Home

De nieuwe ministersploeg rekt de scheiding tussen mens en minister op tot een absurdistisch theaterstuk

De schitterendste beschrijving van een zelfbedachte scheiding tussen mens en minister staat in De graanrepubliek, de klassieker van Frank Westerman over Groningse graanboeren en landbouwhervormer Sicco Mansholt, waarin over Mansholts jaren als Landbouwminister (1945-1958) het volgende staat: ‘Verscheen er een lasterlijk stuk in een regionaal blaadje, waarin de minister van Landbouw ‘lafheid in de oorlog’ werd verweten, dan stapte hij in zijn dienstauto en reed naar het redactielokaal. ‘Heb jij dit geschreven’, vroeg hij aan de hoofdredacteur, zijn vinger op de gewraakte tekst. Een bevestigend knikje, en Mansholts vlakke hand striemde over zijn wang. Later in de Kamer excuseerde hij zich met de woorden: ‘Ik sloeg hem als mens, niet als minister.’’

Het rollenspel mens/minister levert wel vaker fascinerende stof op. Gedenk Hilbrand Nawijn, kortstondig minister van Vreemdelingenzaken in het CDA-LPF-VVD-clownskabinet, die hardop droomde over herinvoering van de doodstraf, en die, nadat de pleuris in Kamer en kabinet was uitgebroken, haastig verduidelijkte dat hij dit ‘als mens’ vond. Niet als minister.

Over de auteur

Sheila Sitalsing is podcastpresentator en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Dat de mens soms iets anders vindt dan de minister, is heus niet ongebruikelijk. Het komt geregeld voor dat een minister beleid moet uitvoeren dat niet strookt met de opvattingen die hij er als mens op nahoudt, met als meest beklagenswaardige voorbeeld Gerd Leers, de Immigratieminister die zijn termijn in Rutte I zachtjes snikkend heeft doorgebracht. De ongeschreven regel is dat de mens zijn bezwaren inslikt en inzichtelijk maakt wat het compromis is waar hij zich als minister achter schaart. Hij zal als minister uitsluitend nog ‘namens het kabinet’ spreken.

Daar zit de ijzeren logica achter dat het landbestuur een serieuze aangelegenheid is waarin woorden consequenties hebben, het parlement moet kunnen controleren of de regering het beleid uitvoert zoals afgesproken, en de mensen recht hebben op een betrouwbare overheid die niet voortdurend wordt gehinderd door bewindslieden die vrijelijk filosoferend de eigen wet- en regelgeving in twijfel lopen te trekken. Daarom is Mona Keijzer horizontaal uit Rutte III geknikkerd toen ze in het openbaar het covidbeleid van de eigen regeerploeg begon af te kraken.

Maar de nieuwe ministersploeg, die volgende week met de koning op het bordes staat, rekt de scheiding mens/minister op tot een absurdistisch theaterstuk. Niet de hypocrisie (als mens een bouwproject saboteren op basis van argumenten die je als minister van tafel wilt vegen) is het opmerkelijkst, want schijnheiligheid zien we wel vaker in Den Haag. Het stuitendst is het fenomeen van de aankomende bewindspersoon die vroeger racist was, maar nu even niet. De mens blijft omvolkingstheoreticus, de minister houdt deze opvatting voor de zittingsduur van dit kabinet vóór zich.

Alsof het ministerschap een toneelspel is; je hoeft er alleen een tekst voor uit het hoofd te leren en te letten op de regisseur. Vandaar ook het meest gegeven antwoord wanneer nieuwe bewindslieden wordt gevraagd te reflecteren op hun opvattingen en daden als mens: ze weigeren zichzelf te ‘recenseren’. Het toneelstuk is immers nog niet afgelopen.

De voltallige nieuwe coalitie goochelt gretig met rollen. Zo stapelde Dilan – ‘nareis op nareis op nareis’ – Yesilgöz niet als minister maar ‘als VVD-partijleider’ leugen op leugen over de aantallen nakomende familieleden van asielzoekers.

En zo zou Martin – ‘Het slavernijmuseum wordt een antiblank haatpaleis’ – Bosma niet als PVV’er een krans leggen op 1 juli (de dag die officieel Emancipatiedag heet, een woord dat premier Schoof vast makkelijker kan uitspreken dan Keti Koti – hij sprak van ‘Tikkie eh’ en viel van schrik stil), maar ‘als Kamervoorzitter’. Dat de samenleving daar een stokje voor heeft gestoken, toont aan dat je weliswaar geschminkt op het podium kunt gaan staan en luid kunt zeggen ‘Nu speel ik dat ik een fatsoenlijke man ben’, maar dat de meeste mensen daar niet in trappen. Ze willen fatsoenlijk bestuurd worden, ze hoeven geen theater.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next