Hoogleraar David Abbink maakt robots voor op de werkvloer. Niet om mensen te vervangen, maar om ze te helpen. Het bijzondere is dat hij dat doet met wetenschappers uit andere disciplines. Vandaag wordt zijn werk bekroond met de prestigieuze Stevinpremie.
‘Werknemers kunnen er niet eens naar de plee!’, zegt hoogleraar robotica David Abbink (46), met zijn handen in de lucht. Hij heeft het over werknemers van Amazon, die het razend hoge tempo van sorteerrobots in distributiecentra van de webwinkel niet kunnen bijbenen tenzij ze hun toiletbezoek overslaan. ‘Ze plassen er in flessen’, voegt hij toe – half lachend, half woedend.
Als we niet oppassen, wordt deze manier van werken steeds normaler in een wereld met slimme robots, en dat moeten we niet willen, vindt Abbink. ‘De robots zelf zijn niet het probleem: ze zijn efficiënt, veilig en goedkoop. De manier waarop ze zijn gemaakt, daar gaat het fout: er werkten alleen robotici aan, die niet zijn opgeleid om de impact van robots op de werkzaamheden van personeel te zien.’
Over de auteur
Frank Rensen is wetenschapsjournalist en schrijft voor de Volkskrant over technologie, van cybersecurity en wetgeving tot games en cryptovaluta.
Volgens Abbink is er daarom een nieuw soort wetenschap nodig, waarin psychologen, ontwerpers en organisatiewetenschappers ook meepraten en beslissen. En vergeet vakmensen zelf niet: ‘Zij kennen hun werk het best.’ Hij spendeerde vier jaar aan het opzetten van deze ‘transdisciplinaire’ onderzoeksgroep, uitgerust om verschillende perspectieven uit de wetenschap én praktijk samen te brengen.
Met zijn groep ontwierp Abbink prototypes van robot-hulpen voor onder meer de bagagehallen van Schiphol en de verpleegcentra van het Erasmus UMC. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) bekroont zijn werk vandaag met de Stevinpremie, de hoogste Nederlandse wetenschappelijke onderscheiding, die gepaard gaat met 1,5 miljoen euro.
Hoe leidt uw methode tot betere robots?
‘Voor KLM bouwen we een robot die rotorbladen slijpt om slijtages te herstellen. Dat gebeurt nu handmatig. Echt zoiets om te automatiseren. Als ik daar met de opdrachtgever op bezoek ga, zie ik, met mijn technische achtergrond, de krachten en rotaties voor me die bij het slijpen van rotorbladen komen kijken. Instinctief verzin ik daar dan een robot bij, een soort slimme slijptol die zo over dat blad heen kan schuren.
‘Een collega van me, een werkpsycholoog, ziet iets totaal anders: alle rotorslijpers komen eerst in de werkbanken van ene Jaïro. Ze ontdekt hoe trots zijn slijpwerk hem maakt, en hoe hij zijn werk haast uit principe zonder elektrisch gereedschap doet. Met niets meer dan een vijl kan hij dat blad in perfecte staat krijgen met drie geoefende bewegingen. Maar ja, dat kan hij maar een paar minuten per dag doen, voordat hij door de pijn moet stoppen.
‘Toen ik mijn ontwerp aan Jaïro liet zien, wuifde hij het meteen weg. ‘Ik zal je vertellen wat je moet maken’, zegt hij en haalt een bezemsteel tevoorschijn, kijkt er met een mistige blik langs en schuift er in die geoefende, vloeiende beweging zijn hand overheen. ‘Zo zie ik het altijd voor me. Stel, je maakt een soort robotarm die mij kan helpen de lijn van die bezemsteel te volgen, dat zou mij het meest helpen met mijn spierpijn.’
‘Niemand van ons was daarop gekomen. Hij wel – hij wist het al tien jaar. Die robotarm hebben we uitgewerkt tot een prototype. Niet om de opdrachtgevers tevreden te stellen, maar voor Jaïro. Daar is uiteindelijk iedereen blij mee: als Jaïro zijn werk met de hand kan doen, krijgt hij het beste resultaat, en kan hij zijn kennis blijven doorgeven aan de volgende generatie.’
Maar die robot is dus nog niet af – het is een prototype. Zijn ze er dan niet een beetje vroeg bij, met die Stevinpremie?
Lachend: ‘Ja, eigenlijk wel! De prijs won ik vooral voor het wetenschappelijke raamwerk, denk ik. Het telefoontje, dat ik de Stevinpremie had gewonnen, kwam voor mij uit het niets. Op het werk nam ik geïrriteerd de telefoon op toen een anoniem nummer belde – het was de directeur van de NWO. Ik krijg nog kippenvel, als ik eraan denk.’
Kreeg u voorheen dan minder waardering voor uw werk?
‘Nou ja, we hebben hier vier jaar lang aan gewerkt, eigenlijk in complete onzekerheid of het wat ging opleveren. Met mijn focus op interdisciplinariteit sloeg ik een ander pad in: wij robotici denken vaak: ‘wij maken de toekomst, de rest mag die toekomst bestuderen’, dus sommige collega’s dachten dat ik de weg kwijt was geraakt. Ik heb opmerkingen naar mijn hoofd gekregen als ‘Je publiceert niet meer zoveel artikelen hè, gaat het nog wel goed?’ of ‘Sommige nieuwe hoogleraren raken ook een beetje de weg kwijt’. Dat raakte me.
‘Daarnaast ging het samenbrengen van verschillende wetenschappers gepaard met knalharde ruzies. Op een dag wilden we een plan maken voor hoe we de onderzoeksresultaten van de sociale wetenschappers konden vergelijken met die van de exacte wetenschappers. De ene groep onderzoekers deed kwalitatief werk – dus met interviews bijvoorbeeld – de andere met cijfertjes en berekeningen. Beide groepen kregen het gevoel dat hun methoden niet serieus werden genomen, en dat raakte hen in hun identiteit als wetenschappers. Soms liepen de emoties dan hoog op, rond de vergadertafel.
‘Sinds 2022 heb ik drie beursaanvragen over deze nieuwe onderzoeksmethode ingediend. Ze werden allemaal afgewezen, dus ik begon het vertrouwen langzaamaan te verliezen. Dus ja, als je opeens zo’n grote onderscheiding krijgt, is dat wel een verrassing!’
Andere Stevin- en Spinozawinnaars
Psychopatholoog Bernet Elzinga kreeg een Spinozapremie voor het ontwikkelen van laagdrempelige methodes om de overdracht van intergenerationele psychische problemen te voorkomen.
Ook klimaatonderzoeker Detlef van Vuuren won een Spinoza voor zijn rekenmodel IMAGE, dat de complexe relatie tussen milieu, economie, technologie en gedrag analyseert.
Bestuurskundige Paul ‘t Hart won de andere Stevinpremie voor werk aan de ‘positieve bestuurskunde', die bijvoorbeeld analyseert hoe overheden calamiteiten góed aanpakten, in plaats van alleen op tekortkomingen te focussen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant