Ook op zijn 81ste voelt Hans Achterhuis nog altijd een diepe behoefte aan idealen. Dat die idealen mee-ontwikkelen met de tijd, ontdekte hij al vrij jong en op bruuske wijze. ‘Fascinerend vond ik het, dat mensen zo blind konden zijn.’
Op een omarming van de jarenzestig-idealen in zijn studietijd, inclusief een periode van geloof in de Chinese revolutie, volgt een afrekening met de linkse idealen van welzijnswerkers in de jaren tachtig – of in boektitels, op Filosofen van de Derde Wereld uit 1975 volgt De markt van welzijn en geluk in 1981, waarmee hij zich, als 39-jarige, de woede van een volgende generatie studenten op de hals haalt. In 1998 richt Hans Achterhuis zijn pijlen op zichzelf en andere gelovers in linkse, hemelbestormende vergezichten: in zijn vuistdikke De erfenis van de utopie stelt hij vast dat de dystopie in de utopie besloten ligt. Twaalf jaar later ontwaart hij een nieuw soort utopisch denken, maar dan op rechts: het neoliberalisme. Dat is, net als linkse utopieën, tot excessen geneigd, betoogt hij in De utopie van de vrije markt.
Op 81-jarige leeftijd voelt hij, na deze intellectuele afrekeningen en met een broze gezondheid, nog altijd een diepe behoefte aan idealen. Gezeten in zijn geheel met boeken gevulde studeerkamer in een statig Utrechts appartement omschrijft hij zichzelf onverkort als ‘links’ en ‘idealistisch’. Enthousiast verhaalt hij over zijn geëngageerde kleinkinderen en zijn lidmaatschap van de actiegroep Grootouders voor het klimaat.
Geboren in 1942 beleeft filosoof en theoloog Hans Achterhuis in Hengelo en Driebergen een ogenschijnlijk pittige jeugd: zijn vader overlijdt aan longkanker wanneer zijn zoon 9 jaar is; de stiefvader die dan volgt, wordt enkele jaren later failliet verklaard: ‘Als 14-jarige gymnasiast was ik bang van school te moeten om te werken.’ Traumatisch was het allemaal niet, bezweert hij: ‘Ik lees over allerlei trauma’s van anderen en denk dan: die zou ik toch ook moeten hebben. Maar niks hoor.’ Voor het ontbreken daarvan dankt hij zijn ‘zorgzame’ moeder. Nog een verdienste van haar: de universiteit vond ze voor hem en zijn twee jongere zusjes ‘vanzelfsprekend, terwijl dat in onze familie helemaal niet gebruikelijk was’.
Zijn dubbele studie legt het fundament voor een carrière als hoogleraar en publiek intellectueel – zijn eigenzinnig, filosofisch licht laat hij graag op het maatschappelijk debat schijnen, met name in De Groene Amsterdammer. Met zijn boeken levert dat hem in 2011 de uitverkiezing op tot de eerste Denker des Vaderlands. Hij beleeft dan zijn hoogtijjaren, mede door het tweemaal winnen van de Socratesbeker voor het beste filosofische boek. Zijn laatste werk dateert van 2022 en gaat over de Duits-Amerikaanse filosoof Hannah Arendt (1906-1975), op wie hij in 1969 ‘intellectueel verliefd’ werd – de titel ervan, Ik wil begrijpen, is aan haar ontleend, maar valt ook als zijn eigen levensmotto te lezen.
U belandde als student halverwege de jaren zestig, samen met uw vrouw Tiny, in Straatsburg, waar u een proefschrift over Camus schreef. Wat trof u daar aan?
‘Een volledig ander studentenleven dan ik ervoor had meegemaakt, toen ik theologie studeerde en jasje-dasje op het Utrechtse studentencorps kwam. In Frankrijk gingen we dat aangepaste gedrag belachelijk vinden. Daar kwamen we in aanraking met studenten die ‘priester-arbeider’ wilden worden – zij wonden zich op over armoede en wilden de revolutie in de fabrieken in gang zetten. Verandering hing in de lucht, alles moest anders, Tiny en ik wilden deel zijn van die beweging. We deden mee aan Vietnam-demonstraties, aan discussies over het westerse imperialisme en over De Nieuwe Mens. We waren arm, maar hadden een rotsvast vertrouwen in de toekomst.’
Stond u bij een revolutie het communisme voor ogen?
‘Van het Oost-Europese communisme verwachtte ik totaal niets, daarvoor kende ik te veel verhalen over onderdrukking en onvrijheid. Maar toen ik een boek in handen kreeg van Mao, waarin hij verhaalde over zijn Lange Mars en zijn boerenmarxisme, sprak me dat zeer aan. Net als het humanistische marxisme van Che Guevara (Ernesto Guevara, 1928-1967, Latijns-Amerikaanse revolutionair en toenmalig rechterhand van Fidel Castro, red.). Kort nadat hij was vermoord, hebben we ons eerste kind, Ernest Jan, naar hem vernoemd. Van zijn vorm van marxisme is niets terechtgekomen, net zoals dat van Mao volledig is ontaard. Je ziet dat vaker, ook bij de Franse Revolutie – eerst is er de verwachtingsvolle hoop op een nieuwe maatschappij, maar uiteindelijk ontaarden revoluties in geweld, komt de guillotine en eten zij hun eigen kinderen op. Wat China betreft: ik was nooit maoïst, maar heb enthousiast over Mao geschreven. Zelfs over praktijken tijdens de Culturele Revolutie, zoals het aangeven van ouders door hun kinderen, waarvan ik nu alleen maar kan denken: wat verschrikkelijk.’
Hoe verklaart u dat u zover kon gaan?
‘Ik wilde zo graag geloven dat de samenleving totaal anders kon zijn. Daarvoor had ik voorbeelden nodig, anders had ik het idee dat ik zat te fantaseren. Dus keek ik naar landen als China en Cuba. Te lang heb ik geluisterd naar iemand die ik als een autoriteit beschouwde, de hoogleraar W.F. Wertheim (socioloog, 1907-1998, red.), die kritiek op de Culturele Revolutie wegwuifde. Maar Ivan Illich (filosoof en bevrijdingstheoloog, 1926-2002, red.), voor mij de belangrijkste filosoof uit de Derde Wereld, die ook een vriend werd, stond veel kritischer tegenover China. Gaandeweg voelde ik me onzekerder over landen waar ik nooit was geweest. Dus ben ik er mijn mond over gaan houden.’
Stelde het wegvallen van die voorbeelden uw identiteit op de proef?
‘Voor veel mensen was dat zo, omdat het aan de zin van hun eigen leven raakte toen revolutionairen als Mao en Castro van hun voetstuk vielen. Voor mij viel dat mee, mijn betrokkenheid was vooral intellectueel. Wat hielp was dat ik me ook bezighield met meer praktisch idealisme, onder meer als redacteur van Amandla (het anti-apartheidstijdschrift, red.). Mijn engagement met de Chinese revolutie ging niet zo diep, ik ben nooit een grote moralist geweest.’
Hannah Arendt spreekt over ‘een verloren schat’ waar de mens naar zoekt.
‘Ze doelt dan op de behoefte aan een nieuwe vrijheid, een bevrijding van al het oude. In verzetskringen is daar tijdens de oorlog veel over gesproken – de term komt van de Franse dichter René Char die verzetsstrijders eendrachtig naar hetzelfde ideaal zag streven. Na de bevrijding moesten ook zij constateren dat hun nieuwe wereld er niet kwam. Wat niet wegneemt dat de mens in mijn ogen behoefte aan die ‘verloren schat’ houdt. Hij moet de zoektocht ernaar blijven ondernemen, maar hij moet daarbij wel waken voor de inzet van gewelddadige middelen.’
Met uw boek ‘De markt van welzijn en geluk’ verruilde u de brede theorieën voor de praktijk van welzijnswerk – met botsingen met idealisten tot gevolg.
‘Mensen die het welzijnswerk in waren gegaan met het idee de revolutie in de wijken te beginnen, ontdekten dat dat niet lukte en kwamen bij mij. Daar moest ik diep over nadenken. In mijn boek toonde ik me kritisch over de afhankelijkheid van hulp die welzijnswerkers creëren. Daar ben ik enorm op aangevallen door mijn andragologiestudenten. ‘Het meest waardeloze boek van het jaar, nu te koop voor één cent’, stond er op een plakkaat in de hal van mijn faculteit. Voor de meeste studenten en collega’s was ik de baarlijke duivel. In een volle zaal met studenten werd ik door vier collega’s aangevallen. Bij een andere bijeenkomst begon de zaal vijf minuten lang te scanderen: ‘Weg met Achterhuis.’ Gelukkig steunde een clubje studenten me, zonder hen had ik het niet gered.’
Hoe verklaart u die felheid?
‘Ik zette de bijl aan de wortel van hun geloof in een totaal andere maatschappij. Dat was bedreigend voor de toekomst die zij voor zich zagen, dus dat moet inderdaad vreselijk voor ze zijn geweest. Uit die jaren herinner ik me ook een felle discussie met studenten die in Albanië hadden gereisd, op uitnodiging van het communistische regime. Bij terugkomst beweerden ze dat het daar de hemel op aarde was. Ik kon hen er niet van overtuigen dat dat onmogelijk was. Fascinerend vond ik het, dat mensen zo blind konden zijn. Later bedacht ik: hoe kon ikzelf zo blind over China zijn?’
Die vraag ligt ten grondslag aan uw boek over utopisch denken – waarom gaat het daarmee toch altijd zo mis?
‘De middelen die worden ingezet om een utopie te bereiken, worden steeds zwaarder. In het begin zijn ze moreel positief geladen, maar gaandeweg worden ze steeds heftiger om de utopie te bereiken of om haar in stand te houden. Dan moet je mensen controleren, aanspreken op hun gedrag en uiteindelijk opsluiten – de dystopie zit in de utopie besloten.
‘Neem Utopia, de oer-utopie van Thomas More (Engels staatsman en filosoof, 1478-1535, red.), met zijn totale zichtbaarheid van iedereen: gezamenlijke maaltijden, geen huissleutels en geregeld controleren van buren. Vreselijk. Toen ik dat tijdens een college uiteenzette, stond er plots een aardige studente voor me: ‘Meneer Achterhuis, u bent een fascist.’ Ik had Utopia van haar afgepakt. Of neem het boek Ecotopia met zijn ideale, ecologisch bewuste samenleving. Na lezing wist ik een ding zeker: in die utopie wil ik niet wonen. Ook daarin sneuvelt de vrijheid als gevolg van de idealen.’
Welke idealen heeft u nog over?
‘Ik kom uit bij de idealen van de Verlichting, zoals tolerantie, vrijheid, gelijkheid en mensenrechten. Ook bij het pluralisme van Hannah Arendt: de aarde wordt niet door een mens bewoond, maar door mensen, meervoud. Dat vereist een democratie waarin verdraagzaamheid jegens andere opvattingen een fundament is. In Nederland zie ik dat worden bedreigd door de PVV, in de VS door Donald Trump – zij schilderen hun politieke tegenstanders als vijanden af. Terwijl het mensen zijn met wie je het fundamenteel oneens kunt zijn, maar die je nooit als vijanden hoort te bejegenen.’
Waarom is ‘ik wil begrijpen’ zo belangrijk voor u?
‘Dat heeft me voortgedreven: ik ben altijd aan de slag gegaan om mezelf, maar ook mijn omgeving te begrijpen. Daartoe moest ik schrijven. Zo probeerde ik ook te begrijpen hoezeer ik onderdeel van de tijdgeest ben. Dat voel ik me ook nu nog. In deze tijd boeit me de nieuwe kijk op het kolonialisme, zoals verwoord in het wat mij betreft onthullende boek Revolusi van David van Reybrouck. Ook de man-vrouwverhoudingen waarvan ik dacht dat ik wel wist hoe het zat, ben ik beter gaan begrijpen. Onder invloed van MeToo-kwesties zie ik scherper hoe fundamenteel ongelijk de verhoudingen qua macht, werk en inkomen nog altijd zijn.’
Is ‘willen begrijpen’ ook een middel tegen cultuurpessimisme?
‘Zeker! Aan het einde van zijn leven was Ivan Illich in de ban daarvan, hij zag de wereld ten onder gaan en beklaagde zich over ‘de jeugd van tegenwoordig’. Op een avond in Enschede, toen hij bij ons logeerde, deed hij dat ook tijdens een toespraakje voor het gezelschap, onder wie mijn kinderen. Ik ben ertegen ingegaan en hield hem voor: ik zie bij de volgende generatie hetzelfde soort enthousiasme en dezelfde problemen als Tiny en ik hadden toen we jong waren. Illich had zelf geen kinderen, wellicht was zijn pessimisme daardoor ingegeven; met kinderen sta je je dat toch minder snel toe, je wilt dat je kinderen het goed gaan krijgen. Mijn vooruitgangsgeloof heb ik behouden. Dat die hemelbestormende idealen van vroeger plaats hebben gemaakt voor veel pragmatischer idealen, zie ik als hoopgevend. De kans op grote teleurstellingen wordt daardoor veel kleiner.’
Boektip
Moussa of de dood van een Arabier, Kamel Daoud
‘Van zowel de schrijver als diens boek ben ik onder de indruk. Tegen de Algerijn Daoud is een fatwa uitgesproken vanwege zijn kritiek op het moslimfundamentalisme. Hier geeft hij stem aan de naamloze Arabier uit De Vreemdeling van Camus. Daoud doet recht aan Camus, maar toont ook diens kolonialistische vooroordeel. Dat had ik zelf niet opgemerkt.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant