Home

Basislijn maakt juist de coalitie cynisch

De regering-Wilders mag intussen meer negatieve dan positieve reacties oproepen – volgens onderzoeksbureau Ipsos I&O is nog maar 39 procent van de Nederlanders op voorhand tevreden over het komende (radicaal-)rechtse kabinet, tegen 50 procent toen de ministersploeg een maand geleden nog niet bekend was – juist die scepsis plaatst de oppositie voor een klassiek dilemma: constructief zijn ter wille van het kleinere kwaad of politiek polariseren?

Het Oekraïnebeleid is een pregnant voorbeeld. In een interruptie eind mei vroeg Tweede Kamerlid Silvio Erkens (VVD) aan fractievoorzitter Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA) of hij de steun voor Kyiv vanuit de oppositie blijft schragen. Timmermans antwoordde: „Ja, wij zullen Oekraïne nooit laten vallen.” Maar hij eiste wel dat de VVD op haar beurt zou zorgen voor de steun van álle coalitiepartners, dus ook van PVV en BBB. Zelfs als Wilders zich op dit „cruciale punt van nationale veiligheid” toch niet zou laten disciplineren, zou GL/PvdA dat doen, mits de VVD dan zou breken met de PVV en instemmen met nieuwe verkiezingen. Erkens noemde die voorwaarde „cynisch”. Timmermans riposteerde dat de VVD kennelijk niet zo zeker is dat ze de PVV „aan boord” kan houden wanneer Wilders wil „buitenspelen” met poetinistische geestverwanten als Orbán en Le Pen.

Deze positie van GL/PvdA is best uit te leggen. Waarom zou de oppositie een vrijbuitersrol van de VVD moeten faciliteren zodat die regeringspartij het beste van twee werelden kan krijgen: met de oppositie de internationale rechtsorde beschermen en tegelijkertijd met de PVV een binnenlandse agenda realiseren? Ware het dat die klassieke context er niet meer is.

Met de entree van het (radicaal- )rechtse kabinet betreedt ook de oppositie ongekend terrein. De hoorzittingen met elkaar tegensprekende of biechtende bewindslieden gaven afgelopen week al een voorproefje van wat komen kan. De ‘homogeniteitsregel’, dat de regering met één mond spreekt, staat onder druk. De kans is klein dat de premier van dienst de ministerraad snel onder de knoet heeft. De echte regeringsleider zit immers in de Tweede Kamer.

De oppositie krijgt niettemin op voorhand reeds het advies niet te polariseren maar vooral een ‘eigen verhaal’ te vertellen. Daar zit iets in. Zelfvertrouwen biedt inderdaad meer perspectief dan tomaten gooien, zoals de SP sinds 2006 nu al vijf verloren verkiezingen op rij wordt ingepeperd.

Maar eigen verhalen zijn onvoldoende. Er staat meer op het spel. Aan de orde is ook de constitutionele ‘basislijn’ van de coalitiepartijen. Juist het feit dat de vier daartoe een aparte tekst hebben moeten opstellen, waarin niet meer staat dan wat ze bij hun beëdiging al hadden gezworen of beloofd, noopt ertoe de rechtsstaat niet blind toe te vertrouwen aan de regeringspartijen. Zoals managers die transparantie preken vaak iets hebben te verbergen, zo laden de politici die open deuren intrappen de verdenking op zich iets stiekems te beramen.

De oppositie moet de grenzen van de basislijn dus zelf bewaken. Het ‘draaiboek’ uit Hongarije en Polen strekt tot lering. Volgens de Groningse hoogleraar John Morijn is er „geen enkele reden om aan te nemen dat zich in Nederland dat patroon heel anders zal gaan ontrollen”.

Indachtig de analyse van Morijn zou de oppositie bijvoorbeeld een overkoepelende fractiecommissie kunnen installeren die waakzaam is op elk rechtsstatelijk norm-ondermijnend gedrag vanuit de regeringscoalitie en daarbij niet alleen op eigen inzichten afgaat, maar ook een ‘meldpunt’ opent om alle signalen uit de wereld van politie, openbaar ministerie, advocatuur, rechtelijke macht, universiteiten en journalistiek te verzamelen en te openbaren.

Wie te laat reageert wordt immers door de geschiedenis ingehaald.

Source: NRC

Previous

Next