‘Jij maakt de ellende mooi.’ Dat verwijt kreeg Ton Broekhuis jaren geleden van zijn vrienden, toen hij vervallen fabrieken in de Groninger Veenkoloniën fotografeerde. Maar schoonheid vinden in verval – dat is júíst zijn bedoeling. En daar hoeft hij zijn tuin niet eens voor uit.
Het idee was fotograaf Ton Broekhuis (73) te bezoeken in zijn Zuid-Friese woonplaats, het gehucht Oldetrijne. Hij heeft er een perceel grond van 3.000 vierkante meter met daarop een woonhuis, enkele schuren, een ruïneuze varkensstal en de tuin die het onderwerp vormt van zijn nieuwe boek De bloei voorbij (Ons hof 3). De tuin waarin tegenwoordig Broekhuis’ universum samenbalt, en waar hij rondzwerft van avontuur naar avontuur. Maar de afspraak om een tuinexcursie te maken, gaat niet door.
‘Wilt u kip of een runderlapje? Aardappelen of puree? Sperzieboontjes?’, klinkt een vriendelijke vrouwenstem aan zijn kant van de telefoon. Broekhuis antwoordt en concentreert zich weer op ons gesprek. Hij ligt in het ziekenhuis, waar hij een week eerder met spoed is opgenomen met een dubbele longontsteking, die hem de adem benam.
Het was kantje boord, ‘maar een dag later was ik er weer’. En al valt er nog flink aan te sterken, terug is de gedrevenheid van dit vaatje buskruit. Van de man die langdurig de drijvende kracht was achter het internationale fotofestival Noorderlicht – de Fries-Groningse trots – en zijn fotografenhart aan de door dijken begrensde Groningse kleigronden heeft verpand.
De voormalige directeur met gevraagd en ongevraagd commentaar op de lamlendige, achterbakse behandeling van het voor Haagse bestuurders zo onbereikbaar verre noorden. De landschapsfotograaf voor wie een links kloppend hart nog altijd meer betekent dan de precieze plek in het lijf van het orgaan dat de afgelopen jaren ook al een paar opdoffers te verstouwen heeft gekregen.
Over de auteur
Arno Haijtema is redacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en is tv-recensent.
Niet vreemd toch, dat de verslaggever vermoedt dat De bloei voorbij – alleen die titel al – een verwijzing is naar de gebreken waarmee de ouderdom komt? Malheur die Broekhuis royaal heeft moeten ondervinden, en die vooruit wijst naar het onvermijdelijke verval dat op zijn foto’s uit de tuin nadrukkelijk aanwezig is. Goed gezien toch?
Maar nee, Broekhuis wil het misverstand middels ‘een kleine kortsluiting’ graag uit de wereld helpen. Want waarom denk je dat hij de plantjes waarvan hij vaak de naam niet eens weet (‘Choquerend voor de Randstedeling: het meeste is onkruid’) extra verleidelijk maakt door de kleuren in de nabewerking een miniem zetje richting verzadiging te geven?
Waarom hij voortdurend dat spel speelt met de beeldcompositie, de lijnen en krommingen? Waarom hij graag refereert aan de Hollandse meesters, met hun diepe rood, geel en oker? Toch zeker niet omdat hij in onomkeerbare somberheid is verzonken? ‘Nee, ik wil dingen mooi maken. Noem het: zoeken naar geilheid in beeld.’
Dertig jaar geleden kreeg hij ‘op m’n flikker van mijn linkse maten’, vanwege het fotoboek dat hij maakte over de teloorgang van de aardappelmeel- en strokartonindustrie in de Veenkoloniën. Voorheen de Vooruitgang heette die lofzang op de fabrieken wier verval een onmiskenbare romantische schoonheid droeg. ‘Jij maakt de ellende mooi’, verweten die maten Broekhuis. Maar dat is dus de bedoeling. Warm moeten Broekhuis’ foto’s zijn, alsof er ergens een vuurtje gloeit. Noem zijn beelden koortsig – nooit zal hij ‘écht blauw’ op zijn foto’s toestaan, ‘die kleur is te koud’.
Het roept de vraag op: wat ís mooi? ‘In elk geval niet de foto’s van bloeiende planten. Fotografeerde ik een rododendron, dan voelde het alsof ik reclameplaatjes maakte voor het tuincentrum.’ Daar blijft hij graag van weg – al was het maar omdat de winkel vlinderstruiken verkoopt die dusdanig met pesticiden zijn behandeld dat vlinders, als ze erop neerdalen, grote kans hebben een wisse dood te sterven. Nee, de bloei is de zonsondergang voor de fotograaf: het immer te vermijden cliché.
In het leven en afsterven ná de bloei, in de wulpsheid die zich dan blootgeeft, in de grilligheid van stokjes en takjes vond Broekhuis de schoonheid die hij zoekt. ‘Bovendien gaat de eindigheid gepaard met een veelheid aan leven. Schimmels, insecten, larven, veertjes.’ Hij ontdekte dat kapucijners, net als doperwten en courgettes, klauwtjes hebben waarmee ze zich vastklampen aan de steun die zich aandient. ‘Toen ik dat eenmaal doorhad, was ik zomaar drie weken achter het huis aan het fotograferen.’ Met zijn mobiele ministudio – ‘de camera en een zwart achterwandje, meer is het niet’ – struinde hij door de tuin ‘altijd wachtend op kutweer, want bij volle zon krijg je lelijke slagschaduwen’.
‘Wilt u nog een bakje yoghurt, heeft u het eerste nu al op?’, vraagt een vrouwenstem naast Broekhuis’ bed. Er volgt een gemompeld antwoord. ‘Ik heb een bakje achterover gedrukt voor mijn geliefde, ze ziet er zo moe uit, ze moet beter eten’, bekent hij als de vrijwilliger weer is vertrokken. Wat hem brengt op de restaurants die hij als ‘baasje van Noorderlicht’ 25 jaar in Parijs bezocht, tijdens Paris Photo, de belangrijkste jaarlijkse fotobeurs ter wereld.
‘Zat ik daar tussen de Japanners en de Amerikanen, allemaal ingevlogen om foto’s te kopen die ik uiteindelijk minder belangrijk vond dan het eten.’ Helemaal verkeerd was het, besefte hij, al die mensen die zich vanuit alle uithoeken van de wereld lieten overvliegen.
Het onbehagen over het onbeschaamd en vanzelfsprekend rondreizen over de aarde besprong Broekhuis – in een ver verleden als reportagefotograaf bij gelegenheid ook een globetrotter – toen hij een tv-reclame zag van een touroperator die de toerist ‘vanuit zijn vakantieresort uitzicht garandeerde op de big five’. Nee, nooit zal hij olifanten en neushoorns spotten vanaf het terras in een ‘ecoresort’ in Kenia.
En de pittoreske Franse dorpjes die hij ooit zo graag fotografeerde, moeten het zonder Broekhuis stellen: de intensiteit waarmee hij werkt komt uitsluitend ten goede aan de tuin en, vooruit, die plekken in het Groningse, Drentse en Friese land waar het toerisme in de vorm van vakantieresorts en pretparken nog niet heeft kunnen woekeren. ‘De bewoners van Mallorca en Venetië die protesteren tegen het massatoerisme, die hebben groot gelijk.’
Hij werkt aan boeken over sloten, al dan niet in bevroren toestand, over riet, sneeuw en bomen – en een publicatie waarin al die thema’s samenkomen. Denk nou niet dat het Broekhuis alleen maar gaat om de ontroering van de weerbarstige noordelijke klei, van kaarsrechte waterstroken en kale dijken, van ‘de vogels die boven de bomen zweven en de koeien die dromen van een vorig leven’ (Meindert Talma in Mach Mal Pause).
Nee, beschouw de peulen, de kronkelende takken, de stervende bloemen, de bessen, de rottende vruchtjes ook als onvervalste ‘agitprop’ in vermomming: Broekhuis’ vurige pleidooi tegen het toerisme, een liefdesverklaring aan het nabije vlakke land.
Laatste vraag, voordat Broekhuis gaat rusten ten behoeve van zijn herstel. De melancholie van die dode vogeltjes, die nooit boven de bomen zweefden, weerspiegelt die de geestesgesteldheid van de fotograaf? ‘Ach, als vogeltjes dood zijn, zitten ze mooi stil. Als ze nog leven, zijn ze me altijd te vlug af.’
Ton Broekhuis: De bloei voorbij (Ons hof 3). Eigen beheer € 45,50. Zie: tonbroekhuis.nl.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant