Anna van den Breemer schrijft elke week over een alledaags opvoedkundig probleem waarvoor ze een oplossing zoekt.
In de klas van de dochter van een collega stelde de leraar onlangs de vraag: ‘Wie denkt dat de beelden van astronauten op de maan nep zijn?’ Er gingen best wat handen de lucht in. Deze kinderen uit groep 8 hadden online filmpjes gezien met de boodschap dat de maanlanding in scène was gezet. Hoe geef je voorlichting over nepnieuws en desinformatie?
Zo’n 70 procent van de jongeren (12-18 jaar) gebruikt sociale media als Instagram en TikTok om op de hoogte te blijven van het nieuws. Dat blijkt uit het grootschalige Apestaartjaren Onderzoek naar het mediagebruik en de mediawijsheid van duizenden Vlaamse tieners. In de jongere leeftijdsgroep (8-12 jaar) is vooral YouTube populair. In het rapport wordt de 16-jarige Daisy geciteerd: ‘Soms wil ik echt iets weten en dan zoek ik dat op op TikTok en dan kom ik echt op goeie antwoorden. Dat is veel makkelijker dan in lange artikelen of zo.’
Over de auteur
Anna van den Breemer schrijft over grote en kleine levensvragen voor de Volkskrant. In de opvoedrubriek ‘Iedereen doet maar wat’ behandelt ze elke week kwesties waar ouders tegenaan lopen.
‘Jongeren krijgen steeds vaker te maken met desinformatie en nepnieuws op sociale media’, zegt Ron van Wonderen, senior onderzoeker polarisatie en maatschappelijke stabiliteit bij het Verwey-Jonker Instituut. Bij desinformatie gaat het om het doelbewust verspreiden van misleidende informatie, vaak met kwade bedoelingen. Om geld te verdienen, om een groep in een kwaad daglicht te zetten of om een land te ontwrichten.
‘Veel jongeren denken dit online te herkennen, maar dat is erg moeilijk. Soms wordt extremistische informatie, zoals het typeren van een bepaalde bevolkingsgroep, verpakt in een grappige meme en dan lijkt het onschuldig.’ Het risico is echter dat kinderen vatbaarder worden voor polariserende verhalen en hun mening vormen op basis van eenzijdige informatie.
Dat betreft niet alleen zwaardere dossiers als Gaza, Oekraïne of het klimaat. ‘Vaak gaat het ook om gezondheidsclaims van bijvoorbeeld fitfluencers’, zegt Patricia van Rijswijk, specialist nieuwswijsheid bij Beeld en Geluid. Over vitaminepillen of zonnebrand. ‘Praat met je kind over het verschil tussen een influencer en een journalist. Heeft een influencer verstand van de werking van zonnebrand of moet je dan bij een dokter of andere deskundige zijn?’
Met dit soort lessen mediawijsheid zouden ouders al vroeg moeten beginnen, voor de eerste telefoon, zodat kinderen leren dat er een verschil is tussen feiten, gebaseerd op wetenschappelijke kennis, en persoonlijke meningen.
Het is natuurlijk schrikken wanneer je kind opeens beweert dat zonnebrand schadelijk is of dat de aarde plat is. ‘Blijf altijd met je kind praten over wat ze online bekijken, dat is het allerbelangrijkste’, zegt Van Wonderen. Het kan contraproductief zijn om alleen te zeggen dat het klinkklare onzin is wat ze vertellen, want dan zullen ze de volgende keer minder openhartig zijn. ‘Wees nieuwsgierig en stel vragen. Waar heb je dat gehoord of gezien? Wie zijn je bronnen? Welke berichten plaatst deze persoon nog meer? Wat is het belang van die persoon om zoiets te zeggen?’
Op die manier ontwikkelt een kind vaardigheden om zelf kritisch na te denken over de betrouwbaarheid van het nieuws. Dat blijft beter hangen dan de instructies van vader of moeder.
‘Desinformatie wordt vaak met veel emoties gebracht om clickbait te genereren’, zegt Van Rijswijk, die op scholen workshops geeft over hoe je nepnieuws kunt herkennen. ‘Een van de dingen die je je kind kunt vragen: zit er emotie in het bericht? Wat voel je als je dit leest of ziet? Bang of verdrietig? Is dat eerlijk?’ Samen kun je kijken of andere media dit nieuws ook brengen en het vergelijken. Bij jonge kinderen kan dat het Jeugdjournaal zijn. ‘Op die manier kunnen kinderen leren een onderscheid te maken tussen overtuigen en informeren.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant