Home

Wie het gejammer over mantelzorgen hoort, vergeet bijna dat we vroeger ook ouderen verzorgden

Een lezeres reageerde twee weken geleden op mijn column over de PVV-kiezer, waarmee ze het van harte eens was. Maar één ding zat haar dwars: ik benoemde dat Nederlanders het minst werken van heel Europa. Ik moest ophouden alleen betaalde arbeid ‘werk’ te noemen. Onze maatschappij leunt volgens haar steeds zwaarder op onbetaald werk, en ze sloot af met de vraag: ‘Hoeveel daarvan zal gedaan worden door mensen met een betaalde fulltimebaan?’

Een interessante vraag, al zal het antwoord haar teleurstellen. Van de mantelzorgers werkt namelijk 44 procent voltijd en dat is maar ietsje minder dan het totale aantal voltijd werkenden (50 procent). Fulltimers mantelzorgen dus meer dan je zou verwachten, afgezet tegen het aantal uren dat zij te besteden hebben. Het aantal uren dat zij besteden aan vrijwilligerswerk is zelfs groter dan het aantal uren dat parttimers aan vrijwilligerswerk besteden. Kortom, fulltimers doen relatief veel onbetaald werk, vergeleken met parttimers, afgezet tegen hun vrije tijd.

Over de auteur
Sander Schimmelpenninck is journalist, ondernemer en columnist van de Volkskrant. Eerder was hij hoofdredacteur van Quote. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant.

Ook voor de stelling dat Nederland ‘steeds zwaarder leunt op onbetaald werk’ is geen bewijs. Wie het gejammer over mantelzorgen hoort, vergeet bijna dat we vroeger ook ouderen verzorgden, maar dat toen nog geen naam gaven. Ondertussen zijn Nederlandse moeders meer dan drie keer zoveel tijd (!) gaan besteden aan het ‘actief opvoeden’ van hun kinderen, vergeleken met 1965, toen vrouwen nog veel meer kinderen kregen. Vier uur per dag vier kinderen managen is heus onbetaald werk, maar is elke dag vier uur theedrinken met één kind dat ook? Overigens lijken die kinderen geen enkele baat bij al die aandacht van hun moeders te hebben: ze zijn dikker en verwender dan ooit, en lezen kunnen ze ook niet meer.

Deeltijdwerk is een luxe die de Nederlander, zoals al zijn luxes, met hand en tand verdedigt. Dat is niet vreemd, dat is de mens eigen. Maar het moet afgelopen zijn met de schijn-progressieve smoesjes, niet zelden gelardeerd met misleidende cijfers, bijvoorbeeld over de loonkloof. Zeggen dat je parttime werkt om te kunnen (mantel)zorgen is flauwekul; het parttime werken was er in de regel al toen het kind of de mantelzorg kwam. De zorg voor een ouder of een jong kind duurt bovendien maar een paar jaar en is dus geen reden om veertig jaar lang in deeltijd te werken.

Meer vrije tijd is de belangrijkste drijfveer om in deeltijd te werken, reden waarom gratis kinderopvang in Nederland maar een zeer beperkte toename van het aantal gewerkte uren oplevert. Nederlanders werken het minste uren van Europa, hebben de meeste vrije tijd, én zitten het meest op hun achterste; liefst negen uur per dag, ruim twee keer meer dan het Europees gemiddelde. Onze zucht naar méér, méér vrije tijd is letterlijk ziekmakend. ‘Maar we zijn zo gelukkig’, werpt de Nederlandse werkweigeraar dan op, alsof geluk alleen te meten is met vrije tijd. Zeker wanneer die vrije tijd verdwijnt in het zwarte gat van sociale media.

De Nederlander wil helemaal niet dat het collectief zijn zorgtaken overneemt, want dan raakt hij zijn zorgsmoesje kwijt. Daarom stemt de Nederlander al decennia vóór uitholling van het collectief; men vindt het wel best zo. Alleen hier vinden we het een volstrekt normaal argument dat mensen niet méér willen werken omdat ze er ‘te weinig op vooruitgaan’; de collectieve dimensie van werk en solidariteit met zwakkeren is volledig verdwenen.

Nederlanders leggen een ongekende creativiteit aan de dag om hun werkweigering van een altruïstische verklaring te voorzien. Wellicht zouden zij die creativiteit ook eens nuttig kunnen inzetten en onze arbeidsproductiviteit, die al tien jaar muurvast zit, van nieuwe energie voorzien.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next