Home

De Tour is ook drie weken je kop erbij houden: ‘Het brein zegt nee, niet de benen.’

Het uitrijden van de Tour de France is een monumentale fysieke prestatie. Veel renners menen echter dat de mentale belasting nóg zwaarder is, zeker voor de klassementsmannen. Wat maakt wielrennen mentaal zo’n uitdaging?

Is het winnen van de Ronde van Frankrijk, die zaterdag begint, meer een prestatie van het brein of van het lijf? Steeds meer wielrenners, ploegleiders, trainers en wetenschappers neigen naar het eerste en vinden de mentale belasting van drie weken fietsen-om-te-winnen groter dan de fysieke aanslag. De aandacht voor beide is ongelijk: ploegen nemen fysiotherapeuten en diëtisten standaard mee naar de Tour, maar zelden psychologen.

Iemand die de Tour wil winnen, moet geestelijk én fysiek fit zijn, legt Joris Nieuwenhuis uit. ‘Je hebt uiteindelijk gewoon beide nodig’, zegt de renner die twee keer de Tour uitreed in 2020 en 2021 en één keer de Vuelta in 2022. Tegenwoordig legt hij zich met veel succes toe op het veldrijden – Nieuwenhuis is nationaal kampioen. ‘Het is heel persoonlijk: een renner kan fysiek heel goed zijn, maar mentaal niet, en andersom. Het moet in balans zijn.’

Wat ‘mentale belasting’ precies is, is minder concreet dan fysieke zwaarte. ‘Het is de druk, het omgaan met vermoeidheid, de pijn en ook zaken als de pers’, zegt sport- en prestatiepsycholoog Yannick Balk, ‘alles wat niet onder fysieke belasting valt.’ Balk ondersteunt Nieuwenhuis sinds hij enkele jaren ‘mindset expert’ was bij Team DSM, de toenmalige ploeg van de renner.

‘Verwachting’, is wat Nieuwenhuis verstaat onder mentale belasting. ‘Van jezelf, van je team, van de media, de buitenwereld, je familie. Plus de onzekerheid over hoe dingen lopen en wat je tegenstanders doen.’

Over de auteur

Robert Giebels is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft over wielrennen en Formule 1.

Geen enkele wielerwedstrijd is zo’n aanslag op het brein als de Tour de France, is de ervaring van de renner. De verwachtingen zijn het honderdvoudige. ‘Er is opeens zóveel meer aandacht, zelfs van je tante die nooit eerder naar wielrennen keek.’

Pijn

Pijn is het meest intrigerende aspect van sport in het algemeen en wielrennen in het bijzonder – van de krabbelende recreant tot de beste renner van de wereld. In pijn komen immers de fysieke en mentale belasting samen. Wat bepaalt de pijngrens, is de vraag in recent wetenschappelijk onderzoek.

Daarbij wordt volgens psycholoog Balk het antwoord steeds duidelijker: ‘Het is het brein dat ‘nee’ zegt, niet de benen.’ Het besluit om met de inspanning te stoppen komt uit de hersenen. ‘Niet omdat de longen of de benen niet meer kunnen, maar omdat het brein denkt: ik bescherm jou tegen potentieel overlijden.’

Tom Simpson stierf in 1967 op de Mont Ventoux door uitputting. De laatste woorden van de Britse oud-wereldkampioen: ‘Put me on my bike.

Het beschermingsmechanisme van het brein functioneerde mogelijk niet, legt Balk uit, door inname van amfetamine. ‘Dat blokkeert de perceptie van het brein dat daardoor niet goed meer kon waarnemen hoe ver Simpson zijn lijf al de vernieling in had gereden.’

Het brein zegt voor de zekerheid ‘stop’ en houdt daarbij een bepaalde reserve. Prima voor iemand die fietst uit liefhebberij, maar het voorbehoud is net te groot voor een prof die de Tour wil winnen. ‘Die renner kan mentale technieken aanwenden om de reserve die het brein houdt, zo klein mogelijk te maken.’

Hoe? Door de hersenen de informatie te onthouden die erop zou kunnen duiden dat de dood om de hoek loert. Dus in plaats van denken aan pijn, verzuring en opgeven, moet de renner zich extreem focussen op bijvoorbeeld het wiel van zijn voorganger, zijn trapbeweging en -frequentie of, zoals Nieuwenhuis doet in de moeilijke momenten, de ademhaling. ‘Diep inademen, lang uitademen en daarin een ritme vinden. Zolang mijn gedachten daar naar uit gaan, voorkom ik dat ik aan iets negatiefs denk zoals dat ik nog tien kilometer moet klimmen.’

Mathieu van der Poel

Als hij in een wedstrijd op de limiet zit, weet Nieuwenhuis van zichzelf, krijgt hij makkelijk zelfmedelijden of wordt hij emotioneel. Om dat uit te schakelen en zich te focussen op zijn taak, haalde hij de vijf wijsheden over lijden erbij van de Griekse filosoof Epictetus, die als voormalige Romeinse slaaf het een en ander wist over afzien.

‘Het is niet wat er met je gebeurt, maar hoe je erop reageert, wat ertoe doet’, etste Nieuwenhuis in zijn hersenen. Remco Evenepoel deed vorig jaar in de Vuelta hetzelfde op weg naar een comebackzege.

Pijntolerantie vergroten, noemt Balk het als het brein verkeerde gedachten vervangt door goede. ‘Of je dat kunt, is deels aangeboren, maar voor een groter deel trainbaar.’ Hij verwijst naar een etappe van de Tirreno-Adriatico van 2021 waarin Mathieu van der Poel dacht de kou en de onophoudelijke regen te lijf te gaan met een solo van 50 kilometer. Hij won en stortte na de finish compleet in. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo diep ben gegaan in een wedstrijd’, zei hij ruimschoots na afloop, nog altijd rillend.

‘Van der Poel zei dat hij op een schaal van 1 tot 10 deze inspanning waardeerde met een 11’, zegt Balk. ‘Daarmee kreeg hij een nieuw referentiekader van ‘ik kan eigenlijk nog meer pijn verdragen’. Een leerervaring om de pijngrens te verleggen.’

Dat verleggen tien, vijftien seconden volhouden kan het verschil maken tussen winst en verlies, hield Balk de ploegleiding van Team DSM voor. ‘Het brein weegt af: is deze inspanning het doel waard? Een ‘ja’ laat renners boven zichzelf uitstijgen.’

Renners zoals Julian Alaphilippe die in 2019 pas op het eind van de Tour uit het geel werd gereden, simpelweg omdat het tricot hem maar bleef inspireren. ‘Het doel wordt mooier, groter en waardevoller en dat is voor het brein input om langer door te gaan.’ Met andere woorden: dat een gele leiderstrui vleugels geeft, is geen mythe, maar waarheid.

Winnaar

Elke renner wil het altijd goed doen voor zichzelf, legt Nieuwenhuis uit. Hij weet precies wanneer hij goed is en minder goed en wat hij van zichzelf kan verwachten. Als zo’n renner, laten we zeggen een sprinter, in zijn eerste Tour in enkele etappes top-10 rijdt, zijn de verwachtingen voor volgend jaar hooggespannen. ‘Dat doet wat met zo’n sprinttalent, dat heb ik meermaals gezien. Want opeens komt de druk niet meer van jezelf.’

De buitenwereld reageert eerder negatief dan positief, is Nieuwenhuis’ ervaring. ‘En het negatieve komt ook nog eens veel harder binnen.’ Je ervoor afsluiten is moeilijk; de portee van wat op sociale media verschijnt, sijpelt op den duur altijd naar binnen. ‘Maar het is eigenlijk alleen maar ruis.’

Nieuwenhuis, die zijn twee Tours uitreed, denkt veel over de dingen na. Bijvoorbeeld wat een potentiële winnaar van een van de zwaarste sportevenementen ter wereld onderscheidt van, nou ja, hemzelf. ‘Ik had dagen waarop ik alleen hoefde te finishen. Zo’n ‘rustdag’ is zo lekker om even uit te schakelen.’

Wie de Tour wil winnen kan zich zo’n dag echter beslist niet veroorloven. ‘Die renners moeten altijd aanstaan, in en buiten de koers.’ Niet voor niets zijn er maar heel weinig Tour-winnaars. Drie weken is er de angst dat het scherp afgestelde lichaam iets oploopt door een virus of een valpartij. Er is de stress van drie weken het juiste eten in de juiste hoeveelheden en goed slapen.

Relativeren

En vooral: extreem zuinig met energie omgaan. Dat uit zich bijvoorbeeld in de verplichte persconferenties van de geletruidrager. Op de dag dat Tadej Pogacar en Jonas Vingegaard het geel veroverden, spraken ze in hun enthousiasme honderduit. Maar al de volgende dag beperkten ze zich tot nietszeggende clichés en aan het eind van de Tour duurden hun ‘persconferenties’ minder dan een minuut.

Na een nacht met weinig slaap stappen de meeste renners onzeker op de fiets, weet Nieuwenhuis. ‘De benen voelen minder en daar ga je dan over nadenken.’ Een toprenner heeft dat niet, zegt hij. ‘Die kan enorm goed relativeren en omgaan met teleurstellingen, ook in het dagelijks leven.’ Dat blijkt ook uit onderzoek, vult Balk aan. ‘Obsessiviteit en perfectionisme kenmerkt de absolute topper, maar ook dat ze dat op het juiste moment los kunnen laten. Dat is gezond; ze weten dat ze niet 24/7 aan kunnen staan.’

Vier van zulke renners gaan in de komende Tour mogelijk uitmaken wie zondag 21 juli in Nice wint, Pogacar, Vingegaard, Evenepoel en Primoz Roglic. Na al zijn observaties en denkwerk op en naast de fiets kwam Nieuwenhuis tot deze conclusie over die vier: ‘Uiteindelijk is het onderscheid niet zozeer fysiek, maar vooral mentaal.’ De winnaar wordt degene die het best in staat is om, wanneer het even tegenzit, het hoofd koel te houden. ‘Gefocust blijven op het doel en de goede dingen doen.’

Nog een wereld te winnen

In de drie weken extreme stress van de Tour zouden volgens psycholoog Yannick Balk en renner Joris Nieuwenhuis renners mentaal net zo vanzelfsprekend begeleid moeten worden als fysiek. Dat gaat nog wel even duren, denkt Nieuwenhuis als hij van collega-renners hoort: ‘Ik geloof niet in mental coaches, want bij mij werkt dat niet.’

De acceptatie van mentale begeleiding in het wielrennen neemt desondanks langzaam toe, maar vooral als oplossing voor een bepaald probleem. ‘Niet om renners te verbeteren, wat wel het doel is van bijvoorbeeld voedingsdeskundigen’, is de observatie van Nieuwenhuis. ‘Begeleiding aan de voorkant’, noemt Balk dat: geen pleisters op het brein plakken, maar proactief zijn om de prestatie te verbeteren.

Wat daarvoor nodig is? ‘Psychologen een vast onderdeel maken van elke wielerploeg’, stelt Balk. Zover is het volgens Nieuwenhuis nog lang niet. ‘Er is nog een wereld te winnen.’

Schrijven om te verwerken

Omdat er tijdens de Tour geen vertrouwenspersoon was om zijn verhaal aan te vertellen, vertrouwde renner Joris Nieuwenhuis zijn gedachten toe aan het papier. ‘Als ik het nu teruglees is het wat chaotisch’, zegt hij. Hij komt aantekeningen tegen waarin hij probeerde nog onbekende situaties te visualiseren. ‘Om ze als het ware voor te zijn.’

Of over die ene keer in zijn eerste Tour dat hij een fout had gemaakt en de wind van voren kreeg van een ploeggenoot. ‘Daar had ik het moeilijk mee, want nooit eerder werd ik zo hard aangepakt.’ Door erover te schrijven kon hij het verwerken, afsluiten en ook relativeren. ‘Dit is de extreme spanning van de Tour’, schreef hij, ‘en die jongen staat ook heel erg onder druk.’

Ook pende Nieuwenhuis zijn gedachten neer over de woorden van filosofen zoals Socrates – ‘die me leerde dat het goed is om zoveel mogelijk vragen te stellen aan ervaren renners’ – en Epictetus – ‘Als je beter wil worden, wees dan tevreden als men je aanziet voor dwaas en dom’. ‘Het gaf me houvast over het accepteren van de realiteit van een wedstrijd. Het hielp me om beter te presteren.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next