Home

Dj Joost van Bellen: ‘In het uitgaansleven vond ik mijn zielsverwanten, mensen die ook zoekende waren’

Terugkijken, dat stond voor dj Joost van Bellen altijd gelijk aan ‘stilstaan en een beetje doodgaan’. Maar voor zijn nieuwe roman Fenix besloot hij het beest toch in de bek te kijken. Nog één keer blikt hij terug – op de brand in de RoXY, de aidsepidemie en zijn angstaanvallen daarna.

Het heeft bijna 25 jaar geduurd voor Joost van Bellen (62) de geluidsband van die laatste avond in de RoXY durfde te beluisteren. Hij deed het afgelopen januari, op Ibiza, tijdens het schrijven van zijn roman Fenix – hij moest wel, want dat boek gaat over de Amsterdamse discotheek waar hij van 1990 tot 1997 artistiek leider was en waar zijn decennialange carrière als dj en feestorganisator van de grond kwam. Hij had er alcohol voor nodig, dat wel. Hij schonk wijn in en drukte op play.

In de RoXY was op 21 juni 1999, dit weekend 25 jaar geleden, de bijeenkomst na de uitvaart van oprichter Peter Giele, die eerder die dag opgebaard met ontbloot bovenlijf op een vlot over de Amstel was gevaren. Van Bellen hoorde op de geluidsband de emotionele speeches, zag de optredens weer voor zich, een meisje verkleed als reuzenpiemel dat op het moment suprême, tijdens Gieles lievelingsnummer – Simarik van Tarkan – uit een sleuf boven in het piemelpak serpentine spoot. Hij hoorde het vuurwerk dat tijdens die climax werd afgestoken en dat een paar minuten later de brand zou veroorzaken nadat er vonken in het ventilatiesysteem terecht waren gekomen. Daarna hoorde hij zichzelf, opvallend kalm, door de microfoon:

‘Dames en heren, wilt u het pand verlaten via de nooduitgangen?’

‘Hier onder de trappen, aan de zijkanten alsjeblieft eruit, jongens...’

‘Allemaal eruit, via de zijkant alsjeblieft...’

‘Kom op, jongens... Everybody, please leave the building, the attic is on fire.

Na de evacuatie ging Van Bellen terug naar binnen, om het bandje uit de DAT-recorder te halen. Van Bellen: ‘Ik had het idee: dat is een historisch ding. Omdat het de uitvaart was van Giele, omdat er zo veel moois was gezegd. Van de gekke natuurlijk, ik kreeg rook in mijn longen. De directeur, die een laatste check deed om te kijken of iedereen weg was, werd boos: in godsnaam, flikker op! Buiten dachten mensen dat die brand kunst was, een act. De brandweer kwam, maar het dak was net extra geïsoleerd omdat bewoners van de nieuwe Kalvertoren hadden geklaagd over geluidsoverlast. Ik denk dat daardoor het water niet bij het vuur kon komen. Uiteindelijk fikte de hele tent af.’

Het terugluisteren was ‘heftig’, zegt Van Bellen. ‘Ik heb, wijn drinkend, alles op het bandje uitgeschreven, woord voor woord. Zoals het – weliswaar ingekort – in Fenix staat, is het precies gebeurd. De volgende dag las ik met een kater alles terug. Ik heb het monster in de bek gekeken. En toen ben ik gaan wandelen over het eiland. Ibiza in de winter, uitgestorven. Ik dacht: hier beter links. Ik moet maar niet rechtsaf, langs die klif.’

Omdat je dacht: anders spring ik?

‘Ja, ja. Toen heb ik ook mijn psychotherapeut gebeld, van wie ik eigenlijk al een tijdje afscheid had genomen. Ze zeggen dat je dingen van je af schrijft, maar daarvoor moet je er eerst weer naartoe, het dichtbij laten komen. Trauma is een groot woord, zo wordt van alles te pas en te onpas genoemd, maar die brand is blijven sluimeren. Ik heb er nooit goed bij stilgestaan dat ineens zo’n groot stuk van mijn leven kapot was, ik heb het weggeduwd. Dat was afgesloten, geweest. Terugkijken, dat vond ik stilstaan en een beetje doodgaan. Ik moest vooruit.’

Hoe beleefde jij de nasleep van de brand?

‘Horror, onwerkelijk. Eerst ging Giele dood, een van mijn beste vrienden en mijn allergrootste inspirator. Toen hij stierf was hij al weg bij de RoXY, zijn restaurant Inez I.P.S.C. tegenover de Munt was net een paar weken open toen hij van zijn scooter viel op de Middenweg, hersenbloeding, 44 jaar oud. Op de dag van de uitvaart brandde zijn levenswerk af, ons thuis. Ik probeerde het te plaatsen, grip op mijn gedachten te krijgen, wat niet lukte. Toen een telefoontje dat we naar de advocaten moesten. Eindelijk overleg, dacht ik. Tot ik erachter kwam dat het niet míjn advocaten waren, maar die van het bedrijf achter de RoXY, die wellicht zochten naar manieren om het personeel aansprakelijk te kunnen stellen. De familie, het vertrouwen, het was allemaal weg. Je moest gaan oppassen met wat je zei, want het ging om veel geld. Ik werd, net als een aantal andere personeelsleden, door de politie gehoord als verdachte van brandstichting en het in gevaar brengen van mensenlevens. Het verhoor duurde vijf of zes uur. Uiteindelijk raakten ze er gelukkig van doordrongen dat het een ongeluk was.’

Je geeft ook de pers een veeg uit de pan, in je boek.

‘Ik was gechoqueerd. Na de brand werden we in de kranten en nieuwsprogramma’s bij het vuil gezet. We waren roekeloos, nergens goed voor, onverantwoordelijk, leeghoofden. Terwijl de RoXY een club was waar mensen die door de maatschappij werden buitengesloten opbloeiden en schitterden, een veilige haven vonden. De brand was eigen schuld, dikke bult. Een beetje zoals het ging met aids – die ziekte trof ook mensen die buiten het gewone vielen: junkies, sekswerkers, homoseksuelen. Die kon je makkelijk de schuld geven, het lag aan hun levensstijl. Jullie zijn fout, dit is de straf. Opgeruimd staat netjes. Datzelfde mechanisme zag je na de brand. Daarna brak een dorre periode aan in het Amsterdamse uitgaansleven, er is jarenlang – tot Club 11 – niks spannends te beleven geweest.’

Van Bellen stortte zich na de RoXY-jaren vol overgave op zijn carrière als dj, feestorganisator, muzikaal regisseur voor modeshows (met zijn echtgenoot Sander Stenger) en schrijver. Hij draait nog steeds een of twee keer per week, al was het de afgelopen tijd minder, want het boek moest af. ‘Het is financiële stress op het moment. Het schrijven lukte in Amsterdam niet, ik moest me afsluiten, dus ik ben uiteindelijk een half jaar naar Ibiza gegaan, een villaatje van een vriendin gehuurd, wat natuurlijk klauwen met geld kost. Me afgesloten van sociale media, van het nieuws, die verschrikkelijke oorlog in Gaza. Ik maakte dagen van zeker twaalf uur, soms zestien uur. Gekkenwerk.’

Kan dat, zestien uur per dag schrijven?

‘Soms lees ik over hoe andere schrijvers het doen, en dan gaat het over het belang van discipline, van een vast dagritme. Dat je op tijd moet opstaan, een wandeling moet maken, drie uur per dag schrijven. Nou, bij mij niet. Ik ga zitten en ik stop pas als ik van mijn stoel val. Een writer’s block ken ik niet. Ik ken writer’s diarrhea. Het blijft maar komen. Ook in de voorbereiding was ik mateloos. Ik heb alle flyers van alle feesten ooit in de RoXY doorgenomen, bepaald welke ik belangrijk vond en toen bij elk van die feesten opgeschreven wat ik er nog van wist. Al die A4’tjes hing ik op een muur van 3 bij 6 meter, die hing helemaal vol. Onmogelijk, om daar een boek van te smeden. Godzijdank heb ik een strenge redacteur. Ze heeft me 75 procent laten weggooien. Ik had eerst nog een heleboel stukken vanuit het heden geschreven, over een oude dj die herrijst na corona, maar dat hebben we allemaal geschrapt.’

Fenix werd een roman, zodat Van Bellen de werkelijkheid naar zijn hand kon zetten. Zijn hoofdpersonage heet geen Joost van Bellen maar Beer van Munster. Iedereen die nog leeft kreeg een andere naam, de doden – en dat zijn er veel – heten in het boek zoals ze echt heetten. ‘Veel dingen weet ik niet meer precies, en ik wil geen ruzie met iedereen. De RoXY is voor veel mensen belangrijk geweest, vormend, omdat er zo intens is geleefd. Veel viel samen, de opkomst van house, xtc, de euforie, de opluchting dat we afscheid konden nemen van die depressieve jaren tachtig. En ondertussen knaagde er van alles aan dat geluk – aids was een verschrikking, de een na de ander ging dood. Ik wilde met dit boek niemand kwetsen of tekortdoen, maar ik moest sommige dingen veranderen of weglaten. De flow van het verhaal is belangrijker dan wat er echt is gebeurd.’

Maar niet de hele tijd.

‘Nee, sommige gebeurtenissen zijn waarheidsgetrouw beschreven. Zoals de brand. En ook de val van Marie de Nooijer, tijdens een performance in de RoXY. Ik was net artistiek leider, een functie die ik had overgenomen van Eddy De Clercq. Het idee was: een paradijsweek. Er kwam een slang uit het plafond, met lichtgevende ogen, we hadden reusachtige planten van papier-maché, en onze Adams en Eva’s, naaktmodellen in alle soorten en maten, zouden als levende standbeelden vanuit het podium omhoogkomen met onze goederenlift. De eerste zou Marie de Nooijer zijn, muze van Erwin Olaf, zwaarlijvige vrouw van in de zeventig, kroegbazin uit de Jordaan. Voor het optreden had ze haar bril afgezet, ze verloor op de schuddende goederenlift haar evenwicht, probeerde zich vast te klampen aan een plant, die van papier-maché bleek. Ze viel en overleed de volgende ochtend in het ziekenhuis, interne bloedingen. Een omslagpunt voor mij, het besef daalde in dat het verschrikkelijk mis kan gaan.’

Was het exemplarisch voor hoe de dingen daar af en toe gingen?

‘Ja. Het plafond in de RoXY was 12 meter hoog met een gat recht boven de dansvloer. Door dat gat kon je mensen, of dingen, naar beneden takelen. Zo is performer Zubrowka ooit in een badkuip naar beneden gekomen. Als ik daar nu de foto’s van zie, denk ik: mijn god. Als ze één verkeerde beweging had gemaakt, was ze eruit gevallen.

‘Leigh Bowery, nachticoon uit Londen, zou ook uit het dak komen zakken, in een bergbeklimmerstuigje. Het tuigje had ik bij hem aangepast. Maar voordat het echt ging gebeuren, moest hij even naar de wc. Boven wilde ik het tuigje weer omdoen, maar het paste niet meer. ‘Tighter, tighter!’, zei hij. Uiteindelijk kon ik het met moeite dichtsjorren, maar ik had zo’n gevoel dat we het optreden beter niet konden doen. ‘What on earth could happen to me?’, vroeg hij. ‘You could drop dead’, zei ik. Kon hem niet schelen, zijn dood zou een fantastisch begin van de show zijn. Nou, hij landde, gelukkig, gooide zijn cape af en stond daar in zijn absurde naaktheid, rende het podium op, ging op zijn hoofd staan, spreidde zijn benen en spoot een enorme waterfontein uit zijn aars. Wow, what the fuck! Toen begreep ik waarom dat tuigje niet paste, hij was onder de douche gaan staan, had de douchekop in zijn reet gestopt en zich volgespoten met water. Van die dingen. Na de brand in de RoXY ben ik heel bang geworden. Voor vuurwerk bijvoorbeeld. Ik eis een microfoon in mijn dj-booth, zodat ik de boel kan evacueren als er iets misgaat. Ik ga altijd van de horrorscenario’s uit.’

De RoXY was aan de ene kant een plek voor mensen die buiten de boot vielen, maar het was ook een plek waar een heleboel anderen buiten de boot vielen omdat ze niet werden binnengelaten.

‘Het was exclusief om inclusief te kunnen zijn. Er zijn natuurlijk ook mensen onterecht geweigerd, er werden fouten gemaakt. Ik ben zelf óók een keer geweigerd, door een nieuwe portier. ‘Ik werk hier’, zei ik. ‘Dat zeggen ze allemaal, wegwezen jij’, zei hij.’

Beer beschrijft in Fenix een man – naar later blijkt de nieuwe directeur van de RoXY – als volgt: ‘Alles aan deze kerel is verkeerd. Een hagelwit overhemd met strijkboutvouwen, een te hoog opgehaalde nette spijkerbroek met een glimmende herenceintuur en dan die schoenen, waarschijnlijk gekocht bij Taft of Van Haren. Het is me een raadsel hoe deze gast is binnengekomen.’

‘Ik was natuurlijk hartstikke arrogant. Soms zie ik filmpjes van mezelf terug uit die tijd, met het schaamrood op mijn kaken. Dan zit ik met een hete aardappel in m’n keel af te geven op tante Mie uit Kutteveen-West. God, wat erg. Ik keek neer op gewone mensen. Zo van: als jullie mij niet moeten, moet ik jullie niet. Ik kan er nu om lachen, daarom kon ik mijn hoofdpersoon Beer ook zo neerzetten. Ik hoop dat de lezer wel ziet hoe misplaatst die arrogantie is.’

Er gebeurde meer dat nu niet meer zou kunnen. Snoepjesmannen die rondliepen met toen nog legale xtc, te koop voor 35 gulden per stuk.

‘Die hoorden er gewoon bij. Een soort hofleveranciers, veilig geregeld, top. Kun je nagaan, 35 gulden. Nu kost een pilletje 5 euro.’

Vind je dat drugs je leven hebben verrijkt?

‘Lsd heeft me geleerd dat er meer dan één werkelijkheid is. Dat een geest meer dimensies kan zien. Maar of dat in mijn geval nou een verrijking is, weet ik niet, want je kunt er ook door gaan twijfelen aan de echtheid van alles, het kan je in verwarring brengen. Xtc heeft mijn leven wél echt verrijkt. Ik heb er vriendschappen aan overgehouden. Mensen worden opener, liever, je deelt meer, komt veel sneller op een dieper niveau.’

Een vriendin zegt in Fenix tegen hoofdpersoon Beer: ‘Je voelt je ongemakkelijk op een feestje. Jij kunt geen smalltalk voeren. Je bent verlegen. Je hebt geen houvast of vluchtroute en voelt je dan alsof je opeens piemelnaakt in een drukke supermarkt staat.’

‘Ja, zo is het. Ik moet iets te doen hebben, zoals plaatjes draaien. Ik kan ook veel gaan drinken om me goed te voelen. Maar anders voel ik me ongemakkelijk. Aan de ene kant misschien gek om als dj op het podium te staan terwijl je verlegen bent. Het was voor mij ook een manier om mijn bestaansrecht te bewijzen. Ik wist al heel jong dat ik homoseksueel was, ben. Je voelt: ik hoor er niet bij. Daaruit komt een sterke bewijsdrang voort.’

In Fenix haal je The Velvet Rage aan, een boek van de Amerikaanse psycholoog Alan Downs over de gevolgen van het gevoel van afwijzing en schaamte dat homoseksuele mannen volgens hem in zich dragen. In de ‘grabbelton der gevolgen’ zit onder andere zelfhaat, dwangmatige overprestatie, mateloosheid, perfectionisme, zelfdestructie, sportschoolverslaving, woede, grenzeloosheid, alcoholmisbruik, wraakgevoelens, promiscuïteit, roekeloosheid, depressie, eenzaamheid en suïcide.

‘Ik las dat boek een paar jaar geleden, en toen vielen voor mij allerlei dingen op hun plaats. Ineens begreep ik van veel mensen waarom ze zo mateloos waren of zelfdestructief, waarom de lat altijd zo hoog lag. Een enorme drang om altijd maar de beste te zijn, en ondertussen verteerd worden door zelftwijfel. Kijk naar Erwin Olaf, mateloos in zijn drang om te presteren, het allermooiste te maken. Dat had met zijn fluwelen woede te maken, denk ik.’

Begreep je jezelf ook beter door dat boek?

‘Ook ik leg de lat hoog, ook ik vind mezelf nooit goed genoeg. Als iemand zegt dat ik geweldig heb gedraaid, denk ik: had beter gekund. Als kind deed ik al mijn uiterste best om in positieve zin op te vallen. Ik was klassenvertegenwoordiger, hoofdredacteur van de schoolkrant, haalde goede cijfers. En dat komt, denk ik, inderdaad door diepgevoelde schaamte die gecompenseerd moet worden.’

Als je geen homo was geweest, was je dan ook geen dj geworden?

‘Nee, dat denk ik niet. In het uitgaansleven vond ik mijn zielsverwanten, mensen die ook zoekende waren. In de nacht gelden andere regels, het is vrijer, er is meer acceptatie. Als ik hetero was geweest, had ik waarschijnlijk het bedrijf van mijn ouders overgenomen. Mijn vader was kapper, ze hadden een grote zaak in Leiden, waarin mijn moeder de parfumerie deed. Ik zag hoe hard ze werkten, hoeveel spanning het gaf. Volgens mij hadden ze op een gegeven moment wel vijftien kappers in dienst. Mijn vader is begonnen op zolder bij ons thuis in een klein huisje in Leiden, daar knipte hij mensen tot ’s avonds laat om geld bij elkaar te krijgen voor die eigen zaak.’

Een fijne jeugd?

‘Aan de ene kant wel, maar ik zag mijn vader weinig, hij was erg met zichzelf bezig. Een beetje het Mad Men-idee, als je die serie kent. Een selfmade man, ontzettend knap, gedoe met vrouwen, lastig voor mijn moeder. Volgens mij, maar mijn broer is het daar niet mee eens, zat mijn vader ergens op het autismespectrum. Ik denk dat hij daardoor zijn liefde niet goed kon laten zien.’

Hij had weinig oog voor jou?

‘Hij wilde dat ik succesvol zou zijn. Het ging veel over hoe je eruitzag, over dure auto’s en mooie pakken. Hij droeg pakken van Lanvin, want er werd op een gegeven moment goed verdiend – al ging het er ook goed doorheen.’

Was je homoseksualiteit voor je ouders een issue?

‘Nee. Mijn vader noemde me wel mietje en slappeling als ik iets niet kon of niet durfde, maar toen was ik nog niet uit de kast. Op mijn 15de heb ik het verteld, toen was er een discussieprogramma op tv, mijn ouders en ik waren het oneens, en toen vroeg mijn vader of moeder hoe ik het zélf dan zou doen, als ik kinderen zou hebben. Toen stond ik op en riep: ‘Ik ga nooit kinderen krijgen, ik ben homo!’ Huilend rende ik naar mijn jongenskamertje. Mijn vader klopte op de deur: jongen, het is goed. Mijn moeder huilde, ze was bang dat ik ongelukkig zou worden. Ik heb er erg mee gezeten dat ik ze geen kleinkinderen kon geven. Op een bepaald punt in mijn leven besloot ik dat ik een kind wilde maken, met een vriendin. Ik nodigde mijn ouders uit voor een etentje in de Supperclub en ik heb ze dat voornemen trots verteld. Uiteindelijk kwam het er niet van, ook omdat ik met mijn wilde leven geen goede vader had kunnen zijn. Mijn moeder zei een paar jaar geleden dat ze, toen ze na dat etentje terugliep naar de auto, erg moest huilen. Omdat ze dacht dat ik het niet voor mezelf deed, maar voor hen.’

En was dat ook zo?

‘Ja, eigenlijk wel. Wow. Omdat ik me schuldig voelde! Kom ik nu achter, zeg. Pfff. Ik zag mijn moeder weleens met kleine kinderen, en dan was ze er zó leuk mee. Mijn broer heeft ook geen kinderen. Hij is in aanraking gekomen met harddrugs, verslaafd geweest aan heroïne. Mijn ouders hebben hem weg moeten sturen als hij voor de deur stond omdat hij jatte. Verslaving is een afschuwelijke ziekte. Op een wonderbaarlijke manier is hij er zelf van afgekomen, zonder hulp. Voor mijn vader overleed, in 2014, beloofde mijn broer dat hij zou afkicken en voor mijn moeder zou zorgen. Die belofte is hij nagekomen. Hij doet boodschappen, kookt, zorgt dat mijn moeder, die nu 88 is, gezelschap heeft. Echt, mijn allergrootste held is mijn broer. Ik vind het ongelooflijk hoe hij het geflikt heeft.’

In Fenix gaat het ook over ongezond escapisme, over drugsgebruik, over niet hoeven voelen. Had dat iets met de aidsepidemie te maken?

‘Dat denk ik wel. Het is niet normaal dat je jong bent en de hele tijd mensen in je omgeving ziet doodgaan. Al in 1983 overleed de eerste uit mijn vriendenkring. Een kaakontsteking ‘was naar zijn hoofd gegaan’, werd er gezegd, maar het was aids. Ik hoorde niks over een begrafenis, hij was ineens weg. Zijn levenspartner was daarna ook ineens van de aardbodem verdwenen. De angst zat er goed in. Ik heb me nooit in het homo-uitgaansleven gestort, deels vanwege faalangst en verlegenheid, maar toch ook vanwege aids. Dan maar de hand aan jezelf slaan. Ik deed het één keer onveilig en ik was als de dood. Je laat je testen, zit daar in die wachtkamer met allemaal jongens van jouw leeftijd, niemand praat, iedereen is bang.

‘Op een gegeven moment kreeg ik een vriendje, in het boek heet hij Gabriel. Hij kreeg vanuit het niets kleine pukkeltjes in zijn gezicht, ook in zijn oog, dus wij naar het Prinsengrachtziekenhuis. Ik werd van hem gescheiden want ik was geen familie. Hij was Argentijns, hij hád hier helemaal geen familie. Gordelroos, was de diagnose, door lage weerstand. En die lage weerstand, in combinatie met zijn homoseksualiteit, dat moest wel door aids komen, zei een een arts. Ik hoorde hem schreeuwen en gillen in die kamer waar ik niet in mocht. Je denkt: nu is het voorbij, hij gaat dood, en dan zal ik ook wel doodgaan. Paniek. Uiteindelijk testten we allebei negatief.’

‘Er werden keiharde grappen gemaakt. Zo hielden we onszelf staande. Het lukte sommige mensen niet om naar elke uitvaart te gaan, het waren er gewoon te veel. Om het verdriet te vergeten gingen we alleen maar harder feesten.’

Je lijkt me iemand met een zachtaardige inborst. Maakte jij die harde grappen ook?

‘O ja, ik kon heel vals zijn. Het was af en toe bijna een soort wedstrijd: hoe harder en cynischer, hoe beter. Een dikke huid kweken, niemand kan mij raken. Het is een verdedigingssysteem. Grensoverschrijdende opmerkingen, zouden we nu zeggen. Maar we hebben ook ontzettend gelachen. Weet je, een bepaalde mate van escapisme is nuttig en gezond. Ik ken ook mensen die zich zó heftig met alle problemen in de wereld bezighouden, dat ze mentale problemen krijgen. Je moet ook bevrijding kunnen vinden. Het wordt een probleem als dat escapisme je leven wordt.’

En dat was bij jou zo?

‘Ja. Ik ben tegen een muur gelopen, op een gegeven moment. Dat was begin jaren negentig. Die aids, het jezelf verdoven door te feesten, de dips na een weekend xtc. Ik begon alles te tellen op straat, een dwangneurose. De lantaarnpalen, de stappen tot aan de overkant – een even getal was goed, bij een oneven getal zou er iets ergs gebeuren. Dat was niet oké. Nog steeds, als ik erg onder stress sta, ga ik tellen. Je telt om niet te hoeven nadenken, omdat je niet kunt bevatten wat er in je leven gebeurt. Ik ging naar een therapeut, maar die zei dat ik homoseksueel was geworden door mijn dominante moeder, echt totale onzin. Toen was ik er meteen klaar mee. Die angsten gingen niet weg, ik dacht alleen maar in doemscenario’s.’

Ben je ervan afgekomen?

‘Dat tellen heeft lang geduurd. De relatie met de jongen die ik Gabriel noem was pittig en werd steeds heftiger. Voor de buitenwereld was hij leuk, maar hij kleineerde me. Ik denk dat hij zelf ook vastzat. Veel later kwam ik erachter dat hij eigenlijk een zij was, in een lichaam zat waarin ze zich niet thuis voelde, dat ze transgender was. Ik ben pas in 2016 weer in therapie gegaan, nadat er achter elkaar van alles was gebeurd. Mijn vader stierf aan longkanker, drie vrienden van vroeger uit de RoXY gingen dood, eentje door zelfmoord. Ik kreeg last van hyperventilatie en angststoornissen. Als iemand op straat in mijn richting liep, wist ik zeker dat-ie mij met een mes in mijn buik zou steken. Of ik zag een bakfietsmoeder met kinderen bij een stoplicht, en ik dacht: die rijdt straks door rood en wordt geschept door een vrachtwagen. Rugzakje daar, kinderarmpje daar, ik zag het voor me. Dat was zo uitputtend dat ik er depressief van werd.’

Van Bellen staat op, steekt een sigaret op en gaat in de deuropening van de keuken staan, net op het regenachtige binnenplaatsje van zijn huis in Amsterdam, in de voormalige studio van Erwin Olaf. Er staat een volle asbak, hij mag niet binnen roken van zijn man. ‘Ik ben tijdens corona heel bang geweest. Wilde absoluut niet besmet raken. Enerzijds omdat m’n moeder en broer kwetsbaar zijn, ze hebben allebei hartfalen. Maar ik denk toch ook dat het een erfenis uit die aidstijd is. Ik werd paranoïde, de angst was irrationeel. Ik ging veel wandelen, en als ik dan met een goede vriend wandelde die met zijn blote vinger op het knopje van het stoplicht drukte, schrok ik me wild. Dan dacht ik: met hem ga ik nooit meer wandelen.’

Een van je lijfspreuken was: ‘Terugkijken is stilstaan en een beetje doodgaan.’ Nu doe je het vol overgave.

‘Dat was vooral mijn lijfspreuk voor ik in 2017 mentaal in elkaar klapte. Ik was altijd maar gericht op doorgaan, blijven vernieuwen. Het wordt ook een beetje zielig, die dwangmatige vernieuwing. Moet ik als dj gaan concurreren met jonge mensen? Ik kan meer geven als ik mijn verhalen overdraag. Zoals een oudere hoort te doen, ter lering en vermaak.’

Wat kunnen jongere generaties van dit verhaal leren?

‘Dat is wel een ding. Tussen de jongere queer community en de oudere gays zit het niet helemaal lekker, heb ik het idee. De ouderen voelen zich niet gezien, voelen geen respect vanuit de jongeren. Sommigen vinden het ook allemaal maar onzin, al die hokjes die er nu zijn. Daar worstel ik zelf ook mee, ik wil liever niet in hokjes denken. Ik heb vorig jaar een feest geprogrammeerd voor Queer Amsterdam, en dat doe ik dan zo divers mogelijk. Dan ben ik ook de hokjes aan het afdekken, terwijl ik tegelijkertijd denk: wat doet het ertoe? Sommige jonge queers schieten erin door, vind ik. Het lijkt soms wel streng gereformeerd, zo afgebakend. Ik mis soms de vrijheid, de fluïditeit. Als Fenix wordt verfilmd, vind ik het geen probleem als de homoseksuele Beer wordt gespeeld door een hetero, en de trans vrouw Xenia door een cisgender vrouw. Er zijn een heleboel progressieve mensen die vinden dat een trans personage gespeeld moet worden door een trans acteur. Ik vind dat bezitterig. Ik vind dat je moet delen.

‘Het aidsverhaal, dat is ook een ding. Veel jongeren hebben er nauwelijks weet van, we hebben het er weinig meer over. Er staat een monument achter het Centraal Station in Amsterdam: een telraam – bijna niemand die het weet. Het is belangrijk om stil te staan bij wat er is gebeurd. Er zijn zó veel mensen doodgegaan.’

Hoe gaat het nu met je, nu het boek er is?

‘Ik zit nog midden in de nageboorte. Ik dacht even dat ik een postnatale depressie zou krijgen. Ik moet ook nog bijkomen van de boekpresentatie, want ik kon het niet laten om daar iets heel groots van te maken, in de grote zaal van Paradiso. Een subsidie werd op het laatste moment afgewezen, dus ik zit nu met de rekeningen. Ik heb nog geen rust gevonden. Ik hoop dat ik dit boek straks kan wegzetten: dit is mijn verleden. Klaar. En dan op een geweldige manier toewerken naar het einde van mijn dj-carrière en in alle rust oud worden.’

Ben je nog steeds zenuwachtig als je moet draaien?

‘Dat is sinds corona voorbij. Heel gek, want ik had echt André Hazes-achtige hoestbuien. Kokhalzen, voor ik op moest. Dat heb ik niet meer. Ik heb nu alleen een beetje de zenuwen omdat ik zo weinig heb gedraaid de laatste tijd en op muziekgebied niet helemaal up-to-date ben.’

Je moet van jezelf helemaal up-to-date zijn?

‘Shit, daar heb je die hoge lat weer. Vanavond, morgen en overmorgen ga ik muziek verzamelen. Ik kan als ouwe lul natuurlijk niet alleen maar oude nummers gaan draaien.’

Fotografiecredits

Fotografie: Philine van den Hul
Concept: Philine van den Hul en Floris Meijer
Make-up: Olena Tvorcha
Styling: Philine van den Hul en Joost van Bellen
Assistent: Pien Meeder

Cv Joost van Bellen

4 januari 1962 Geboren in Leiden.
1984-1985 Clubavonden in kraakpanden.
1987-1999 Resident dj in de RoXY.
1990-1997 Artistiek leider RoXY.
1991-1995 Loveballs in RoXY, benefietavonden in de strijd tegen aids.
1998-2010 Oprichter en mede-eigenaar Meubel Stukken.
1997 Eerste Speedfreax-feest.
2003-2006 Nachtburgemeester Amsterdam (met anderen).
2003-2016 Organiseert eclectische clubavond Rauw.
2005-heden Doet met partner Sander Stenger als Star Studded Studios muziekregie voor modeshows.
2014 Debuutroman Pandaogen.
2021 Nachtdier, roman.
2024 Fenix, roman.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next