Daar struikelt Joey Veerman over de bal. Tamelijk lullig. De bal valt achter hem en Veerman valt naar voren. Je ziet het weleens bij een pupillenwedstrijd, zo’n valpartij. Bij zo’n jongetje dat van zijn vader op voetbal móét, terwijl hij zich veel meer thuisvoelt bij de padvinders.
Meer dan de helft van de ballen levert Veerman in, dinsdagavond tegen Oostenrijk. Anderen spelen ook slecht, maar niet zo slecht als Veerman.
Zijn worsteling met de bal, met de tegenstander, met zichzelf, de grassprieten, zijn radeloosheid, het bijten in zijn shirt en de opkomende tranen na zijn vroege wissel; het voelt als krassende nagels over een schoolbord.
Over de auteur
Bart Vlietstra schrijft voor de Volkskrant over voetbal.
Het is als dat ene cruciale tentamen waarbij je plotsklaps niets meer weet. Het rijexamen waarbij je steeds naar rechts rijdt, terwijl de instructeur ‘links, links, LINKS!’ in je oor tettert. De minst aantrekkelijke persoon op de dansvloer die je aan het eind van de avond óók al met walgende blik afwijst.
Je hoofd wordt licht, je lichaam warm en klam, je mond gortdroog. Je wilt verdwijnen, je wilt weg, ontwaken. Maar Veerman zit gevangen. En niet in een klaslokaal, auto of discotheek. Maar in Duitslands grootste stadion. Bijna 70 duizend mensen zien hem falen, en nog eens miljoenen voor de buis.
Velen zullen schelden, hun woede koelen in het bijzijn van hun buren, collega’s, vrienden en daarna hun telefoon pakken en een Veerman-rant op sociale media rammen. Want dit is hún toernooi, hún oranjezomer en die goedbetaalde Veerman is dat dus hartgrondig aan het verpesten.
Dat komt onbewust misschien ook een beetje door Veerman zelf. Immer comfortabel aan de bal, immer een lach op het gezicht na afloop, vrij van zenuwen schijnbaar. In grote wedstrijden van PSV gaf hij lang niet altijd thuis, maar grote wedstrijden speelde hij ook nog niet veel. In de eredivisie, waar we in Nederland toch het meeste van zien, verstuurde hij afgelopen seizoen ontelbare fijne, achteloos gegeven passes als regisseur van het soevereine kampioenselftal van PSV. Met Jerdy Schouten en Denzel Dumfries klikte het ook uitstekend tegen IJsland, een week voor de EK-start.
Veerman bevestigde destijds vrolijk de vrolijke verhalen over hem. ‘Het gaat wel lekker, ja’. Al waarschuwde hij zelf dat hij geen Frenkie de Jong was. ‘Onze beste voetballer.’ Niemand die het wilde horen. Veerman werd naar AC Milan gepraat of naar Real Madrid geschreven, als opvolger van Toni Kroos. Daar wordt vijftien dagen later, vaak door diezelfde mensen, heel hard om gelachen. De interlandcarrière van Veerman is voorbij, wordt zelfs gesteld.
Ik herlees een dag later een interview van Volkskrant-collega Guus Peters met Veermans ouders in Volendam. Elke zaterdag drinkt zijn vader een paar biertjes op de Dijk met zijn vrienden en het eerste gespreksonderwerp is dan altijd zijn zoon. Elke klant van zijn zus, die kapster is, begint over ‘Klaus’, zijn bijnaam in het dorp.
Na zijn debuut in Oranje was de straat versierd en stond de buurt voor hem te klappen toen hij langskwam bij zijn ouders.
Versieren hoeft van mij niet als Veerman straks weer eens aanwaait, klappen ook niet. Maar een klopje op de schouder en daarna een vrolijk verhaal over iets anders dan voetbal wens ik hem wel toe.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns