Wervelend en geestig schrijft Miranda July in haar roman All fours over een vrouw die in het reine probeert te komen met het ouder worden. Het verhaal balanceert op de rand van grotesk, en dat blijkt zeer toepasselijk.
Aan het begin van de film Me and You and Everyone We Know steekt schoenverkoper Richard zijn hand in de fik. Met brandende vingers zwaait hij vanuit de tuin naar zijn twee kinderen, terwijl ondertussen de stem klinkt van regisseur en hoofdrolspeler Miranda July in haar rol van Christine die zegt: ‘It is life, and it is happening, right now.’
Vang het maar eens, het leven dat happening is, right now. Wat zich nu afspeelt is nu al weer voorbij.
Over dat voorbijgaan gaat het nieuwe boek van July, de roman All fours. Het boek heeft in het Nederlands dezelfde titel als in het Engels, de staande uitdrukking ‘on all fours’ heeft uiteenlopende betekenissen die allemaal wel ergens in het boek zijn terug te vinden – met het kruipen en dansen op handen en knieën in het licht van felle autokoplampen als sterkste beeld.
Dat klinkt meteen zo buitenissig en raar als het is. ‘Raar’ is misschien wel het beste woord om July’s werk mee te karakteriseren, al is het maar omdat ze met haar prikkelende, absurde humor het begrip ‘raar’ onverbiddellijk oprekt. Is het raar om je hand in brand te steken als je wilt dat je kinderen dat moment nooit meer vergeten? Is het raar om lessen droogzwemmen te geven in je huiskamer? (Zoals een vrouw doet in de verhalenbundel No One Belongs Here More Than You.) Is het raar om met de auto van Los Angeles naar New York te rijden en dan na een half uur te stoppen, je intrek te nemen in een motel en daar de rest van de reis die geen reis wordt te blijven?
Dat is wat de hoofdpersoon van All fours doet. Een vrouw van halverwege de 40, moeder van Sam, samenwonend met Harris, de man die haar uitlegt dat er twee soorten mensen zijn: parkeerders en bestuurders. Bestuurders voelen zich prima in hun leven, parkeerders daarentegen hebben een taak nodig ‘die onuitvoerbaar lijkt, iets wat al hun aandacht opeist en waarmee ze applaus zouden kunnen oogsten’. Parkeerders kunnen niet dagenlang in een auto zitten, meent hij, waarop zij, duidelijk een parkeerder, besluit dat te gaan doen.
Identiteit is bij July altijd fluïde. Haar personages zijn werelden van mogelijkheden, ook in All fours. ‘Ik deed me gewoon voor als een van mijn vier of vijf versies’, zegt de ik-figuur, ‘stuk voor stuk echt, stuk voor stuk met verschillende behoeften. De enige gevaarlijke leugen was er een waarvoor ik mezelf zou moeten comprimeren tot een enkele op maat gesneden entiteit om begrijpelijk te zijn voor een specifiek individu.’ Dat kan ze niet.
Zoals ze tijdens de seks ook geen contact kan maken met haar man, alleen met haar fantasie. Ze komt met het grootste gemak zes, zeven keer achter elkaar klaar, maar alleen als ze fantaseert en ergens anders is dan in het realistische ‘nu’. Toch ambieert ze zoiets wel: ze stelt zich voor dat ze op een dag ‘haar hele zelf’ aan Harris zal onthullen.
De behoefte dat te doen blijkt echter sterker te zijn bij iemand anders. Op de dag dat ze vertrekt naar New York ontmoet ze bij een benzinestation een jonge man, Davey, en besluit ze haar intrek te nemen in een motel, nog geen half uur van huis. Ze laat de grauwe kamer omtoveren tot een fantastische luxe suite en gaat er Davey ontvangen. Ze raakt geobsedeerd door hem. Ze belt naar huis en doet alsof ze al in Utah is, in Denver, Chicago, New York, maar ze blijft op de kamer en wordt dagelijks intiemer met Davey, een verslavend spel van naderen, aanraken, samen dansen, over elkaars hand plassen – geen seks, dat wil hij niet.
Als ze weer thuis is, lukt het haar niet hem te vergeten. Ze belandt in andere avonturen die een krachtige, nieuwe seksualiteit in haar losmaken, hunkert alleen maar meer naar hem, gaat fanatiek sporten om haar lichaam op te krikken en neemt op zeker moment voor die koplampen haar sensuele dans op, kont naar de camera, die ze op haar socials plaatst om hem te verleiden. Davey reageert niet, haar huwelijk knapt, ze is haar geheim kwijt en er is geen kamer meer om naartoe te vluchten.
De hele geschiedenis balanceert op de rand van grotesk. Uitvergrote details, superlatieven in de taal. Maar gaandeweg blijkt dat alle extreme emoties en handelingen – de redeloze verlorenheid, het ongebreidelde verlangen, het verslapte lichaam, de angst voor een inzakkende carrière – te maken hebben met die ene grote gruwel: de (peri)menopauze.
Bij de paniek die daardoor ontstaat, past het groteske geweldig. Hier wordt met verbetenheid gegrepen naar het leven met een veronderstelde dood op de hielen. ‘Deze dans moest lukken, want van nu af aan zou praktisch alles mislukken, de teleurstelling zou alles overheersen.’ Het lichaam heeft alleen nú nog een kans. De escapades, de verwarring, de begeerte: ze komen voort uit een wanhopige poging niet in de afgrond van de toekomst te vallen.
De vrouw blijkt een oma en een tante te hebben gehad die uit het raam sprongen toen de grijze haren en de overgang zich aandienden. Uiteindelijk is haar avontuur een triomf over hun lot – en daar raakt de roman op pijnlijke, volstrekt niet meer absurdistische manier aan een groot onderwerp dat er voor de halve mensheid serieus toe doet: de knarsende, ontwrichtende overgang van jong, begeerlijk en elastisch naar grijs en onzichtbaar.
De kracht van het boek is dat July daar een wervelend, geestig verhaal over weet te vertellen, waarin het fenomeen nergens wordt afgedaan als een stuiptrekking. De reactie van July’s personage en alter ego lijkt hier en daar bizar en extreem maar juist daardoor roept het boek uit: bagatelliseer het maar eens!
Miranda July: All fours. Uit het Engels vertaald door Lydia Meeder. De Bezige Bij; 384 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant