Oud-topambtenaar Van Nispen beschrijft in zijn dagboeken openhartig hoe opeenvolgende premiers voor de Oranjes werkten als ‘bureau voor gezinsmoeilijkheden’.
‘Het schijnt bij het Koninklijk Huis nooit zonder strubbelingen te kunnen verlopen.’ Zo huiselijk als de notitie is, zo zeldzaam is het om een dergelijke verzuchting uit de mond van een topambtenaar te lezen.
De licht wanhopige kreet is bijna zestig jaar oud, opgetekend op 8 mei 1965, als in de week voordien de eerste foto’s van prinses Beatrix met haar latere echtgenoot Claus zijn opgedoken. Penvoerder is jonkheer Buurt van Nispen tot Pannerden, als secretaris-generaal de hoogste ambtenaar op het ministerie van Algemene Zaken. Hij vervulde de functie liefst 26 jaar, van 1946 tot zijn overlijden in 1972, op 58-jarige leeftijd.
Bijzonder aan Van Nispen is niet alleen dat hij in die periode negen opeenvolgende premiers dient, maar ook dat hij twee dagboeken bijhoudt: een ambtelijk, gedicteerd aan zijn secretaresse, en een particulier, in handschrift. Carla van Baalen en Alexander van Kessel van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen hebben er, in overleg met de erven, nu een publieksuitgave van gemaakt. Die verschijnt donderdag bij uitgeverij Boom.
Op diezelfde 8ste mei, als Jo Cals premier is, noteert Van Nispen: ‘Cals heeft Sinninghe Damsté (directeur van de BVD, de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst, red.) gevraagd gegevens te verzamelen over Klaus (sic) von Amsberg. Wat mij niet zint, is dat hij 39 jaar is en ongetrouwd.’ De opmerking maakt duidelijk: te midden van de wantrouwende contacten tussen koningshuis en politiek is Van Nispen de ambtelijke spin in het web.
De hoogste ambtenaar heeft een jaar eerder de chaos meegemaakt rond de overgang van prinses Irene naar het katholicisme en haar verloving met de Spaanse troonpretendent Carlos Hugo. Koningin Juliana en prins Bernhard hebben voortdurend verschillen van mening. ‘Tussen Koningin en Prins is het weer helemaal verkeerd’, schrijft hij bijvoorbeeld op 4 februari 1964.
Van Nispen voelt een nieuwe bui hangen, nu de kroonprinses van plan is – twintig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog – met een Duitse man te trouwen. Op instigatie van Beatrix heeft Juliana dagenlang niet willen zeggen wie de man in kwestie is. De vorstin blijkt zelf al twee maanden eerder diens antecedenten te hebben laten natrekken.
De dagboeken van Van Nispen bevestigen wat eerder uit geopenbaarde notities van Cals bleek: Beatrix is opstandig. Van Nispen op 6 juni 1965: ‘Beatrix had tegen Cals gezegd: ik ben zelf ook voor 99 procent Duitser. Ze schijnt daarbij een agressief Duits te spreken. Het is niet zo’n leuke formulering die daarachter ligt, dat ons land een vreemd Koningshuis heeft dat hier regeert.’
Het patroon zet zich een jaar later voort, als Beatrix in tegenstelling tot haar moeder gekant is tegen het engagement van prinses Margriet met Pieter van Vollenhoven. Van Nispen werkt dan voor premier Victor Marijnen en schrijft op 14 maart 1965: ‘Beatrix was mordicus tegen de verloving en de Prins (Bernhard, red.) speelde het zo ver hij nog kon met haar mee. (...) De Koningin zei ondeugend tegen Mini Marijnen: ‘Als Uw man minister af zou geraken, kan hij wel een bureau voor gezinsmoeilijkheden oprichten!!’
De bezorgers van de dagboeken deden eerder onderzoek naar de financiële regelingen rond het Koninklijk Huis, die in de jaren van Van Nispen tot stand kwamen. Ook daarover gaat het veel in zijn notities. Van Nispen bouwt een eigen band op met de Oranjes, tot jachtpartijen aan toe, en fungeert als oliemannetje. Beatrix wil na de bevalling van Willem-Alexander de toekomstige troonopvolger per se op Drakensteyn (gemeente Baarn) tonen. Dat kan juridisch niet, want de baby is in de gemeente Utrecht geboren.
Premier Piet de Jong belt met het hof. Van Nispen noteert op 30 april 1967: ‘Onder de telefoon schoof ik hem een kladje toe: laat men eerst in de kliniek aan De Ranitz, de burgemeester van Utrecht en ambtenaar van de burgerlijke stand, het kind tonen, dan is ook aan die kant van de formaliteiten voldaan en laat dan later op Drakensteyn de eigenlijke toningsplechtigheid geschieden. Van Schelle, de secretaris van Beatrix en Claus, vond dat een briljante en geniale vondst. Mijns inziens had een kind zoiets kunnen bedenken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant