De onlangs overleden Amerikaanse schrijver Paul Auster (1947-2024) wilde eigenlijk van jongs af aan al filmmaker worden. De films waar hij uiteindelijk aan meewerkte zouden zijn status als beschermheilige van het New Yorkse stadsdeel Brooklyn alleen maar versterken.
In Smoke (1995) heeft hoofdpersoon Auggie Wren (Harvey Keitel) een geheime missie. Iedere ochtend, om acht uur precies, richt hij de lens van zijn fotocamera (met statief) op de hoek van 3rd Street en 7th Avenue in New York. Auggie doet dat al jaren, weer of geen weer, hij heeft inmiddels zo’n vierduizend opnamen (in zwart-wit) bij elkaar geschoten.
Het onderwerp op die straathoek betreft zijn eigen sigarenmagazijntje Brooklyn Cigar & Company, waar hij de rest van zijn dagen doorbrengt met de gebruikelijke jongens, hun gelul over honkbal en de vraag of ze niet illegaal Montecristo-sigaren uit Cuba kunnen importeren.
‘Maar... die foto’s zijn allemaal hetzelfde’, merkt zijn vaste klant Paul Benjamin op, de schrijver uit de buurt, als hij zo’n fotoalbum doorbladert.
‘Nee, nee’, antwoordt Auggie, ‘dan kijk je niet goed. De locatie is dezelfde, maar niet het licht, het weer, de mensen die voorbijkomen, dat wisselt per prent. Iedere foto representeert een uniek moment in de tijd. Zo leg ik mijn eigen kleine hoekje in het universum vast.’
Over de auteur
Rob van Scheers schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels.
Zo’n dialoog met een geheel eigen interne logica kan alleen maar geschreven zijn door Paul Auster. De Amerikaanse auteur, die op 30 april overleed, 77 jaar oud, mocht graag spelen met het idee van ‘uitgekiend toeval’. Denk aan die eerste zin uit zijn experimentele detectiveroman City of Glass (1985): ‘Het begon allemaal met iemand die verkeerd verbonden was, de telefoon die in het holst van de nacht drie keer rinkelde, en de stem aan de andere kant van de lijn die vroeg naar iemand anders dan hij.’
Onvoorziene gebeurtenissen zetten binnen zijn 21 romans dikwijls de zaak in gang, en in zijn filmoeuvre – Auster schreef vijf scenario’s en (co)regisseerde drie films – is het niet anders. Zoals in Smoke, waarvoor Auster het scenario schreef. Ga maar na: Auggie componeert zijn foto’s niet zorgvuldig, hij laat ze gewoon gebeuren. Klik! Maar dan wel steevast om stipt acht uur, want tijd gaat hier boven artisticiteit. Uitgekiend toeval.
Smoke was Austers liefdesverklaring aan Brooklyn, zijn eigen New Yorkse stadsdeel, waar hij tot voor kort op 2nd Street woonde. Als kettingroker kwam hij een paar keer per week bij de tabakszaak om de hoek die model stond voor de film, en dat leek hem wel een mooi vertrekpunt. Vaste locatie, wisselende bezoekers.
De film ging in juni 1995 in première, en een paar maanden later zou Auster er nog een schepje bovenop doen met het toetje Blue in the Face, een wat lichtvoetiger filmcollage van losse sketches. Als je beide films bijna dertig jaar later terugkijkt, denk je: verrek, Auggie had helemaal gelijk met zijn manie om een ‘uniek moment in de tijd’ vast te leggen.
In samenwerking met de Volkskrant vertoont het Eye Filmmuseum in Amsterdam op maandag 1 juli bij wijze van hommage aan Paul Auster de films Smoke (19.00 uur) en Blue in the Face (21.30 uur). Een zogeheten double bill, twee films achter elkaar, met korte inleiding.
Die wereld van Smoke, bijvoorbeeld, is volledig verdwenen en komt nooit meer terug. Het begint al met het openingsshot. We zien een metro traag door het landschap trekken; op de achtergrond pronken op de zuidpunt van Manhattan, net achter Brooklyn Bridge, de Twin Towers.
In Smoke paffen de hoofdpersonen er vrolijk op los, maar ook dat gaat verdwijnen. Zoveel voorvoelt Auggie al wel, als hij in zijn onnavolgbare Brooklyn-idiolect moppert: ‘Vandaag roken, morgen seks, en over een paar jaar kun je al gearresteerd worden als je alleen maar naar iemand glimlacht.’ Zijn voorspelling klopt in zoverre dat deze specifieke tabakszaak sinds 1998 niet meer bestaat.
Wrang genoeg geldt dat ook voor een deel van de cast uit beide films: daar zijn er al heel wat van overleden. Lou Reed, William Hurt, Victor Argo (die Vinnie, de financier van de rookwarenwinkel speelt), Clarice Taylor (de blinde grootmoeder), Paul Auster zelf. En Michael J. Fox werd getroffen door parkinson. De tijd is onverbiddelijk. Maar, nou ja, gelukkig hebben we de films nog.
Wat evenzeer blijft staan, is dat Paul Auster de geschiedenis inging als de literaire beschermheilige van Brooklyn, en dat is ook wat waard. Opmerkelijk, zelfs. Brooklyn verhoudt zich tot Manhattan als, zeg, Utrecht tot Amsterdam. Het hippe volk woont in Manhattan, in hun veel te dure appartementen, ze komen gewoon hun eiland niet af, laat staan richting Brooklyn.
Dat second city syndrome moest maar eens aan diggelen, meende Auster. In Brooklyn lagen net zo goed op iedere straathoek de mooiste verhalen, je moest ze alleen opschrijven. Zoals hij Auggie in Smoke laat mijmeren: ‘De mensen zeggen dat je moet reizen om de wereld te zien. Maar ik denk vaak: als je juist op dezelfde plek blijft en je ogen openhoudt, zie je al bijna meer dan je mentaal aankunt.’
Heel erg Brooklyn, zo’n statement. En Harvey Keitel (1939) kan het weten, want hij komt er zelf vandaan. Sterker: de acteur is typisch Brooklyn. Niemand anders had deze hoofdrol kunnen spelen.
Voor Brooklynites is hun stadsdeel met (tegenwoordig) zo’n 2,7 miljoen inwoners een kosmos op zich, bevolkt door talloze nationaliteiten. Het is het dichtstbevolkte deel van New York, en je vindt er wit (42 procent), zwart (30 procent), Aziatisch (12 procent) en alles ertussenin. Niet voor niets luidt de slogan op de poster van Blue in the Face ‘Welkom op de planeet Brooklyn’.
Om zijn alledaagse werkelijkheid te schetsen laat Auster in Blue in the Face middels straatinterviews inwoners aan het woord. Een witte dame van een zekere leeftijd over de lokale mentaliteit: ‘Weten wie je bent, weten dat je gelijk hebt, en dan doorzetten. Mensen uit Brooklyn zijn eerlijk en knokken door. Ze pikken niets, van niemand.’
Een zwarte heer van een zekere leeftijd: ‘Het leukste aan Brooklyn vind ik dat werkelijk alle nationaliteiten van over de hele wereld hier vertegenwoordigd zijn. Het vervelendste aan Brooklyn is dat ze vaak niet zo goed met elkaar kunnen opschieten, haha.’
Aldus pakt Blue in the Face tussen alle sketches door bijna uit als semidocumentair – voor het mengen van genres en stijlen heeft Paul Auster nooit zijn hand omgedraaid. Alles kan, postmoderne auteurs zo eigen.
Met zijn eclectische portret komt hij uit bij een diep doorleefd verdriet: de Brooklyn Blues – dat voor Nederlandse lezers enige uitleg vraagt. Het betreft het fameuze honkbalteam Brooklyn Dodgers, opgericht in 1883, dat geschiedenis schreef door in 1947 de eerste zwarte speler in de Major League te introduceren: Jackie Robinson. Tot dan toe was de honkbalwereld gescheiden geweest, met een witte en een zwarte competitie (de zogeheten Negro League).
Robinson doorbrak die barrière, en het werkte. Met hem werden de Dodgers in 1955 landskampioen, ten koste van de eeuwige rivaal New York Yankees. Amerikaanse sportgeschiedenis, en meer reden voor trots bij de inwoners van Brooklyn.
Maar tot verbijstering van de fans besloot eigenaar Walter O’Malley – gejaagd door de winst – in 1957 dat de club moest worden verplaatst naar een groter stadion aan de westkust, en voortaan als Los Angeles Dodgers door het leven zou gaan. Het Brooklyn-stadion Ebbets Fields werd gesloopt, er verschenen appartementen. Een derde oude Brooklynite in de film: ‘Die verhuizing was de ergste dag uit mijn leven. Misschien nog wel erger dan de Tweede Wereldoorlog.’
Zo’n dramatisch lokaal historisch gegeven kon Auster onmogelijk negeren. En zie: wie stapt er in honkbaltenue die sigarenzaak binnen in Blue in the Face, met op zijn rug het legendarische nummer 42? De geest van Jackie Robinson (1919-1972), hij komt een nostalgisch praatje maken. Alle honkballiefhebbers, en dat is in Amerika iedereen, pinkten een traantje weg bij deze scène, dat had Auster goed gezien.
Bij de aftiteling van Blue in the Face staat Auster vermeld als coregisseur, naast regisseur Wayne Wang, met wie hij tijdens het filmen van Smoke mocht meelopen. In 1998 stond Auster als regisseur van Lulu on the Bridge op eigen benen. En in 2007 deed hij dat met The Inner Life of Martin Frost nog eens over. Over zijn filmcarrière zei de gelauwerde schrijver eerder al eens: ‘Ik wilde eigenlijk van jongs af aan al filmmaker worden, maar ik was er te verlegen voor.’
Vanwaar die drang van een succesvolle romancier om achter de camera te gaan staan? In de podcast The Creative Process vertelde Auster in 2017: ‘Het regisseren van een film is een uitputtingsslag. Maar ik kan je verzekeren dat het heel bevredigend is. Ik hou van de camaraderie op de set, onder de crew en de acteurs.’
We moesten begrijpen: schrijven is in diepste wezen een solitaire bezigheid. ‘Altijd als ik met jonge schrijvers spreek, zeg ik: begin er niet aan. Word geen schrijver. Het is een vreselijke manier van leven. Je wint er niets mee, behalve armoede, een donker bestaan, in eenzaamheid. Mocht je gekweld worden door een brandend verlangen, ga dan je gang... Maar verwacht niets van iemand, de wereld is je niets verschuldigd, niemand vraagt je om het te doen.’
Het filmoeuvre van Paul Auster telt elf titels. Drie korte films, drie avondvullende speelfilms die op zijn romans zijn gebaseerd en vijf zelfgeschreven scenario’s, waarvan hij er drie regisseerde. Dit zijn, naast Smoke en Blue in the Face, de belangrijkste films:
Lulu on the Bridge (1995, scenario & regie Paul Auster). Austers filmuniversum wordt nogal eens bevolkt door dolende figuren. In deze atmosferische thriller is een jazzsaxofonist (Harvey Keitel) abusievelijk op het podium neergeschoten. Spelen gaat niet meer, hij moet op zoek naar een andere invulling.
The Center of the World (2001, regie Wayne Wang, scenario Paul Auster). Peter Sarsgaard speelt een whizzkid-miljonair die tijdens een trip naar Las Vegas zijn eenzaamheid probeert te verdrijven door een stripper in te huren. Voor 10 duizend dollar wil Florence (Molly Parker) dat wel drie dagen doen, maar de zaak loopt al snel uit de hand.
The Inner Life of Martin Frost (2007, scenario & regie Paul Auster). Een schrijver in retraite (David Thewlis) krijgt bezoek van zijn muze Claire (Irène Jacob). Ze is een geestverschijning, en ze brengt een probleem mee: zodra zijn nieuwe boek klaar is zal zij sterven, want dan is haar inspiratie niet meer nodig.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant