Na een slordig bestaan van twaalf ambachten en dertien ongelukken knetterde Jan Cremer in 1964 de literatuur binnen, in spijkerpak, wijdbeens op een Harley Davidson. Grote literaire prijzen kreeg hij nooit, maar van zijn debuutroman Ik Jan Cremer werden miljoenen exemplaren verkocht.
Schrijver-schilder Jan Cremer is op 84-jarige leeftijd na een kort ziekbed overleden. Dat maakte zijn uitgeverij, De Bezige Bij, woensdagmiddag bekend. Cremer was een icoon in de kunstwereld, die met zijn romandebuut Ik Jan Cremer in 1964 Nederland voorgoed veranderde. Het boek was rauw en rebels, humoristisch en seksueel expliciet – en het sloeg in als een bom.
Er werd schande van gesproken. Cremer heeft als schrijver nooit grote literaire prijzen gewonnen, maar van zijn debuutroman zouden talloze drukken elkaar opvolgen en wereldwijd werden miljoenen exemplaren verkocht. Suzanne Holtzer, meer dan dertig jaar zijn redacteur, prijst de literaire kracht, humor en vriendschap van Cremer. ‘Jan is voor de uitgeverij van onschatbare waarde geweest. Het was een eer en een avontuur met hem te mogen werken.’
Jan Cremer werd geboren op 20 april 1940 in Enschede, op de verjaardag van Adolf Hitler. Zijn moeder Rosza Csordás Szomorkay, een Hongaarse balletdanseres, noemde hem naar zijn vader, een onverbeterlijke avonturier en schuinsmarcheerder: Jan. Zo kreeg de baby de Messiaanse initialen: J.C. ‘Ik werd geboren aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog,’ staat in Ik Jan Cremer. ‘Die nacht mistte het. Er woei een gure wind, de straten waren leeg en Mamuszka haastte zich naar het ziekenhuis, onder haar arm een bundeltje inderhaast bij elkaar geraapte kleren.’
Cremer groeide op in armoede en zonder zijn vader, die stierf toen hij twee was. Hij was thuis voor zijn moeder nauwelijks te handhaven, belandde in kindertehuizen, maar ontsnapte zelfs aan de kinderbescherming en sloeg aan het zwerven over de wereld. Hij leidde een bestaan van twaalf ambachten en dertien ongelukken, maar heeft altijd geweten dat hij kunstenaar wilde worden. In de jaren vijftig woonde hij in de Rue Santeuil in Parijs, waar Karel Appel, Corneille, Lotti van der Gaag en Bram Bogart atelier hielden. Bogart daagde Cremer uit experimenteel te werken en op zijn schilderijen niet alleen verf maar ook gruis, zand en teer te gebruiken. Materiaal van de straat.
In 1958 kreeg Cremer zijn eerste tentoonstelling, in De Posthoorn in Den Haag. Zijn ‘Peinture Barbarisme’ leidde tot verblufte reacties. In een opruiend manifest verklaarde het schildersbeest: ‘Er moet iets nieuws komen, het grote, het waanzinnige.’ Cremer had genoeg van gevoelige composities en verfijnde kleuren: ‘Het is allemaal rotzooi. Ik sodemieter verf op een doek, ik druip spat sla schop. Ik vecht met verf, soms win ik.’
Bij een expositie in De Haagse Salon in 1960 bood Cremer zijn vijfluik La guerre Japonaise – zijn verbeelding van de oorlog in verf, teer en verschroeide pek – aan voor 1 miljoen gulden. Duurder dan een Picasso. Het schilderij bleef onverkocht, maar de actie haalde de voorpagina’s van de kranten. In 1962 bood Cremer het vijfluik in een brief aan Koningin Juliana en Prins Bernhard aan ter ere van hun zilveren huwelijksfeest. Op die brief kreeg hij geen reactie. Wel werden zijn vrienden door de BVD uitgehoord. Vijftig jaar later werd La guerre Japonaise verkocht aan Museum De Fundatie. ‘Voor 1 miljoen,’ zei Cremer. ‘Je moet altijd vasthouden aan je vraagprijs.’
Al vóór Cremer het boek had geschreven waar hij zichzelf als schrijver de wereld mee in zou katapulteren, wist hij hoe het eruit moest zien. Hij zou zelf op het omslag staan, in spijkerpak, wijdbeens op een Harley Davidson. Zo denderde en knetterde hij de literatuur binnen. De titel wist hij ook al: Ik Jan Cremer. Zoals een bekentenis, of een proces verbaal: ‘Ik, Jan Cremer verklaar...’ Schuin op het omslag zette hij, vóórdat er maar één exemplaar was verkocht: ’n onverbiddelijke bestseller. Het was allemaal van een bravoure waar de literaire wereld en het burgerlijke, bescheten vaderland niet klaar voor was. Maar een bestseller werd het.
‘Een bandeloze ontploffing tussen autobiografie en mythomanie’, noemde W.F. Hermans Ik Jan Cremer. Cremer nam zijn eigen leven als springplank voor de meest gruwelijke, erotische en hilarische verhalen en smeedde die verhalen in één reeks genummerde paragrafen aaneen. Geen mooischrijverij, maar taal van de straat. Op het achterplat claimde Cremer dat zijn boek het ‘koelbloedige ooggetuigenverslag van een eenmansguerilla’ was ‘waarvan romantiek, sex en sensatie de motor zijn – het avontuurlijke leven van een moderne piraat, desperado en playboy’. Boven en onder de achterplattekst stond: ‘Een gewaarschuwd lezer telt voor twee.’
Er gebeurde waar Cremer als jongetje van had gedroomd en waar hij bezeten naartoe had gewerkt: hij werd beroemd. ‘Ik word nog elke dag aan het boek herinnerd’, zei hij twee jaar geleden. ‘Nog elke dag staat mijn naam in de krant. Het boek verkoopt nog steeds. Dat is voor mij normaal. Ik ben er trots op, maar laat mij er niet op voorstaan. Ik heb een ontroerend mooi boek geschreven, vind ik zelf. Dat is wat telt.’
Cremer is blijven zwerven, schrijven, schilderen. Hij monsterde aan op de grote vaart, woonde op Ibiza en in het Chelsea Hotel in New York, had een atelier op een berg in Umbrië. Na het overweldigende succes van Ik Jan Cremer volgde in 1966 Ik Jan Cremer 2, dat ook een bestseller werd. Pas in 2008 volgde Ik Jan Cremer 3. In 1983 verscheen het vuistdikke De Hunnen, dat hij zelf als zijn magnum opus beschouwde.
De afgelopen jaren werkte Cremer woest als nooit tevoren. Hij had tentoonstellingen van zijn beeldende werk, maakte kolkende ‘zeeschappen’ van verf. Als schrijver leek hij herboren in Fernweh (2016), Sirenen (2017), Jayne (2018) en Canaille (2019), delen van zijn Odyssee-cyclus, over zijn ‘verlangen naar verten’, dat hij van zijn vader erfde, en zijn liefdes uit vervlogen tijden.
‘Hij schreef zoals hij schilderde, hij schilderde zoals hij schreef’, zei Babette Cremer-Sijmons vandaag, de liefde van zijn leven, die hij in 1977 ontmoette. Samen hebben ze een zoon, Ivan, die beeldhouwer is. Jan Cremer, de eeuwige jongen, overleed vanochtend om zes uur, na een kort ziekbed. ‘Hij ging zonder woorden’, zei Cremer-Sijmons, ‘maar heeft ons dicht tegen zich aangehouden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant