In Amsterdam duiken overal nieuw elektricteitshuisjes op. Ze zijn niet alleen lelijk, ze lijken ook plompverloren neergekwakt. En dat in een stad die een traditie van architectuurwaardige transformatorhuisjes kent. Gelukkig zijn er lichtpuntjes.
Zoals we gedachteloos op een lichtschakelaar drukken of een stekker in het stopcontact steken, zo lopen de meeste mensen aan elektriciteitskastjes voorbij, eroverheen kijkend. Maar sinds een paar jaar is er in Amsterdam ineens veel om die gebouwtjes te doen.
In de Breughelstraat in Amsterdam-Zuid kwamen bewoners in opstand tegen de bouw van een nieuw elektriciteitshuisje. Ze posteerden zich met een picknicktafel in de zandkuil waar netbeheerder Liander het zou plaatsen. Daarop besloot Liander om het huisje, dat stroom moet leveren voor de warmtepompen van de nabijgelegen school, verderop in de Apollolaan neer te zetten.
Over de auteur
Kirsten Hannema schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.
Ook daar verzetten bewoners zich; tevergeefs. Terwijl een buurman bezwaar aantekende bij de gemeente, werd het elektriciteitshuisje, een peperbusmodel, op drie meter afstand van zijn huis op de stoep neergezet. De zuil moet alleen nog aangesloten worden op het elektriciteitsnet.
De buurman baalt als een stekker. ‘Ik kijk nu uit op een 5 meter hoog en 2 meter breed gevaarte dat het daglicht wegneemt. We hadden nog voorgesteld om het in de middenberm te zetten, met een heg eromheen, zoals het elektriciteitshuisje even verderop. Maar dat kon niet, werd ons verteld.’
In een opiniestuk in Het Parool uitte Walther Schoonenberg namens de Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad zijn zorgen over de 2.700 nieuwe elektraverdeelhuisjes die Liander vanwege aanpassingen in het netwerk de komende jaren in de stad gaat plaatsen.
Hij noemt deze ‘een aantasting van het stadsgezicht’. De huisjes, zo’n 3 bij 3 meter groot, mogen vergunnings- en welstandsvrij geplaatst worden. Liander, dat onlangs met zijn nieuwe, houten kantoorgebouw de Amsterdamse Architectuurprijs won, toont op dit vlak weinig architectonisch bewustzijn. De huisjes, grijze stalen dozen, worden plompverloren neergekwakt, waarbij snel en goedkoop het devies lijkt. Kan dat niet anders?
‘De kasten voor de stroom- en gasvoorzieningen kunnen soms een doorn in het oog zijn’, erkent Liander op zijn website. Maar: ‘Het is mogelijk om deze mooier te maken!’ Bewoners kunnen een plan indienen om een kast te ‘pimpen’. Zo is onlangs een wit geschilderde elektriciteitskast met afbeeldingen en teksten aan de Keizersgracht geplaatst.
Schoonenberg vindt het niet per se een verbetering. ‘Als er blijkbaar niets meer over is van de rijke Amsterdamse traditie die kleine monumentjes heeft opgeleverd, moeten we maar teruggrijpen op een noodoplossing en de kasten grachtengroen schilderen.’
Waarom maakt Liander de kasten zelf niet mooi, voortbouwend op de architectuurtraditie waarnaar Schoonenberg verwijst? Kijk naar de transformatorhuisjes die honderd jaar geleden in Amsterdamse schoolstijl werden gebouwd, als onderdeel van de omringende Amsterdamse buurten.
Of rijd een rondje om Haarlem, waar architect Han van Loghem (1881-1940) in opdracht van de Kennemer Electriciteit-Maatschappij tussen 1914 en 1919 zo’n tachtig transformatorhuisjes ontwierp. De pas afgestudeerde architect ging helemaal los op zijn eerste grote opdracht, experimenterend met metselwerk, dakvormen en stedenbouwkundige composities. Elk huisje gaf hij dezelfde zorg en aandacht.
Het bakstenen transformatortorentje dat Van Loghem in het Haarlemse Ramplaankwartier realiseerde, heeft sinds vier jaar een eigen ‘fanclub’. ‘Het was in de coronatijd, toen ik vaak een ommetje maakte, dat het gebouwtje mij pas opviel’, vertelt buurtbewoner Adrie Pancras, medeoprichter van het genootschap ‘De Orde van de Trafo’.
‘Ik vroeg me af wat het was, en bleek niet de enige. Met acht buurtgenoten doken we in de archieven. We publiceerden een verhaal over het gebouw in de wijkkrant. Sindsdien schrijven we over de gebouwen en de geschiedenis van de buurt.’
‘Het verschil tussen toen en nu is dat de elektriciteitsmaatschappijen destijds overheidsbedrijven waren’, zegt architect Robert Winkel, voorzitter van de Amsterdamse welstandscommissie. ‘Zij voelden zich mede verantwoordelijk voor het aanzien van de openbare ruimte. Energiebedrijven, de Nederlandse Spoorwegen, de PTT (Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, red.): ze hadden een visie op ontwerp, en allemaal een of meer architecten in dienst voor het vormgeven van hun bouwwerken.’
Inmiddels zijn veel van die bedrijven geprivatiseerd en komen de elektriciteitshuisjes uit een fabriek. Winkel: ‘Het zou goed zijn om er weer een ontwerpopdracht van te maken. Laat Liander samen met de gemeente een prijsvraag uitschrijven, of nodig een paar architecten uit om mee te denken. Zij zijn in staat om functionaliteit en schoonheid te combineren, en kunnen meteen ecologisch een slag slaan.’
Een voorbeeld van zo’n integrale aanpak is het eindgemaal-met-elektriciteitshuisje dat architect Marjolein van Eig in opdracht van Waternet en de gemeente ontwierp aan de Postjesweg. Ze heeft er een natuurinclusief bouwwerk van gemaakt, met nest- en bijenkasten, een waterspuwer en een grasdak. ‘Ons uitgangspunt was een robuust gebouw met veel details, als onderdeel van de wijk en als entree naar het aan te leggen Spoorpark.’
Het bakstenen reliëf in de gevel moet graffiti weren en geeft tegelijk een rijk beeld. Of zo’n huisje niet veel duurder is dan een standaard doos? Van Eig: ‘Als je kijkt naar de enorme ondergrondse bouwoperatie die dit project was, zijn de kosten voor dit huisje peanuts.’
‘Ik denk dat weinig mensen beseffen hoe groot de opgave voor de elektriciteitshuisjes is’, zegt Maarten van Poelgeest. De voormalig wethouder, met portefeuille Ruimtelijke Ordening, is sinds 2022 werkzaam als programmadirecteur netcongestie Amsterdam, in opdracht van Tennet, Liander, de gemeente en de haven.
‘De vraag naar elektriciteit in de regio Amsterdam gaat de komende twintig jaar drie tot vier keer omhoog’, legt Van Poelgeest uit. Dat is het gevolg van de energietransitie, de ‘elektricificatie’ van de samenleving en de groei van Amsterdam.
Er is genoeg stroom, maar onvoldoende transportcapaciteit; het netwerk zit momenteel ‘verstopt’. In navolging van Flevoland, Utrecht en Gelderland geldt in Noord-Holland sinds oktober 2023 een wachtlijst voor aansluiting op het elektriciteitsnet.
Daarom moeten er nieuwe hoog-, midden- en laagspanningsstations gebouwd worden. Van die laatste, de elektriciteits- of transformatorhuisjes, gaat Liander er in Nederland 25 duizend bijbouwen. In Amsterdam zullen er tot 2050 zo’n 1.500 nieuw geplaatst worden en 1.200 ter vervanging van bestaande kastjes.
De gemeente en haven gaan over de ruimtelijke inpassing, de netwerkbeheerders maken de infrastructuur. Van Poelgeest moet als oliemannetje deze megaoperatie aanjagen en stroomlijnen. ‘Als we tempo willen maken, zodat iedereen over vijf jaar stroom heeft, kun je niet een heel proces organiseren waarbij iedereen om tafel gaat om te zeggen waar hij dat kastje het liefst heeft. Hier en daar is het misschien een beetje lullig, maar het is niet anders.’
De Amsterdamse CDA-fractievoorzitter Rogier Havelaar ziet dat anders. Hij diende eind mei samen met GroenLinks en Volt de motie ‘elegante transformatorhuisjes’ in, die in de gemeenteraad een meerderheid haalde. Havelaar stoort zich aan de ‘gedrochten’ die overal in de stad opduiken. ‘Ik wil heel graag dat er mooie huisjes komen en dat hebben we nu geregeld in de gemeenteraad’, zei Havelaar in een interview. Met mooi bedoelt hij: passend bij de plek. ‘Als ze in een park komen, zet er dan beplanting omheen. Maar als je er eentje bij een skatebaan zet, dan kan er wat mij betreft prima graffiti op.’
Paul van Engelen, regiomanager bij Liander, zei in een reactie op de motie dat een individueel ontwerp per huisje niet mogelijk is vanwege de kosten en snelheid. Wel zijn er al ‘enkele alternatieven om de huisjes aan te kleden’, bijvoorbeeld met steenstrips of een grasdak.
Bij het aanbieden van zijn motie in de gemeenteraad stelde Havelaar dat de welstandscommissie voortaan ook een adviesrol moet krijgen bij de plaatsing van de kleine, vooralsnog vergunningsvrije, elektriciteitshuisjes. Het college en de welstandscommissie moeten nu bezien hoe zij de motie gaan uitvoeren.
Wordt de vergunningsplicht aangepast, waardoor de welstandscommissie straks elk te plaatsen elektriciteitskastje moet beoordelen? Logischer lijkt dat het college de welstandscommissie om advies vraagt over hoe een typisch elektriciteitshuisje in Amsterdam eruit zou moeten zien.
Architect Van Eig denkt dat niet dat elk kastje vormgegeven hoeft te worden, maar ‘vanaf een bepaalde omvang zou je er wel een architect bij moeten betrekken’.
Dat gebeurt al in Amsterdam; neem het monumentale bakstenen stroomsubstation dat architectenbureau Powerhouse Company onlangs op het Strandeiland van IJburg heeft gebouwd, onder het motto ‘erfgoed van de toekomst’.
‘Maar een klein elektriciteitshuisje kan best een grijs doosje zijn, met de vanzelfsprekendheid van een stoeptegel – die iedereen accepteert’, zegt Van Eig. Ze wijst er voorts op dat we verder moeten kijken dan de elektriciteitshuisjes. ‘Er komt nog een hele golf aan datacenters, bouwwerken voor stadsverwarming en energiehubs aan. Die gigantische gebouwen zijn nog een min of meer verborgen opgave, die zich vaak lelijk in het stedelijk landschap manifesteert. Laten we daar ook energie in steken.’
Fraaiere standaard
Liander laat in een reactie weten dat het bij de bouw van nieuwe elektriciteitshuisjes ‘inzet op standaardisatie’, omdat dat ‘kostenefficiënt’ werkt. De netbeheerder is samen met de gemeente Amsterdam een onderzoek gestart naar mogelijkheden om elektriciteitsruimtes beter in te passen; een aantal andere steden heeft zich aangesloten. Er wordt onder andere gekeken of en hoe, rekening houdend met de technische, functionele en veiligheidseisen van Liander, huisjes een kleiner formaat en/of fraaiere vormgeving kunnen krijgen, ‘die aansluiten bij de hoogstedelijke context’.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant