Brooklyn van Colm Tóibín schreeuwde niet per se om een sequel. Het is maar goed dat hij die toch heeft geschreven. In Long Island bouwt hij op ingetogen toon een zinderende spanning op.
Al sinds hij in 1990 debuteerde met The South betoont Colm Tóibín zich een van de interessantste schrijvers van Ierland. En dat zegt wat, want dat land produceert bijna aan de lopende band literaire kopstukken. Na The South publiceerde Tóibín een hele reeks door recensenten en prijzenjury’s hooggewaardeerde romans, maar met Brooklyn brak hij in 2009 door bij een breder publiek. Toen de roman in 2015 werd verfilmd met Saoirse Ronan in de hoofdrol, was Tóibíns positie als hooggewaardeerd én commercieel succesvol auteur definitief beklonken.
Brooklyn speelt in de jaren vijftig, in het stadje Enniscorty, waar Tóibín (1955) opgroeide en dat in veel van zijn boeken terugkeert. De sfeer is er benepen, kleinburgerlijk, hypocriet. Hoofdpersoon Eilis Lacy is er niet gelukkig. Haar oudere zuster Rose moedigt haar aan naar de VS te emigreren, wat Eilis uiteindelijk doet, maar eigenlijk tegen haar zin. In de VS ontmoet ze de Italiaanse immigrant Tony Fiorello, een loodgieter met wie ze in het geheim trouwt.
Wanneer Rose plotseling overlijdt, gaat Eilis terug naar Ierland voor de begrafenis. Haar huwelijk wordt op de proef gesteld als ze in Enniscorty Jim Farrell ontmoet, een man die haar moeder graag als haar echtgenoot zou zien. Na een korte romance reist Eilis plotseling, zonder aankondiging, terug naar de VS.
Over de auteur
Hans Bouman schrijft voor de Volkskrant over boeken en richt zich met name op literatuur en auteurs uit het Engelse taalgebied.
Een mooi boek dat niet per se om een sequel schreeuwde, maar die is er met Long Island nu toch gekomen. En wat zelden gebeurt, maar wat Tóibín met dit boek klaarspeelt: het vervolg is misschien wel beter dan het eerste boek. Er zijn twintig jaar verstreken sinds Eilis haar geboorteland voor het laatst bezocht. Ze is inmiddels moeder van twee kinderen en woont samen met Tony’s broers en moeder in een rijtje huizen aan een doodlopend straatje op Long Island. De familieleden kunnen elkaar bij wijze van spreken door het raam in de gaten houden en de kinderen zijn voortdurend bij elkaar over de vloer. Ook in Amerika kan de sociale controle verstikkend zijn, zeker in Italiaanse families, weet Eilis inmiddels.
De roman valt bijna letterlijk met de deur in huis. Op de eerste pagina belt er een Ierse immigrant aan, die Eilis vertelt dat haar man Tony zijn werkzaamheden als loodgieter wel erg ruim heeft opgevat. ‘Hij levert zulk vakwerk dat mijn vrouw in augustus een baby verwacht. Zodra dat rotjong geboren is, lever ik hem hier af.’
Uiteraard is de schok voor Eilis enorm. ‘Tenzij de man haar op de een of andere manier voor de gek hield, was een deel van haar leven nu voorbij.’ Ze besluit naar Ierland af te reizen, zogenaamd ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van haar moeder. In werkelijkheid uiteraard om haar houding ten opzichte van de nieuwe situatie te bepalen.
De hernieuwde kennismaking met Enniscorty en omgeving levert de nodige complicaties op. Twintig jaar Amerika hebben Eilis tot een ander iemand gemaakt, in haar verschijning (elegant en modieus) en in haar manier van denken. Ze is eigenzinniger geworden, volwassener uiteraard, maar weet ze ook beter wat ze wil? En natuurlijk is Enniscorty ook niet meer het stadje van toen.
Haar moeder blijkt zich te hebben ontwikkeld tot een stekelige, stevig gebekte en bij vlagen scherp-humoristische figuur – beslist het fraaist uitgewerkte ‘bijpersonage’ van deze roman. Als Eilis bij wijze van welkom een wasmachine, koelkast en fornuis voor haar koopt, weigert ze deze ongevraagde geschenken te laten installeren. Ze blijven onuitgepakt in de hal staan. Moeder heeft die moderne nonsens niet nodig en vat het geschenk van haar dochter op als neerbuigend. Tja, Eilis is een buitenstaander geworden in Enniscorty, zelfs voor haar moeder.
Op de hem typerende, ingetogen verteltoon maakt Tóibín de kleinsteedse sfeer voelbaar, waarin een liefde voor zowel geheimzinnigdoenerij als roddel zich op een ongemakkelijke manier tot elkaar verhouden. Heel effectief daarbij is dat Tóibín ervoor heeft gekozen in deze roman gebruik te maken van meerdere perspectieven. Waar Brooklyn geheel werd verteld vanuit Eilis, krijgen we in Long Island de gebeurtenissen ook vanuit het standpunt van de eerdergenoemde Jim Farrell en Eilis’ oude vriendin Nancy Sheridan gepresenteerd.
Nancy is sinds vijf jaar weduwe en baat de plaatselijke fish-and-chipswinkel uit. Ze doet bij problemen graag een beroep op Jim, succesvol pubeigenaar en nog altijd ongehuwd. De relatie tussen de twee is gaandeweg steeds hechter geworden en in het geheim – dat sleutelwoord weer – maken ze plannen voor een huwelijk.
Tegelijk wordt duidelijk dat Jim Eilis nooit heeft kunnen vergeten, en zij hem evenmin. Wanneer de twee elkaar na al die jaren opnieuw zien ontstaat er onvermijdelijk een zowel romantische als omineuze spanning. Twintig jaar geleden is Eilis ook verscheurd geweest door twijfel, maar toen was ze pasgetrouwd, iets dat noch Jim nog haar moeder konden weten. Dus koos ze voor een vlucht terug naar Amerika. Nu liggen de kaarten geheel anders.
Met deze ingrediënten bouwt Tóibín, ondanks zijn ingehouden vertelwijze, een zinderende spanning op, culminerend in een daverend slotakkoord. Waar Brooklyn een roman was waarin de belangrijkste personages aan het begin van hun volwassen leven stonden, toen alles nog mogelijk leek en het roer nog zesmaal om kon, gaat Long Island over middelbare mensen voor wie elke kans de laatste kan zijn. Begrippen als ‘droom’ en ‘mogelijkheid’ hebben plaatsgemaakt voor ‘urgentie’ en ‘wanhoop’.
Long Island is een roman over geheimzinnigheid en opportunisme, over onmogelijke keuzes en de grenzen van loyaliteit. En over het verstrijken van de tijd en wat dat met je doet.
Colm Tóibín: Long Island. Uit het Engels vertaald door Nadia Ramer. De Geus; 352 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant