In hun hoorzittingen en motivatiebrieven leggen de nieuwe bewindslieden veel bloot over het karakter van de nieuwe regering.
Het was oud en nieuw op het Binnenhof deze week. Terwijl Mark Rutte, zittend op zijn fiets, op zijn geheel eigen wijze reageerde op zijn topfunctie bij de Navo die eindelijk binnen is (‘ontzettend eervol, ongelooflijk interessante functie’), traden in de Tweede Kamer de beoogde bewindslieden van het kabinet-Schoof aan om ‘kennis te maken’ met de volksvertegenwoordiging.
Er was vooraf enige scepsis over die sessies, maar al na één dag was duidelijk dat het een prima aanvulling is op het formatieproces. Er werd op individueel niveau weliswaar niets opzienbarends onthuld – de beoogd minister van Volkshuisvesting houdt van breien – maar samen leggen de debuterende ministers en staatssecretarissen in de hoorzittingen en hun motivatiebrieven wel veel bloot over het karakter van hun ploeg. ‘Gespleten’, is het woord dat zich opdringt.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Aan de ene kant staan de bewindslieden, vooral die van de PVV, die sinds de aankondiging van hun kandidatuur worden achtervolgd door de dingen die zij, of hun partijleider, eerder hebben gezegd en gedaan. De omgang daarmee is helder: ze hebben er simpelweg voor gekozen dat alles wat eerder is gebeurd, tijdelijk niet meer geldt. Zodoende krijgen we een PVV-staatssecretaris die zich verheugt op een innige, constructieve samenwerking met het Caribische deel van het koninkrijk dat zijn partij nog niet zo lang geleden liefst op Marktplaats wilde verkopen, een PVV-minister van Migratie die plechtig belooft dat ze in de Trêveszaal en daarbuiten voorlopig geen omvolkingstheorieën meer zal verspreiden, en een PVV-minister voor Ontwikkelingshulp die eigenlijk voor de afschaffing van ontwikkelingshulp is, maar daar voorlopig even van afziet: ‘Nu zit ik in een andere rol natuurlijk.’
Voor wie bij dat alles de wenkbrauwen fronst, wordt er ook een ándere kant van het kabinet opgetuigd. Daar staan de debutanten – die van Nieuw Sociaal Contract voorop – van wie iedereen wel weet dat ze zich net zoveel zorgen maken als de meeste oppositiepartijen, maar die nou eenmaal hebben besloten dat ze het er toch op gaan wagen. Beoogd minister Uitermark van Binnenlandse Zaken wierp zich op als hoeder van de Grondwet en verwees bijna wanhopig naar de alweer bijna vergeten ‘rechtsstaatverklaring’ van de formerende partijen. Daarin beloofden zij in februari dat alles wat zij zeggen en doen vanaf nu binnen de lijntjes blijft. ‘Waar ik kritisch moet zijn, zál ik het zijn’, zwoer Uitermark. ‘Als mijn positieve houding omslaat naar iets negatiefs, zult u het snel genoeg merken.’ Ook vice-premier Eddy van Hijum beloofde zich hard uit te spreken als Wilders er genoeg van krijgt en de PVV weer zichzelf dreigt te worden: ‘Daar zitten we met elkaar bij.’
Ziedaar het kabinet-Schoof: een wonderlijke ploeg waarin de ene helft gaat fungeren als toezichthouder voor de andere helft. Met daarboven een premier zonder enige politieke ervaring die moet gaan proberen het gezelschap langer dan enkele maanden bij elkaar te houden.
De vorige fietste donderdag in een opperbest humeur (‘Hé, te gek, hoi!’) weg van het Binnenhof. ‘Ik heb ervan genoten’, zei hij nog. De kans dat Dick Schoof over vier jaar hetzelfde kan zeggen is niet erg groot.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant