Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Is het kunst of is het kitsch? Al veertig jaar lokt het bekende televisieprogramma eigenaars van schilderijen, serviezen of sieraden naar de opnamen om het antwoord op die vraag te horen. De experts van Tussen Kunst & Kitsch weten het altijd. Soms is dat goed nieuws voor de eigenaar: ‘Als dit juweel op de Tefaf zou liggen, dan kan er een prijs van 60 duizend euro aan hangen.’ In Kasteel Ruurlo, de tweede locatie van Museum More, zijn nu tachtig van zulke ‘televisievondsten’ te zien (inclusief dat juweel).
De hamvraag van een recensie is meestal niet ‘is het kunst of is het kitsch?’ Toch kwam ik het woordje ‘kitsch’ de afgelopen maanden tegen in kunstbesprekingen. Je zou verwachten dat vooraanstaande musea zich verre van kitsch houden, maar dat blijkt niet zo te zijn. Hedendaagse kunst die bovenmatig mooi is, vinden wij professionele kunstkijkers soms verdacht.
Zo schreven we over Matthew Wong in het Van Gogh Museum in Amsterdam: ‘Zijn schilderijen grenzen hier en daar aan kitsch.’ Maar ze waren uiteindelijk geen kitsch, volgens de recensent. En over de expositie van Isaac Julien in Bonnefanten in Maastricht schreven we: ‘De wereld van Isaac Julien ziet er bij tijden gelikt, zo niet kitscherig uit, maar is het niet.’ Opvallend: de NRC-recensent had een anders afgestelde kitsch-radar en concludeerde over Juliens kunst: ‘soms ronduit kitscherig’.
Kunst of kitsch is in hedendaagse kunst geen uitgemaakte zaak. Volgens het woordenboek gebruiken we het woord ‘kitsch’ om te verwijzen naar ‘werk dat de pretentie heeft kunst te zijn, maar van onecht gevoel getuigt’. In de praktijk ligt het ingewikkelder. Want wat is eigenlijk ‘onecht gevoel’? En wie bepaalt dat?
Mijn eigen kitsch-alarm ging vorig jaar luid af bij de schilderijen van Doron Langberg die te zien waren in de Kunsthal in Rotterdam. De Amerikaan schildert intieme en soms huiselijke scènes in olieverf met felle kleuren. Zijn schilderijen (en ik moet bekennen dat ik ze alleen online heb bekeken) waren mij te lieflijk qua onderwerpkeuze en te schreeuwerig qua kleuren.
Ik begreep, uit een interview met The Guardian, dat Langberg daar zelf ook mee had geworsteld. ‘Is het te frivool?’, had hij zich afgevraagd. Over zijn onderwerpen uit de queerscene twijfelde hij: ‘Is er te veel plezier en lust in de schilderijen?’ Langberg heeft die neiging tot zelfcensuur weten te onderdrukken. Met zo veel zelfbewustzijn kun je iemand eigenlijk niet meer van kitsch beschuldigen.
Jeffrey Gibson, de kunstenaar die dit jaar met zijn felgekleurde sculpturen en schilderijen de VS vertegenwoordigt op de Biënnale van Venetië, gaat een stap verder. Hij heeft kitsch omarmd en zei in een interview: ‘Ik wilde me overgeven aan kitsch en camp als beschermingsstrategieën voor queer mensen. Ik beschouw het als een interne taal, het is een manier waarop we met elkaar communiceren en een band opbouwen.’
Volgens Gibson gaat er dus een emancipatoire kracht uit van het tonen van kitsch. Dan heeft kitsch niets met onecht gevoel te maken. Er blijkt meer te zijn tussen kunst en kitsch.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns