De zogeheten arbeidsinkomensquote is weer gedaald, blijkt uit cijfers die het CBS maandag presenteert. Dat betekent dat de stijging van de lonen relatief achterblijft bij de groei van de winsten.
De arbeidsinkomensquote, die grofweg aangeeft welk deel van het totaal verdiende geld terechtkomt bij werknemers en kleine zelfstandigen, is het afgelopen jaar opnieuw gedaald. Dat betekent dat een steeds groter deel van het nationale inkomen naar grote bedrijven en investeerders gaat. Dat blijkt uit nieuwe cijfers die het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) maandag presenteert.
De arbeidsinkomensquote (aiq) bedroeg in 2023 69 procent. Dat betekent dat van elke verdiende euro 69 cent naar lonen van de werknemers en kleine zelfstandigen gaat. Dat is 0,4 procentpunt lager dan een jaar eerder.
Over de auteur
Michael Persson is economieverslaggever en commentator van de Volkskrant.
Dat lijkt weinig, maar past in een trend die al in de jaren negentig inzette. In 1994 bedroeg de aiq nog 81,4 procent. De daling is de afgelopen paar jaar verscherpt. Tussen 2015 en 2020 leek er sprake van een stabilisatie van de aiq rond 74 procent, maar sindsdien is dat plateau duidelijk verlaten.
De aiq is een belangrijke indicator voor inkomens- en vermogensongelijkheid. Hoe kleiner de aiq, hoe meer van het nationaal inkomen in winstreserves (bij bedrijven) en dividenden (die worden uitgekeerd aan aandeelhouders) terechtkomt. Hoewel een deel daarvan ook weer in de pensioenpotjes van de werknemers terechtkomt, profiteren vermogenden naar verhouding het meest daarvan.
De aiq daalde volgens het CBS onder meer in de industrie, energievoorziening, bouwnijverheid en zakelijke dienstverlening. De aiq steeg in de landbouw, bosbouw en visserij, handel en vervoer en opslag.
De energievoorziening zag de scherpste daling van de aiq in de afgelopen jaren. Dit komt omdat de productiewaarde sterker is gestegen dan de kostenposten. Dit leidde tot een toename van de winstquote, het aandeel van de operationele winst in de bruto toegevoegde waarde.
De daling van de aiq kan de discussie over de ‘graaiflatie’ weer aanwakkeren. Veel bedrijven kregen vorig jaar het verwijt dat ze de prijzen van hun producten meer hadden verhoogd dan de gestegen grondstoffenkosten rechtvaardigden. Daardoor zouden de winstmarges zijn gestegen, zeiden bijvoorbeeld economen van de Rabobank vorig jaar.
Zij zeiden achteraf spijt te hebben gehad dat ze het woord ‘graaiflatie’ hadden gebruikt, en vonden ‘winstflatie’ een neutralere term. Waar er vroeger werd gerept van looninflatie, waarbij hogere lonen tot hogere prijzen leiden, zou nu sprake zijn van winstflatie, waarbij bedrijven de prijzen verhogen om meer winst binnen te harken.
Dat constateerde ook het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Dat rekende vorig jaar uit dat ongeveer de helft van de prijsstijgingen in het tweede kwartaal van 2023 ten goede was gekomen aan bedrijfswinsten, een veel groter aandeel dan in de afgelopen jaren.
Sindsdien zijn overigens de cao-lonen in veel sectoren flink verhoogd. Het is mogelijk dat die inhaalslag tot een herstel van de aiq leidt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant