Programmamaker en jurist Sahar Shirzad richtte een beweging op voor ‘refugee millennials’ als zijzelf. ‘Wij vormen een generatie die in alle lagen van de bevolking invloedrijk is. Die gezamenlijke stem is het doel, niet zozeer het kweken van empathie bij witte Nederlanders.’
Als 12-jarige raakt ze plotseling haar beste vriendin kwijt: ‘Medina en ik deden enorm veel samen, we waren heel close. Zij woonde in het azc van Sneek en ik niet, maar verder was er geen verschil tussen ons, dacht ik.’ Maar haar Bosnische vriendin moet in 2003 terug naar haar land van herkomst: ‘Bosnië werd veilig geacht, Afghanistan niet. Dat verschil in behandeling vond ik zo onrechtvaardig. Mijn sociale rechtvaardigheidsgevoel is toen enorm aangewakkerd.’
De gebeurtenis legt de kiem voor haar specialisatie internationaal recht, zo’n tien jaar later, met een scriptie over de vraag: op basis van welke criteria worden landen veilig verklaard en worden dus mensen teruggestuurd? Dat onderzoek brengt Sahar Shirzad in een ‘schemergebied met ondoorzichtige politieke en economische argumenten’. Voor haar staat één conclusie vast: ‘In strijd met het Vluchtelingenverdrag, dat discriminatie op basis van geslacht, religie en nationaliteit verbiedt, maken Europese landen, waaronder Nederland, onderscheid per land. Dat komt neer op discriminatie op basis van nationaliteit en is dus illegaal.’
Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Het gedwongen vertrek van haar vriendin in 2003 leert haar ook een belangrijke les in de familiesfeer: ‘Ik besefte dat ik mezelf moest troosten, want mijn moeder was daar niet toe in staat. Ik was intens verdrietig, maar zij zei: ‘Het is toch niet je eigen familie die is teruggestuurd.’ Zij vond dat we vooral met ons leven door moesten. Begrijpelijk wel, gezien haar eigen verleden, maar ik voelde een enorme kloof.’
Extra complicatie: veel sneller dan haar ouders integreert ze in de Nederlandse samenleving. ‘Dat leidde tot iets wat je veel ziet bij refugee millennials, de kinderen die in de jaren tachtig en negentig naar Nederland zijn gekomen: parentificatie. Als kind neem je de rol van ouder over van je ouders, wat de relatie erg ingewikkeld maakt.’
Na haar studie wil ze de wereld via de politiek verbeteren – als 23-jarige doet ze een poging voorzitter te worden van de Jonge Socialisten, de PvdA-jongerenorganisatie: ‘Ik was ambitieus, sommige witte jongens konden daar slecht tegen. Een van hen zei: ‘Terwijl wij onze kilometers maken, steekt dat vluchtelingenmeisje ons zo maar voorbij.’ Wanneer ik fouten met lidwoorden maakte, lachten ze me uit. Achteraf ben ik blij dat ik die verkiezing verloor, in hart en nieren ben ik meer activist dan politicus.’
In 2018 komt ze terecht bij het Haagse Humanity House, een ‘vluchtelingenbelevingsmuseum’ waar Shirzad onder meer publieksprogramma’s voor refugee millennials organiseert. In 2021 zet de machtsgreep van de Taliban in Afghanistan haar leven op zijn kop. Tegenwoordig werkt ze bij de ideële Stichting Democratie en Media, waar ze verantwoordelijk is voor burgerbewegingen.
Hoe beleefde u uw eerste jaren in Nederland?
‘Ik was een nieuwsgierig, praatgraag en onafhankelijk meisje, de jongste in een gezin met drie kinderen. In Witmarsum kwam ik in groep 3 op een basisschool tussen Friese, witte kinderen. In de klas wees ik voorwerpen aan en dan zeiden mijn klasgenoten het bijbehorende woord. Binnen drie weken sprak ik Nederlands, dat voelde geweldig. Ik was een jaar ouder dan de anderen, want ik had ongeveer anderhalf jaar school gemist, zo vaak hadden we na onze aankomst in Nederland moeten verhuizen. Maar in groep 7 bleek uit een Cito-toets dat ik groep 8 kon overslaan, ik maakte een inhaalslag. Helaas mocht ik niet naar het vwo, ondanks een vwo-Cito-score. Ze waren bang dat ik iets zou overslaan. Gelukkig kwam het tijdens mijn middelbareschooltijd in Sneek alsnog goed.’
Op de basisschool kreeg u door ‘11 september’ met uw Afghaanse afkomst te maken.
‘Dat was in groep 5, toen ik 10 was. Mijn klasgenoten dachten dat Bin Laden een Afghaan was, niet een onuitgenodigde Saoediër. Dus kreeg ik op het schoolplein te horen dat ik ‘de dochter van Bin Laden’ was. Ik wist niet hoe ik me daartoe moest verhouden. Ik wilde me vooral aanpassen, mijn achtergrond kon ik toen niet begrijpen, laat staan omarmen.’
Wat betekende dat voor uw pogingen tot aanpassing?
‘Ik kon goed tegen het pesten door mijn klasgenoten. Natuurlijk raakte het me dat ik als anders werd gezien, maar ik voelde tegenover hen geen bewijsdrang. Ik was vooral gericht op mijn leraren, tegenover hen wilde ik me bewijzen. Ik was me al jong bewust van het systeem.’
Wanneer raakte u politiek geëngageerd?
‘Dat begon op mijn 12de met de uitzetting van Medina, al noemde ik het toen nog niet zo. Vanaf die tijd ben ik tegen discriminatie en racisme gaan strijden. Mijn andere beste vriend kwam uit Rwanda, een tengere jongen, terwijl ik zo’n mollige, Afghaanse puber was. Wanneer wij samen door Sneek liepen, gaf dat nogal een ander beeld dan Friese kinderen. Op een keer werd hij door een jongen op straat uitgescholden met het n-woord. Ik heb die jongen keihard geslagen en riep: ‘Dat ga je nooit meer doen.’ Ik heb ook figuurlijk gevochten, tegen het betuttelende onderwijssysteem dat kinderen met een achtergrond van vluchten of migratie stelselmatig een te laag advies geeft. Dat is nog altijd een probleem.’
Hoe bent u zich tot uw Afghaanse afkomst gaan verhouden?
‘Aanvankelijk liet ik daar weinig ruimte voor, ik wilde vooral op inhoudelijke kennis worden beoordeeld en het goed doen. Mijn vluchtelingenachtergrond heb ik onbewust lang weggedrukt, ook al omdat ik het idee had een nepvluchteling te zijn. Ik had geen lange reis van grens tot grens gemaakt, zoals mijn vader en mijn oudere zus, maar was met mijn moeder en broer in een vliegtuig gekomen. Echte vluchtelingen leken me mensen die door bossen hadden gelopen of op zee in een boot hadden gezeten. Later merkte ik dat mijn vliegangst te maken had met het feit dat we destijds eigenlijk het vliegtuig niet in mochten, het is heel spannend geweest.
‘Met mijn vluchtachtergrond word ik altijd weer geconfronteerd: waar kom je vandaan, hoe lang ben je hier, ben je wel eens terug geweest? Die vragen krijg je vaak binnen vijf minuten. Ik draag het Afghaans zijn altijd bij me. En dat is ook zo voor veel anderen. Een vrouwelijke dokter met een Irakese achtergrond vertelde me dat ze geregeld de vraag krijgt: waarom ben je geen dokter in Irak? En een anesthesist grapte tegen haar: je draagt onder je witte jas toch geen bomgordel? Met dat soort microracisme krijgt ze te maken, terwijl ze gewoon haar beroep wil uitoefenen als ieder ander.’
Hoe verhoudt u zichzelf nu tot uw afkomst?
‘Ik ben het verhaal gaan omarmen en er trots op geworden. Toen ik 27 was, had ik een soort ‘uit de kast’-moment. Op een tentoonstelling over vluchtelingen in Humanity House barstte ik in tranen uit, toen ik in een vitrine een dagboekje zag dat een meisje in een azc met glitterpen had geschreven. Ik besefte dat ik in mijn eigen azc-tijd net zo’n boekje had bijgehouden, dat ik ook een kind op de vlucht ben geweest. Ik realiseerde me toen ook dat ik de verbinding met dat deel van mijn identiteit kwijt was geraakt. Dat overkomt veel generatiegenoten die zich geheel richten op zichzelf bewijzen binnen het systeem.
‘Bij Humanity House ben ik een beweging begonnen van refugee millennials. Door onze verhalen te verzamelen en zo elkaars stille eenzaamheid weg te nemen, vormen we samen een krachtige stem. Wij kunnen veel voor Nederland betekenen, we vormen een generatie die in alle lagen van de bevolking invloedrijk is. Die gezamenlijke stem is het doel, niet zozeer het kweken van empathie bij witte Nederlanders met onze vluchtverhalen.’
Wat is er tegen dat laatste?
‘Ik wil niet langer onze verhalen gebruiken om de indruk te wekken dat we ‘goede vluchtelingen’ zijn die netjes ABN spreken en goed integreren, om zo een gelijkwaardige behandeling voor elkaar te krijgen. Nee, we hebben recht op gelijkwaardigheid, dat is ons mensenrecht. Maar die kijk erop is ons ontnomen vanaf onze komst naar Nederland. Sindsdien is ons ingeprent dat we dankbaar moeten zijn dat we hier mogen blijven. Dan ben je niet gelijkwaardig aan iedere andere Nederlander.’
In 2021 namen de Taliban de macht in Afghanistan over. Wat betekende dat voor u?
‘Ik heb een jaar lang alles opzij gezet om de stem te kunnen zijn van Afghanen. Nergens ter wereld is het zo slecht met vrouwenrechten gesteld, vrouwen en meisjes mogen al duizend dagen niet naar school – het is het enige land met genderapartheid.
‘We hebben een beweging van de grond af opgebouwd, Azadi, waarmee we duizenden mensen op de Dam hebben gekregen. Met lobbyen en petities hebben we om aandacht gevraagd. Ik trad op bij demonstraties, bijeenkomsten, in de media. Met liefde vervul ik die rol. Niet iedereen kan die op zich nemen, niet iedere jonge Afghaanse vrouw hoeft mijn vechtlust te hebben. Een gelukkig en vrij leven zie ik ook als een vorm van verzet.’
Lukt dat laatste u ook?
‘Zeker, ik ben een gelukkige, vrije, queer Afghaanse vrouw. Dat is ook een bron van energie voor me, niet alles in mijn leven hoeft politiek te zijn. In het chaotische eerste jaar na de val van Kabul ben ik daar niet aan toegekomen. Ik had toen veel rouwarbeid te verrichten, omdat ik vaarwel moest zeggen tegen mijn droom van een Afghanistan waarin ik vrij zou kunnen leven. Dat voelde alsof ik een geliefde verloor. In mij zit ook de Sahar die ik geweest zou zijn als ik in Afghanistan zou hebben gewoond.
‘Na dat eerste jaar was ik doorgedraaid en ben ik gaan reizen. Nu richt ik me naast mijn activisme op vrijheid en geluk voor mezelf. Het zou hypocriet zijn voor vrijheid daar te strijden, maar die hier niet te beleven. De basis daarvoor is goed met mezelf omgaan en mijn eigen grenzen te kennen. Pas dan ben ik echt tot naastenliefde in staat.
‘Mijn geloof helpt me daarbij. Ik ben niet gelovig opgevoed, maar in 2020, een jaar voor de machtsgreep van de Taliban, heb ik leren bidden. Ik verlangde diep ernaar in iets groters te geloven dan ikzelf. Ik besefte: ik kan dit leven niet alleen aan. Ik ben tot God gekomen en ben Jezus ook als mijn God gaan zien. Vanaf het moment dat ik op m’n knieën durfde te gaan, heb ik steun ervaren. Ik denk dat het mijn redding is geweest in het jaar dat de Taliban aan de macht kwamen. Mijn geloof stelt me in staat te leven volgens het principe waar het volgens mij in het leven om draait: heb uw naaste lief als uzelf.’
Wie is dan in uw optiek uw naaste?
‘Dat is de hoofdvraag. In mijn ogen beperken we ons daarin te veel door ons antwoord aan de hand van landsgrenzen te bepalen. Dat leidt ertoe dat we mensen uitsluiten en ontmenselijken. Je hoeft niet naar Afghanistan of Irak te reizen om te zien dat we naasten zijn, we zijn al elkaars buren. Vooral voor volgende generaties kinderen op de vlucht hoop ik dat we leren zachter met elkaar om te gaan. Dat is mijn waarheid.’
Boektip:
Citroeninkt, Maral Noshad Sharifi
‘Dit boek ontroerde me zeer, omdat hierin het verhaal wordt verteld van mijn generatie, de refugee millennials, vanuit het perspectief van een kind. Dit boek zou verplicht moeten zijn voor ouders en kinderen die met kinderen met een vluchtachtergrond te maken krijgen. Op prachtige wijze helpt het ons naastenliefde te trainen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant