelijk mijn eigen, herkenbare taal. Van die momenten van helder bewustzijn kan ik sindsdien peilen bij mezelf.

‘Als ik aan een gedicht werk, merk ik soms dat ineens de juiste woorden opkomen; bij proza voel ik dat de personages zonder mijn bemoeienis dingen gaan doen die bij ze passen. Die concentratie hebben topsporters ook. Een schaatser zei tegen mij: ‘Als je tijdens de wedstrijd één seconde denkt ‘dit gaat goed’, dan gaat het mis.’ Zo is het precies.’

Over welke passage in je werk ben je het meest tevreden?

‘Zo moeilijk om te zeggen. Laat ik iets uit Misjka nemen. Dat gaat over een gezin met drie broers en een zus, die uit Afghanistan vluchten. Het is echt gebeurd en aan mij verteld door de op een na oudste broer in het gezin, Anoush. Als ze in Nederland een huis krijgen, nemen ze als eerste een konijn. Aan dat konijn vertellen ze al hun avonturen.

‘Dan moet Roya een spreekbeurt geven, maar ze durft niet. Haar grote broers gaan mee naar school en ze geven de spreekbeurt samen. Ineens begint ze niet over haar konijn, maar over haar leven te vertellen. Dat is niet echt gebeurd, maar ik voelde dat het erin moest. Het is een terugkerend thema in mijn werk: het leven is niet per se makkelijk, maar de mensen om je heen kunnen het wel makkelijker maken.’

Waar schrijf je?

‘In een café, een bibliotheek of de trein. Ook ga ik vaak naar een schrijfhuisje. Overdag werken, einde van de middag strand of terras. Soms ga ik samen met een schrijfvriend. Dan valt er na het ontbijt altijd zo’n stilte. Zo weten we: tijd om te beginnen.’

Heb je het weleens opgegeven omdat je dacht dat het niet goed werd?

‘Ik heb heel veel aanzetten liggen die niets zijn geworden. Het meeste wat ik maak, maak ik in één keer. Als het dan niet lukt, ga ik wat anders doen.’

Hoe belangrijk zijn recensies voor je?

‘In begin kreeg ik van een enkele recensent stevige kritiek. Ik zou te graag literatuur willen maken. Niet alles wat ik schreef, zou geschikt zijn voor kinderen. Dat raakte me zeer. In 2008 mocht ik het Kinderboekenweekgeschenk maken, achteraf denk ik dat dat te vroeg was. Dat moest ineens voor een groot publiek en daar was ik nog niet aan toe. Te weinig naturel, te gewild.

‘Ik ben in die tijd op zoek gegaan naar relevantie. Ik verzon voor Querido de serie Slash, waarin schrijvers samen met jongeren een boek maken. Ik dacht: als het relevant is, dan komt het verhaal vanzelf. En dat was ook zo. Zo ontstond De gelukvinder, de voorloper van Misjka. Dat soort projecten ben ik blijven doen. Het heeft me veel gebracht.’

Heb je nog steeds moeite met negatieve recensies?

‘De eerste keer voelt het alsof je over straat loopt en iemand je zomaar uit het niets een klap geeft. Soms klopt kritiek niet. Maar als ik een beoordeling begrijp, dan ga ik ermee aan de slag. Uit mijn eerste jongerenroman De dagen van de bluegrassliefde heb ik bij achtereenvolgende heruitgaven beeldspraak geschrapt. Ik ben directer gaan schrijven, helderder. Daar ben ik blij mee.’

Wat is de ergste reactie die je zou kunnen krijgen?

‘Ik maakte in opdracht Een griezelmeisje, bij bestaande illustraties. Daarin voelt een jonge vrouw zich aangetrokken tot enge mannen en worden hun hoofden afgehakt. Kinderen hebben niets tegen afgehakte hoofden, maar de hoofdpersoon en de problematiek waren te volwassen. Toch werd het boek geselecteerd om gelezen te worden door de Vlaamse kinderjury. Toen ik op het podium kwam, begonnen een paar kinderen boe te roepen. Die hadden gelijk. Ik had daar niet met dat boek moeten staan. Toen dacht ik: dit wil ik nooit meer.’

Ben je in de loop van je carrière een andere schrijver geworden?

‘Deels. Ik heb al doende ontdekt dat verhalen vertellen echt iets anders is dan dichten. Het publiek zit rond een kampvuur, jij neemt als verteller een grote verantwoordelijkheid: de toehoorders willen meteen vanaf het begin meegenomen worden. Dat lukte goed in het boek Toen kwam Sam, over een grote witte hond die aan komt lopen, maar eigenlijk van de buren is. Waarom komt Sam steeds vaker bij dit gezin op bezoek en wat als zijn echte baasje hem terugeist? Toen ik nog regelmatig klassen voorlas, werd ik weleens door een leraar opgewacht, die zei: ‘Oei, ze zijn erg druk vandaag.’ Dan dacht ik: wacht maar, Sam krijgt ze altijd stil.’

Maar deels ben je dus ook niet veranderd?

‘Nee, want ik maak nog steeds de dingen die ik altijd heb willen maken. Met jeugdboeken is het net als met de beste leerkrachten: je moet verstand van kinderen hebben en tegelijkertijd volkomen eigenwijs durven zijn. Je herinnert je een leraar alleen in positieve zin als die lief is én iets geks heeft.’

Wie is je belangrijkste meelezer?

‘Wie er maar in de buurt is. Maar het liefst een van mijn drie beste vrienden. Die zeggen meestal dat ze een tekst mooi vinden, maar ik kan het aan ze zien als die nog niet echt aankomt. Met name gedichten moet ik hardop horen. Ik merk dan meteen: dit klopt nog niet.’

Wanneer begin je aan je volgende boek?

‘Dat vind ik een spannende vraag. Zo’n oeuvreprijs voelt wel als een einde, alsof het af is. Het belangrijkste is nu dat ik me op mijn nieuwe uitgeverij stort. Voorlopig maak ik alleen kort werk. Ik schrijf aan een serie met twaalfenhalf gedicht per bundel. Dat halve is dan een vooruitblik op de volgende bundel. Twee bundels per jaar: dat zijn vierentwintig gedichten. Een enkel prentenboek tussendoor. Dat moet lukken. Grote boeken heb ik even geparkeerd.’

Wat zou je graag nog willen schrijven?

‘Ik maak me nog steeds wel zorgen over waar het heen gaat met de wereld. Al op de middelbare school leerde ik van de boeken van W.F. Hermans: alles is chaos en elke poging om daar orde in aan te brengen tot mislukken gedoemd. Daar ben ik het mee eens.

‘Maar ik heb ook altijd het gevoel gehad dat er achter die basisregel van Hermans een komma hoort te staan. Alles is chaos, maar er zijn altijd mensen die proberen er orde in aan te brengen. Zolang dat zo is, komt het nog wel goed met ons. Ik zou graag een journalistiek boek willen maken waarin ik machthebbers interview over de vraag welke rol vriendelijkheid speelt in hun werk en in hun leven. Ik denk dat dat heel mooi kan worden.’

Wat ligt er op je nachtkastje?

‘Veel, want ik zit in de Libris-jury en heb net een vergadering gehad. Voor daarna heb ik nog een hele stapel van collega’s klaarliggen, zoals Welkom thuis, chrononauten van Dirk Weber. Lekker, eindelijk weer kinderboeken lezen, daar verheug ik me op. Voor mijn ontspanning: Kairos van Jenny Erpenbeck en Long Island van Colm Tóibín.’

Welk boek zou iedereen moeten lezen?

Een klein leven van Hanya Yanagihara. Dit boek viert de vriendschap, de zelfgekozen familie en het toont wat je kunt doen voor iemand van wie je houdt, maar die niet te redden is.’

Wat verandert er voor jou nu je zelf uitgever bent?

‘In het najaar verschijnt het eerste boek dat ik uitgeef in plaats van schrijf. Collega-auteurs bijstaan aan het begin van hun carrière doe ik al heel lang; dat ik ze nu ook mag uitgeven is een groot geluk. Ik redigeer manuscripten, bedenk welke vormgeving en illustraties daarbij passen. Het meest bijzonder is om te vermoeden waar iemand goed in is en die schrijver daarmee verder te helpen. En dat dat goed lukt. Ik zie zo’n boek helemaal voor me en het komt er dan ook echt. En, heerlijk, zonder mijn naam erop. Ik wil gewoon dat die verhalen er zijn, het gaat niet om mij.’

Net als vroeger voor de klas.

‘Ja, nu je het zegt. Toen ik stopte met lesgeven, was mijn grootste angst dat ik voortaan op een kamertje alleen met mezelf bezig zou zijn. Dat is gelukkig niet zo gelopen. Het is geweldig om anderen, of het nu kinderen of volwassenen zijn, iets moois te zien doen. En samen zoiets doen, is nóg mooier.’

Wie is Edward van de Vendel?

Edward van de Vendel (Leerdam, 1964) groeide op in het Betuwse dorp Beesd en in de stad Culemborg. Hij volgde een opleiding tot leraar en stichtte met bevriende collega’s een school in Heemstede. In 1996 debuteerde hij met de kinderdichtbundel Betrap me, waarna een veelzijdig oeuvre volgde.

Naast het succesvolle Superguppie (2003) bestaat dat uit onder meer de Vondelbewerking Gijsbrecht (1998), het voetbalboek Ajax wint altijd (2009), de interviewbundel Gloei (2020) en jongerenromans, zoals De dagen van de bluegrassliefde (1999). Hij vertaalde onder meer De waanzinnige boomhut van Andy Griffiths en Terry Denton. Van de Vendel won diverse Zilveren en één Gouden Griffel, de Woutertje Pieterse Prijs en de Deutscher Jugendliteraturpreis. In november krijgt Van de Vendel de Theo Thijssenprijs uitgereikt voor zijn gehele oeuvre.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next