Door discriminerend woonwagenbeleid moeten Sinti, Roma en reizigers in Den Haag soms een mensenleven wachten op een standplaats. Na uitspraak van de rechter moet de gemeente meer plekken vinden. ‘Ik heb pas op mijn 18de aan vriendinnen verteld dat ik van het kamp kom.’
Als Henk van Reken (44) zijn standplaats in Den Haag oploopt, blijft het gammele houten toegangshekje achter een paar stoeptegels hangen. ‘Ik weet het, het ziet er niet uit’, zegt hij voor zijn woonwagen. ‘We wachten al jaren op een nieuw kamp, dan ga je de boel niet opknappen.’
Volgens Van Reken – een lange man met een vlotte babbel en Haags accent – staat zijn woonwagenkamp in het ‘afvoerputje’ van de stad: naast een drukke weg, net buiten de Schilderswijk. De tien wagens zijn omgeven door tankstations, een daklozenloket, autowasstraten, een moskee en garages. ‘Dit is niet hoe een kamp hoort te zijn, deze omgeving is al in 2011 onleefbaar verklaard. Mijn dochter Mieneke van 7 kan hier niet eens buitenspelen. Maar de keuze tussen dit of een stenen huis is snel gemaakt.’
Verhuizen naar een ander kamp gaat niet. Al jaren is er in Nederland een tekort aan standplaatsen – de wachttijd kan een mensenleven lang zijn. De rechter in Den Haag oordeelde twee weken geleden dat het woonwagenbeleid van de gemeente discriminerend is geweest en draagt de stad voor het eerst op meer standplaatsen te realiseren.
Op woonwagenkampen wonen Roma, Sinti en ‘reizigers’, oftewel autonome woonwagenbewoners. Door het grote verschil met de wachttijd voor een sociale huurwoning is volgens de rechter sprake van ‘een indirect onderscheid op basis van ras’. Deze week zal het vonnis worden besproken tijdens de raadsvergadering in Den Haag en krijgt ook Van Reken het woord.
‘Voor de duidelijkheid: ik ben niet degene van de rechtszaak’, zegt Van Reken terwijl hij aan de eettafel een bakje vla naar binnen lepelt. ‘Ik ondersteun het wel. Ze zeggen dat het overal wooncrisis is, maar wij wachten al honderd jaar op nieuwe standplaatsen.’
Tot 2018 wilden gemeenten woonwagenkampen opheffen. Veel standplaatsen en enkele kampen verdwenen. Onder druk van onder meer de Nationale Ombudsman schafte het ministerie van Binnenlandse Zaken dit ‘uitsterfbeleid’ af. Gemeenten moeten de woonwagencultuur faciliteren en Roma, Sinti en reizigers in familieverband samen laten leven. Toch zijn er amper standplaatsen bij gekomen.
Uit onderzoek in opdracht van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme blijkt dat het beleid voor een deel werd beïnvloed door ‘antiziganisme’ – discriminatie van Roma, Sinti en reizigers. Zij rapporteren dat er bijna vierduizend nieuwe standplaatsen nodig zijn. Nu telt Nederland er naar schatting 9.300.
‘Gemeenten zijn al sinds 2018 aan het uitstellen’, zegt Dominic Teodorescu, politiek geograaf aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef mee aan het rapport en trad op als expert in de Haagse rechtszaak. Volgens hem wordt het beleid gevormd door vooroordelen over woonwagenkampen. ‘Het is zo’n beetje de enige vorm van discriminatie die nog wordt getolereerd. Terwijl het een inheemse groep is die al honderden jaren in Nederland woont. Ze hebben recht op een cultuurspecifieke vorm van leven.’
Wat betekent die cultuur? Volgens Van Reken is het een gevoel, moeilijk om uit te leggen. ‘Het is veel minder vrij in een huis’, roept zijn vrouw Louisa Gunther-Mohr (42) vanaf de witte leren bank. Tussen stenen muren voelt ze zich opgesloten. ‘En onder deze vloeren zitten wielen verstopt. We willen niet op de grond wonen.’ Het allerbelangrijkste is het samenzijn, vult Van Reken aan. ‘Met de familie in de buurt. Hier werkt het zo: jouw probleem is mijn probleem. Iedereen loopt bij elkaar binnen en krijgt een bordje eten.’
Het gezin woont nu tussen de moeder en het nichtje van Van Reken in en heeft familie in het kamp verderop. ‘Het grote kamp’ noemt Van Reken het als hij erheen loopt om zijn achternichtjes en neef te bezoeken. Er is deze doordeweekse middag bijna niemand op straat. ‘Dan hebben we gelijk een van de vooroordelen over ons ontkracht: het idee dat reizigers niet werken. Alleen in de weekenden en de avonden is het hier een drukke boel.’
Woonwagenkampen worden vaak ook gezien als criminele vrijplaatsen. ‘We zouden geen belasting betalen en laaggeletterd zijn’, zegt Van Reken verontwaardigd. Ook zijn achternichtje Romy (20) loopt daar dagelijks tegenaan. Ze leunt met haar vriend Ronald tegen hun auto aan en neemt een hijsje van haar vape. ‘Ik heb pas op mijn 18de aan vriendinnen verteld dat ik van het kamp kom. Er waren meiden die de vriendschap verbraken, of van hun ouders niet meer met me mochten afspreken.’ Haar moeder leerde haar zonder het ‘reizigers-accent’ te spreken en bij sollicitaties houdt ze haar adres voor zich.
Inmiddels maakt ze zich daar minder zorgen over. ‘Ik wil vooral een eigen wagen om met Ronald mijn leven te beginnen.’ De twee kijken daarom naar appartementen. ‘Maar ik wil dat mijn kinderen mijn cultuur meekrijgen. Het zit in ons bloed.’
Het vonnis van de Haagse rechter biedt hoop: de gemeente moet garanderen dat de wachttijd op een standplaats niet langer is dan op een sociale huurwoning. Volgens Merel Hendrickx, mensenrechtenadvocaat bij de stichting Pilp die de Haagse woonwagenbewoners bijstaat, geldt de uitspraak ook voor andere gemeenten. Zij moeten ook meer standplaatsen regelen.
De meeste woonwagenbewoners die zij spreekt hebben er weinig vertrouwen in. ‘Ondanks het gewijzigde beleid uit 2018, uitspraken van de Nationale Ombudsman en het College voor de Rechten van de Mens blijven de gemeenten het realiseren van standplaatsen uitstellen.’
Voor Van Reken liggen wel betere tijden in het verschiet: een jaar geleden kreeg zijn woonwagenkamp te horen dat ze mogen verhuizen naar een nieuw kamp op een bedrijventerrein in Leidschenveen. Daar komen ook een paar nieuwe standplaatsen bij.
Als hij weer terugkomt bij zijn eigen woonwagen is dochter Mieneke net thuis. ‘Voor haar blijf ik me inzetten. Ik wil dat zij later zonder gedoe bij ons op het kamp woont. En dat ze niet meer hoeft te liegen over waar ze vandaan komt, dat de discriminatie stopt. Waarom denk je anders dat we lekker bij elkaar staan?’
Reizigers zijn woonwagenbewoners van autochtone origine, soms oneerbiedig ‘kampers’ genoemd. Ze stammen deels af van turfstekers en landarbeiders die na de mechanisering van 1850 hun werk verloren en gingen rondtrekken. Omdat ze moeilijk aan een andere standplaats komen, verhuizen reizigers in de praktijk minder dan ‘burgers’.
De meeste Sinti-families wonen al eeuwen in Nederland, met name in delen van Brabant, Limburg, Gelderland, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Holland. Zij worden net als de Roma vaak aangeduid als zigeuners – voor de één een scheldwoord, voor de ander een geuzennaam. De Roma vallen uiteen in verschillende groepen. Een kwetsbaar smaldeel is stateloos.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant