Home

Wat alleen Jeroen Pauw en Paul Witteman weten, is dat ik het allereerste exemplaar van ‘Ik, Jan Cremer’ bezit

Ik las nog Thea Beckman toen mijn vader aan tafel een verhaal vertelde over Ik, Jan Cremer. Een dienstkameraad van hem, een figuur die in iedere zin die hij uitsprak het woord ‘godverdomme’ opnam, hij zei dus ook ‘ja, godverdomme’ en ‘nee, godverdomme’, waarna mijn broertjes en ik dat een uurtje nadeden, ‘mag ik godverdomme de jus’, ‘hier, godverdomme’, ‘dank, godverdomme’, etc., die dienstmaat dus, las iedere avond in de kazerne een gekaft boek waarop hij met balpen ‘Werktuigbouwkunde II, godverdomme’ had geschreven. ‘Laat eens zien’, vroeg mijn vader op een avond, en die maat zei ‘nee, godverdomme’, waarop mijn vader het afpakte, en zag dat er onder die kaft godverdomme Ik, Jan Cremer zat!

Het moet een vroege druk zijn geweest, want mijn vader zat in lichting 64-5 (september), en Ik, Jan Cremer verscheen, zoals iedere scholier weet, in 1964.

Wat alleen Jeroen Pauw en Paul Witteman weten, is dat ik het allereerste exemplaar van Ik, Jan Cremer bezit, verkregen door een wisseltruc. ‘Hoe kun je nou weten’, bemoeit mijn vriendin Jet zich ermee, ‘dat een boek het allereerste exemplaar is?’ Hoofdschuddend zet ik Jurassic Trap tegen onze kast, klim 6 meter de hoogte in en pak Ik, Jan Cremer. En zie, op de eerste bladzijde staan twee stempels, in groene inkt: ARCHIEFEXEMPLAAR VAN DE BEZIGE BIJ, eronder in blauwe inkt: EIGENDOM van uitgeverij De Bezige Bij, Van Miereveldstraat 1, Amsterdam-Zuid, NA GEBRUIK RETOUR. (‘Voor Jan Cremer & Jayne Mansfield’ staat er ook, haha, een boek aan jezelf en je sekssymbool opdragen, echt Cremer – hierover volgende week, misschien, meer.)

‘Ik weet hoe dat gaat op een uitgeverij’, zeg ik, ‘zodra de dozen van de drukker arriveren komt de uitgever uit zijn kantoortje, in Cremers geval oude Lubberhuizen. Die bekijkt gespannen het nieuwe boek, snuift eraan, en als alle teentjes en vingertjes eraan zitten, zet-ie zijn stempels, bam-bam, bam-bam, en zet het boek bij in het archief, in Ik, Jan Cremer’s geval die grote boekenkast van De Bezige Bij, je weet wel, die met de glazen schuifdeuren, hehehe.’

‘Maar…’, stamelt mijn vriendin Jet met opengesperde ogen, ‘hoe kom jij… ben jij…’

‘Pim Pandoer? De beruchte opiumsmokkelaar en meesterinbreker? De schrik van de Imbosch? Tevens bouwer van zijn eigen onderzeeër? Die hij later omkluste tot een rode amfibi-sportwagen? Waarmee hij naar de Van Miereveldstraat reed om bij volle maan de allereerste Ik, Jan Cremer te stelen? Die?’

Nee. Ik ging intelligenter te werk. Ooit draafde ik bij Pauw & Witteman op wegens 50 jaar Ik, Jan Cremer. Behalve een strijkplank om erbovenop Witteman en Pauw de flipstand te laten demonstreren (Cremer heeft Jayne Mansfield ooit, in genoemde flipstand, becoïteerd op een strijkplank, men raadplege Ik, Jan Cremer 3), had ik mijn eigen exemplaar van Ik, Jan Cremer meegenomen. Pauw en Witteman, die nieuwsgierig plaatsnamen op mijn strijkplank, hadden vlak voor de uitzending paniekerig naar De Bezige Bij gebeld, of er iemand een Ik, Jan Cremer kon brengen, en dat exemplaar lag nu op de talkshowtafel.

Terwijl Pauw en Witteman druk bezig waren met de flipstand, keek ik erin. Ik zag de stempels. Tiens, tiens, dacht ik. Van de buitenkant beschouwd leek mijn eigen drukje precies op dit allereerste exemplaar, aan de binnenkant minder, in plaats van stempels had ik er netjes mijn naam in geschreven. Ik zag Pauw en Witteman, vanaf mijn strijkplank, met van pijn vertrokken gezichtjes toekijken hoe ik de twee boeken omwisselde.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next