Home

Oog om oog, taks om taks? ‘Google-belasting’ dreigt fiscale oorlog met de VS te ontketenen

Een historisch akkoord moest Google, Facebook en andere techgiganten meer belasting laten betalen over hun advertentie-miljarden. Door Amerikaanse weerstand dreigt het belastingpact te sneuvelen. Landen die toch een ‘Google-belasting’ invoeren, kunnen represailles van Washington verwachten, zoals strafbelastingen op camembert.

De euforie was groot in 2021, toen 136 landen na jaren van diplomatiek geploeter een akkoord bereikten over een van de belangrijkste hervormingen sinds mensenheugenis. ‘Een staaltje economische diplomatie dat hooguit ééns per generatie voorkomt’, jubelde de regering-Biden.

Eindelijk ging het internationale belastingsysteem op de schop, dat nog dateert uit de tijd van de stomme film. Niet alleen moesten multinationals als Google, Facebook en Microsoft voortaan een minimumbelasting van 15 procent over hun winsten gaan betalen, ook zouden die belastingen vanaf nu eerlijker over de wereld worden verdeeld, was het idee. ‘Een baanbrekende belastingdeal voor het digitale tijdperk’, heette het in een verklaring van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso). In feite was het een vredesverdrag, dat een eind moest maken aan het fiscale wapengekletter tussen de VS en de rest van de wereld.

Over de auteur
Jonathan Witteman is economieredacteur voor de Volkskrant en schrijft over de macro-economie en de bankensector.

Van India tot Canada en van Nigeria tot Nederland is het politici namelijk al jaren een doorn in het oog dat Amerikaanse techgiganten in hun landen nauwelijks belasting betalen. Zo verdiende Google vorig jaar dankzij het klik- en kijkgedrag van zijn gebruikers ruim 220 miljard euro met de verkoop van advertenties, goed voor bijna viervijfde van de omzet. Toch zien pak ’m beet de Indiase of Nigeriaanse schatkist daar amper een roepie of naira van terug, ondanks de honderden miljoenen Indiërs en Nigerianen die de portemonnee van Google spekken.

Onder de stokoude internationale regels betalen bedrijven immers alleen winstbelasting als ze ergens fysiek aanwezig zijn, bijvoorbeeld met een fabriek, winkel of kolenmijn. Maar omdat mensen nu eenmaal niet naar een Google-loket om de hoek hoeven om de zoekmachine te gebruiken, of naar een Google-bioscoop om een YouTube-video te bekijken, vliegen de winsten over de hoofden van de meeste belastingdiensten heen, naar het land waar het hoofdkantoor is gevestigd, Ierland in het geval van Google.

Daarom brachten regeringen afgelopen jaren een nieuw geschut in stelling: een digitale belasting, veelal een soort btw van 3 tot 6 procent over de omzet van techbedrijven in hun landen. Een ‘Google-belasting’, heette het al snel in de volksmond, hoewel bijvoorbeeld ook de lucratieve clouddiensten van Amazon of de App Store-winsten van Apple onder de belasting kunnen vallen. India had in 2016 de primeur, de jaren erna gevolgd door een flink deel van de aardkloot: van Taiwan tot het Verenigd Koninkrijk, van Kenia tot Argentinië.

Fiscale wereldoorlog

Het resultaat was oog om oog, taks om taks. De Verenigde Staten begonnen namelijk terug te vuren. Het ontging de regering-Trump niet dat de doelwitten van de ‘digital services taxes’, op wat Chinese en Europese uitzonderingen na – Alibaba, Spotify, Booking.com – vooral Amerikaanse bedrijven waren. Discriminatie, vonden Republikeinen en Democraten eensgezind.

Prompt dreigde de regering-Trump met een strafbelasting van 25 procent op de import van Franse wijn, camembert en Louis Vuitton-tassen, als wraak voor de Franse ‘taxe GAFA’, een afkorting voor Google, Apple, Facebook en Amazon. Andere belastingzondaars, zoals India, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Turkije, zouden de volgende zijn, waarschuwden de Amerikanen.

De Oeso sloeg alarm. Als de wereld niet snel belastingvrede sloot, vreesde Oeso-baas José Ángel Gurría, ‘dan breekt er een nieuwe handelsoorlog uit, maar ditmaal niet alleen tussen Frankrijk en de VS, maar tussen tientallen landen tegelijkertijd’. En zo kwam in 2021 het historische akkoord tot stand.

Drie jaar later is de euforie verdwenen. De Financial Times voorspelde de voorbije dagen het einde van de ‘mondiale fiscale wapenstilstand’. Aankomende zondag verloopt de deadline waarop de onderhandelaars van inmiddels ruim 140 landen het eens moeten zijn geworden over een verdragstekst, waarin staat hoe ze digitale bedrijven precies eerlijker willen gaan belasten.

Het probleem is echter dat als dit al lukt, het verdrag daarna alleen in werking treedt als de Amerikaanse Senaat het met een tweederdemeerderheid ratificeert. De kans dat dit gebeurt wordt bijkans nihil geacht, omdat de Republikeinen fel tegen het akkoord zijn. Een eventuele verkiezingszege van Donald Trump, eveneens fel tegenstander, zou de situatie nog hopelozer maken.

Daarmee dreigt alsnog een fiscale wereldoorlog te ontvlammen, vrezen belastingdeskundigen. Canada nam onlangs al een voorschot op de mislukking van het belastingverdrag door een eigen Google-belasting in te voeren, iets wat het Oeso-akkoord juist had moeten voorkomen. Prompt dreigde Washington met vergeldingsacties.

Alternatieve digitaksen

De Amerikaanse regering kan het daar nog druk mee krijgen, want ook Nieuw-Zeeland, Kenia, Japan, Brazilië, Noorwegen en vele andere landen dreigen een digitaks in het leven te roepen, net als de Europese Unie. Als het verdrag flopt, waarschuwde de Franse minister Bruno Le Maire, ‘dan hebben we een Europese oplossing’. Ook de Nederlandse regering ziet een Europese Google-belasting als een alternatief, schreef staatssecretaris Van Rij (Financiën) in oktober aan de Tweede Kamer.

Het belooft dus chaos te worden, vreest Vikram Chand, hoogleraar internationaal belastingrecht aan de universiteit van Lausanne. ‘Ik ben warm voorstander van een multilaterale aanpak, dat is veel beter dan dat het ene na het andere land op eigen houtje een digitale belasting invoert, met alle risico’s van dien op Amerikaanse represailles.’

Bedrijven zitten ook niet bepaald te wachten op fiscale oorlogsvoering, weet Chand. Europese multinationals zoals Spotify, Booking.com, Thuisbezorgd en Zalando spraken zich eerder al uit tegen een Europese digitale belasting, en vóór een mondiale oplossing. Chand: ‘Geen enkel bedrijf wil verwikkeld raken in allerlei internationale belastingdisputen. Ze willen gewoon duidelijke regels, zodat ze verder kunnen met hun leven.’

Dat veel Amerikaanse politici moeite hebben met een Google-belasting, ligt niet alleen aan het feit dat vooral het Amerikaanse bedrijfsleven er de dupe van is, constateert Chand. Ze zijn ook bang dat een spervuur aan digitaksen tot dubbele belastingen leiden, en dat overheden Amerikaanse bedrijven het vel over de oren zullen trekken. Bovendien zetten ze hun vraagtekens bij de argumenten om Big Tech meer belasting te laten betalen.

De draai

Een van de belangrijkste Europese argumenten is bijvoorbeeld dat sociale media en zoekmachines hun winsten te danken hebben aan hun gebruikers. Zonder de Instagram-foto’s, Google-zoekacties, Twitter-ruzies en andere persoonlijke data van gebruikers zouden techbedrijven niet zoveel geld kunnen verdienen met de verkoop van advertenties aan derden, is de redenering.

Die advertenties zijn immers toegespitst op de persoonlijke uitingen van gebruikers. ‘Als iets gratis is, dan ben jij waarschijnlijk zelf het product’, zei de kunstenaar Richard Serra ooit. In het geval van gratis diensten als YouTube en Facebook zijn gebruikers en hun data de producten die worden verkocht aan adverteerders, stellen de voorstanders van digitale belastingen.

Een denktank van het Amerikaanse Congres draaide dit argument onlangs helemaal om. Gebruikers betalen juist voor de verder gratis diensten van Google en Facebook ‘door akkoord te gaan met het verzamelen van hun data en door te moeten kijken naar advertenties’, net zoals mensen misschien ook tegen wil en dank een reclame op televisie of in een krant onder ogen krijgen.

Dit kleine ongemak, resulterend in advertentie-inkomsten, subsidieert volgens deze logica het gratis gebruik van een zoekmachine of sociaal medium. ‘Ik denk dat dit geen gek punt is’, zegt Chand. ‘Door te kijken naar advertenties, betalen we als het ware een indirecte vergoeding voor het gebruik van YouTube of Instagram.’

De consument betaalt

Een ander nadeel is het gevaar dat een Google-belasting uiteindelijk niet zozeer door techbedrijven betaald wordt, maar vooral voor rekening komt van consumenten, waarschuwt Svitlana Buriak, universitair docent belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Een digitale belasting op nationaal niveau kan een goede oplossing zijn, maar dan moet de belasting wel heel slim in elkaar zitten.’

Apple, Amazon en Google verklaarden bijvoorbeeld dat zij de kosten van een Britse digitale belasting, die in het eerste jaar meer dan 400 miljoen euro opleverde, volledig hebben doorberekend aan hun adverteerders. Deze adverteerders kunnen hun extra kosten vervolgens compenseren door de prijzen van hun producten te verhogen, waardoor consumenten uiteindelijk voor de belasting opdraaien.

‘Vooral in markten met relatief weinig concurrentie, waar in het geval van techbedrijven dikwijls sprake van is, zie je dat een belasting nog weleens op de schouders van de consument terechtkomt’, zegt Buriak.

Chand hoopt dat het vooruitzicht van nog meer fiscaal wapengekletter de Republikeinen in de Amerikaanse Senaat doet inzien dat een internationaal akkoord misschien toch het minste kwaad is. ‘Ze kunnen denken: het Oeso-verdrag is oneerlijk,want de meeste bedrijven die onder de regels zouden vallen zijn Amerikaans. Maar ze kunnen ook denken: als we tegen stemmen, introduceren andere landen massaal hun eigen digitale belastingen, en dat is nog ongunstiger voor ons bedrijfsleven.’

‘Vrijwel niemand heeft baat bij fiscale chaos, en zeker burgers niet’, zegt Chand. ‘De enigen die er garen bij zullen spinnen, zijn belastingconsultants.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next